Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:759

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
C/08/182466 / KG ZA 16-49
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Erfdienstbaarheid van weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/182466 / KG ZA 16-49

Vonnis in kort geding van 7 maart 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. S.P. Koerselman te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. M.J. Siertsema, werkzaam bij DAS,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 9

  • -

    de producties 10 tot en met 12 en een CD-rom van [eiseres]

  • -

    de producties 13 tot en met 15 van [gedaagde 1]

  • -

    de akte wijziging eis van [eiseres]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde 1] c.s. zijn buren. De erven van hun woningen grenzen aan elkaar.

2.2.

[eiseres] is sinds 1996 eigenaresse van de woning aan het [adres 1] te [woonplaats]. [gedaagde 1] c.s. is sinds 2006 eigenaar van de woning aan het [adres 2] te [woonplaats].

2.3.

Ten behoeve van het perceel van [eiseres] en ten laste van het perceel van [gedaagde 1] c.s. is in 1994 – na een ruilverkaveling – een erfdienstbaarheid van weg gevestigd.

2.4.

Partijen moeten om bij hun woningen te komen een brug over en een (voet)pad volgen. Dit pad ligt gedeeltelijk op de grond van [gedaagde 1] c.s. en loopt door tot de voordeur van [eiseres].

2.5.

[eiseres] exploiteert een kinderdagverblijf vanuit haar woning. Om de boodschappen voor haarzelf en het kinderdagverblijf bij haar woning te krijgen, maakt zij gebruik van een kruiwagen.

2.6.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over – onder meer – het gebruik van het pad door [eiseres] en haar bezoekers, hetgeen heeft geleid tot een bodemprocedure bij deze rechtbank. Bij vonnis van 3 december zijn de door [gedaagde 1] c.s. ingestelde vorderingen afgewezen met betrekking tot het gebruik van het pad door [eiseres], te weten:

“(…)

III. een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid gevestigd bij notariële akte d.d. 16 december 1994 deel 8260, nummer 1 ten behoeve van de kavel [kavel 1] en ten laste van kavel [kavel 2], slechts strekt tot:

(…)

- het gebruik van het pad, behorende tot het dienende erf (perceel [nummer 1]), door de eigenaar c.q. de bewoners en de bezoekers van de woning van het heersende erf (perceel [nummer 2]) teneinde naar de deur van de woning in de noordgevel van de woning te komen en te gaan,

V. tevens [gedaagde 1] c.s. een verbod op te leggen tot gebruik van het pad behorende tot het dienende erf (perceel [nummer 1]) teneinde naar de deur in de zuidgevel van de woning te komen en te gaan (…)”

2.7.

In overweging 5.20 van dit vonnis staat het volgende:

“5.20 [gedaagde 1] c.s. vordert ook een verbod tot gebruik van het pad om bij de zuidelijke deur te komen. In de akte wordt slechts gesproken van een recht van weg. [gedaagde 1] c.s. is dan ook bevoegd aan te wijzen hoe het pad moet lopen en dus ook om de loop van het pad te verplaatsen. Dit brengt met zich dat [gedaagde 1] c.s. kan bepalen dat de laatste twee meter van het pad niet meer door [eiseres] gebruikt mag worden en dat het pad dat [eiseres] mag gebruiken afbuigt bij het vlonder pad. Indien [gedaagde 1] c.s. vasthoudt aan verlegging van het pad, betekent dit dat [eiseres] een stukje over haar eigen perceel moet lopen om vervolgens twee meter verderop weer op haar deel van het pad te komen (zie rechtsoverweging 2.5.) om zo bij de zuidelijke deur te komen. Verlegging van het pad door [gedaagde 1] c.s. laat dus onverlet dat [eiseres] gebruik mag maken van haar deel van het pad (deels gelegen naast de woning van [gedaagde 1] c.s.) om bij de zuidelijke deur te komen. Het pad dat loopt over het perceel van [gedaagde 1] c.s. sluit immers aan op het pad dat loopt over het perceel van [eiseres] en dat naar de zuidelijke deur leidt. De vordering van [gedaagde 1] c.s. op dit punt is echter niet duidelijk geformuleerd en lijkt in te houden een verbod tot het gebruik van de zuidelijke deur via het pad, ook voor zover het pad op het perceel van [eiseres] is gelegen. Die vordering is niet toewijsbaar en zal dan ook worden afgewezen. Dit laat onverlet dat het [gedaagde 1] c.s. vrij staat het pad te verleggen.”

2.8.

Van voornoemd vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.9.

[gedaagde 1] c.s. is voornemens om op korte termijn een gesloten hek rond zijn perceel te plaatsen, waardoor [eiseres] niet langer gebruik kan maken van de laatste 5 meter van het pad. Dit laatste stuk van het pad loopt langs de voortuin van [eiseres].

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, primair dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde 1] c.s. zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de door hem aangebrachte belemmeringen ongedaan te maken door het aanbrengen van een door [eiseres] op eenvoudige wijze en zonder enige belemmering te openen (hek)deur, te bepalen op een gebruikelijke 1 meter breedte, opdat zij ongehinderd en onbelemmerd gebruik kan maken van en over het doorlopende huidige dienende pad haar eigen pad kan blijven betreden, in één rechtlopende lijn vanaf de brug tot aan de deur van haar woning, en door kan lopen naar haar voordeur in de zuidelijke gevel, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag dat [gedaagde 1] c.s. nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verlopen, hiermee in gebreke blijft;

II. [gedaagde 1] c.s. zal veroordelen tot het plegen van onderhoud van het dienende pad, aanvangende vanaf de brug en eindigend tegen het pad van [eiseres], dat loopt over zijn dienende erf, dusdanig dat de tegels opnieuw en adequaat worden bestraat, vastgezet met stoepbanden en dat er geen ruimten tussen de tegels meer is, zulks binnen 3 weken na dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde 1] c.s., nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verlopen, hiermee in gebreke blijft;

met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van dit geding, onder bepaling dat betaling van de proceskosten binnen 7 dagen na dit vonnis dient plaats te vinden, bij gebreke waarvan [gedaagde 1] c.s. hierover vanaf de 8e dag na dit vonnis de wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde 2] verstek zal worden verleend. Nu tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is voortgeprocedeerd, geldt dit vonnis als een vonnis op tegenspraak.

4.2.

[eiseres] beroept zich erop dat door de plaatsing van een gesloten hekwerk haar de toegang tot het pad over het dienende erf wordt belemmerd en zij haar voordeur niet meer met een kruiwagen kan bereiken. Daarnaast verkeert het pad volgens [eiseres] in een slechte staat, waardoor sprake is van een onveilige situatie voor de gebruikers van het pad. Gezien deze stellingen van [eiseres] is het spoedeisend belang bij het gevorderde voldoende aannemelijk.

4.3.

Ingevolge artikel 5:73 lid 1 BW wordt de inhoud van de erfdienstbaarheid bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte.

4.4.

Niet in geschil is dat in de akte van vestiging - die overigens niet in het geding is gebracht - ten behoeve van het perceel van [eiseres] en ten laste van het perceel van [gedaagde 1] c.s. een recht van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg is vastgelegd.

4.5.

[gedaagde 1] betoogt dat [eiseres] het pad dat over zijn perceel loopt alleen mag gebruiken om bij haar eigen perceel te komen en dat zij geen gebruik mag maken van de laatste 5 meter van dit pad, omdat haar perceel dan al is bereikt. De plaatsing van een gesloten hek vormt daarom volgens [gedaagde 1] geen inbreuk op het recht van erfdienstbaarheid van [eiseres].

Door [eiseres] is daarentegen gesteld dat al sinds de bouw van haar (voormalige) boerderij begin 1900 gebruik wordt gemaakt van het volledige pad dat in één rechte lijn vanaf de brug naar haar voordeur loopt. Niet alleen de bewoners van haar boerderij hebben altijd gebruik gemaakt van het volledige pad, maar ook haar achterburen. Ook ten behoeve van hun perceel is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten laste van [gedaagde 1] c.s. Weliswaar maken deze achterburen thans gebruik van een ander pad om bij hun woning te komen, maar dat laat onverlet dat zij het pad nog steeds mogen gebruiken. Als het laatste stuk van het pad zou worden afgesloten heeft dit tot gevolg dat [eiseres] en haar achterburen door de voortuin van [eiseres] zouden moeten lopen om bij hun woningen te komen, hetgeen een wijziging van een reeds 116 jaar bestaande situatie inhoudt.

Gelet op dit betoog van [eiseres], dat niet door [gedaagde 1] c.s. is weersproken, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het recht van erfdienstbaarheid van [eiseres] het gebruik van het volledige pad omvat en dus ook betrekking heeft op de laatste 5 meter van het pad.

4.6.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde 1] dat uit overweging 5.20 van eerdergenoemd vonnis van deze rechtbank volgt dat hij gerechtigd is om het pad te verleggen en dat hij mag bepalen dat het pad 5 meter voor het einde afbuigt naar het perceel van [eiseres]. Nog daargelaten dat deze overweging geen uitwerking heeft gevonden in de beslissing van de rechtbank (het betreffende verbod – geciteerd in rechtsoverweging 2.6 – is afgewezen), is door [eiseres] met kracht van argumenten betoogd dat het [gedaagde 1] c.s. niet vrijstaat het pad te “verleggen” naar haar perceel, hetgeen door [gedaagde 1] c.s. niet gemotiveerd is weersproken. Voor zover nodig wijst de voorzieningenrechter erop dat bovendien geen sprake is van verlegging van het pad, maar dat het laatste stuk van het pad wordt afgesloten.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het [gedaagde 1] c.s. voorshands niet is toegestaan [eiseres] te belemmeren de laatste 5 meter van het pad te gebruiken. Het primair onder I gevorderde zal daarom als hierna volgt worden toegewezen.

4.8.

Voorts wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde 1] c.s. verantwoordelijk is voor het onderhoud van het gehele pad tot aan de brug, nu [gedaagde 1] dit betoog van [eiseres] gemotiveerd heeft bestreden en [eiseres] haar standpunt niet nader heeft onderbouwd. Wel is door [gedaagde 1] erkend dat hij het pad, voor zover dat op zijn grond ligt, dient te onderhouden.

4.9.

[eiseres] stelt dat de tegels van het pad op verschillende plaatsen op grote afstand (ongeveer 4 cm) van elkaar liggen en dat een deel van de tegels losligt. Gezien deze staat van het pad, die door [gedaagde 1] niet is bestreden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de gebruikers van het pad kunnen struikelen over de tegels, hetgeen de partner van [eiseres] al is overkomen (zoals onbetwist vaststaat). Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat de verlichting bij het pad niet altijd aanstaat, waardoor (oneffenheid van) het pad in het donker niet of nauwelijks is te zien. Daar [eiseres] en haar bezoekers op een veilige manier gebruik moeten kunnen maken van het pad, zal het onder II gevorderde als na te melden worden toegewezen.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal als volgt worden gemaximeerd.

4.11.

Ten slotte wordt benadrukt dat partijen erbij gebaat zijn als zij in onderling overleg hun geschillen oplossen en daarbij zijn gericht op het voorkomen van nieuwe conflicten. Zolang de woning van [gedaagde 1] c.s. niet is verkocht, zullen zij immers als buren met elkaar te maken hebben.

4.12.

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,02

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.199,02

4.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verleent verstek tegen [gedaagde 2],

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s., voor zover hij een hekwerk dan wel een andere belemmering heeft aangebracht waardoor [eiseres] het dienende pad niet volledig kan gebruiken, om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de door hem aangebrachte belemmeringen ongedaan te maken, met dien verstande dat ingeval van plaatsing van een hekwerk een door [eiseres] op eenvoudige wijze en zonder enige belemmering te openen (hek)deur moet worden aangebracht, bepaald op een gebruikelijke 1 meter breedte, opdat zij ongehinderd en onbelemmerd gebruik kan maken van het dienende pad en over het doorlopende huidige dienende pad haar eigen pad kan blijven betreden, in één rechtlopende lijn vanaf de brug tot aan de deur van haar woning, en kan doorlopen naar haar voordeur in de zuidelijke gevel,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen drie weken na betekening van dit vonnis onderhoud te plegen aan het dienende pad, voor zover dat op zijn perceel is gelegen, dusdanig dat de tegels opnieuw en adequaat worden bestraat, met niet meer dan de gebruikelijke ruimten tussen de tegels en vastgezet met stoepbanden,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 en/of 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van in totaal € 20.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.199,02, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, berekend vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2016.