Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:716

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
C/08/167464 / HA ZA 15-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorstart Vereniging Monumentenwacht Nederland zonder personeel niet onrechtmatig van bestuurders jegens het personeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/857
AR-Updates.nl 2016-0294
OR-Updates.nl 2016-0077
INS-Updates.nl 2016-0176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/167464 / HA ZA 15-76

Vonnis van 9 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. B. Cornelissen,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 4] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 5] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 6] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats 7] ,

gedaagden,

advocaat mr. W.T.N. Vlasveld.

Partijen zullen hierna afzonderlijk met hun achternaam, respectievelijk tezamen [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de antwoordakte

  • -

    de akte uitlaten productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij notariële akte d.d. 5 september 2007 is de stichting Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland omgezet in een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vereeniging Monumentenwacht Nederland (verder: VMN). Het doel van VMN is blijkens de statuten (artikel 2):

1. Monumentenwacht Nederland is een vereniging van:

  1. zelfstandige provinciale stichtingen die zich inzetten voor het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken en objecten, onder meer door het tijdig signaleren van onderhoudswerken, een en ander mede ter ondersteuning van het overheidsbeleid van de monumenten zorg;

  2. rechtspersonen die het hiervoor onder a geformuleerde doel actief onderschrijven en ondersteunen.

2. De vereniging verleent diensten aan haar leden ter ondersteuning van hun eigen respectievelijk gezamenlijke taakstelling, ter bevordering van de kwaliteitszorg en ter behartiging van hun belangen.

Zij trachtte dit doel te bereiken als volgt (artikel 3 van de statuten):

  1. ls landelijk aanspreekpunt en coördinator, ook van de gezamenlijke leden, te fungeren en zoveel mogelijk eenheid van handelen van de leden met betrekking tot de Monumentenwacht te bevorderen en te bewaken;

  2. haar leden te stimuleren tot onderling beraad en afstemming van beleid door middel van vergaderingen, commissiebesprekingen, enzovoort;

  3. het onderhouden van contacten met de rijksoverheid, IPO, VNG en andere betrokken landelijke organisaties;

  4. het verzorgen van de landelijke publiciteit en “public relations” met betrekking tot de Monumentenwacht;

  5. het, voor zover nodig of gewenst, stimuleren, adviseren en begeleiden van activiteiten van de aangesloten leden;

  6. het verlenen van diensten aan de aangesloten leden;

  7. alle andere wettige middelen, die het in artikel 2 omschreven doel kunnen bevorderen.

VMN werd gefinancierd via contributies van de aangesloten leden (waaronder de afzonderlijke provinciale monumentenwachten). Daarnaast ontving VMN inkomsten van de rijksoverheid voor geleverde diensten.

2.2.

Bij brief van 19 oktober 2013 schrijft (de directeur van) de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (verder: RCE) aan ( [eiser 2] , directeur van) VMN als volgt:

“Er bestaat sinds enige tijd onduidelijkheid over betaling door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) aan de Monumentenwacht Nederland voor monitordata van de monumentenwacht uit 2012 (betrekking hebbend op het jaar 2011). Middels deze brief wil ik bevestigen hoe deze onduidelijkheid is ontstaan en hoe ik voornemens ben om dit op korte termijn op te lossen.

De RCE heeft in het verleden monitordata over de jaren 2008, 2009 en 2010 van de Monumentenwacht gekocht voor gebruik in de Erfgoedmonitor. De aanschaf van deze data maakte deel uit van een breder pakket aan opdrachten verleend door de RCE: het scholingsplan, de ontwikkeling van een inspectiehandboek en digitalisering. De destijds gemaakte betalingsafspraken van € 120.000 per jaar golden voor de jaren 2009, 2010 en 2011.

Deze pakketafspraken zijn voor 2012 stilzwijgend verlengd. Als gevolg hiervan had de Rijksdienst hiervoor in 2012 geen budget gereserveerd en kon geen betaling plaatsvinden. In 2013 is voor de kosten over 2012 voor het scholingsplan en de ontwikkeling van een inspectiehandboek het bedrag van € 55.000 aan uw organisatie betaald middels subsidieverlening op basis van de Wet overige OCW subsidies (..). Een eerder afgesproken bedrag van € 15.000 ten behoeve van digitalisering is komen te vervallen.

De deelrekening ad € 50.000 voor de monitordata over 2011 is tot op heden nog niet betaald. Gezien de stilzwijgende verlenging van eerdere afspraken is de Rijksdienst gehouden om dit bedrag alsnog aan uw organisatie over te maken. Dit is u ook reeds toegezegd. Om deze betaling administratief juist af te kunnen handelen verzoek ik u vriendelijk om ons een nieuwe factuur ad € 50.000 toe te sturen die uitsluitend betrekking heeft op de monitordata over 2011, onder verwijzing naar deze brief. Na ontvangst van deze factuur zal ik er zorg voor dragen dat dit bedrag met spoed aan uw organisatie wordt overgemaakt.

Na betaling van deze factuur heeft de Rijksdienst op dit moment geen financiële verplichtingen meer richting de Monumentenwacht. De eventuele aanschaf van monitordata over de periode 2012 en later zal plaatsvinden binnen de kaders van de reguliere inkoopprocedure van het rijk.

Ik hoop hiermee voldoende duidelijkheid te hebben gegeven over het verloop van de betalingen in het verleden en over hoe ik voornemens ben de resterende betaling aan uw organisatie te voldoen. Ook wil ik u hartelijk bedanken voor uw geduld in deze kwestie. Ik hoop dat wij de wederzijdse goed betrekkingen tussen onze organisaties kunnen voortzetten.”

2.3.

Bij brief van 13 december 2013 schrijft Vereniging Monumentenwacht Utrecht aan VMN, voor zover thans van belang als volgt:

“(…)

Gelet op – de ons deels onbekend – gemaakte of nog te maken afspraken met de verhuurder en MWN maken wij derhalve vanaf 1 januari 2014 een formeel voorbehoud voor het continueren van ons onderhuurcontract voor langere periode.

(…)

Wij zullen al onze verplichtingen als onderhuurder in elk geval tot 1 juli 2014 nakomen en mogelijk ook daarna nog bij u willen onderhuren. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat de MWN na die datum in staat blijft om de MWU ruimten in onderhuur aan te bieden. Daarom gaan wij, in afwachting van een nieuwe situatie, op voorhand op zoek naar alternatieve huisvesting voor onze kantooractiviteiten.

(…)

Wij zeggen overigens wel het (deel) huurcontract voor de 4e verdieping op per 1 april 2014. We hebben wegens minder activiteit op de kerntaak inmiddels voldoende ruimte op de depots en de afdeling MWU-plus gaat zich daarom uit het oogpunt van kostenbesparing vestigen op het depot Lunetten en/of Amersfoort.

(…).”

2.4.

Bij brief van 24 december 2013 schrijft Cortona Estates B.V., aan VMN (t.a.v. [eiser 2] ) als volgt:

“In ons gesprek van 13 november jl. gaf u aan dat u volgend jaar de huurkosten voor de Utrechtseweg 3 te Amersfoort niet meer volledig kunt betalen.

De reden hiervoor is dat u vanuit de Rijksoverheid geen subsidie meer ontvangt en u via uw andere inkomstenkanaal ook minder inkomsten krijgt omdat de stichtingen die u het geld verstrekken het nu zelf ook met minder moeten doen.

U heeft hier reeds op ingespeeld door uw kosten te verlagen door een aantal kamers onder te verhuren en 1,5 fte te bezuinigen. Deze maatregelen compenseren echter niet geheel de mindere inkomsten.

Er is een oplossing nodig voor de korte en de lange termijn.

De huidige overeenkomst duurt nog circa 4 jaar. Als oplossing voor de lange termijn valt te denken aan het kwijtraken van deze verplichtingen van de huurovereenkomst. De ruimte wordt te huur gezet via Molenbeek Bedrijfsmakelaars. Cortona zal haar medewerking aan het beëindigen van de huidige overeenkomst en het aangaan van een nieuwe overeenkomst met een andere partij niet op onredelijke gronden weigeren.

De kosten van de makelaar worden door de Monumentenwacht voldaan. Tevens wordt tzt de mogelijkheid bekeken of er nog een deel van de achterstand terugbetaald kan worden omdat u na verhuur mogelijk in een voordelige ruimte terecht komt. Dan wordt ook bekeken of een compensatie voor (eventuele) gederfde huurinkomsten overeengekomen kan worden wanneer de ruimte voor een lagere huur wordt verhuurd.

Op korte termijn bent u hiermee naar alle waarschijnlijkheid niet mee geholpen. U gaf in het gesprek aan dat u de betaling voor het eerste kwartaal 2014 nog volledig kan voldoen. Deze zouden wij graag nog volledig van u ontvangen.

De frequentie van de facturen wordt aangepast naar maandbasis. Dit met ingang van 1 januari 2014. De inmiddels verstuurde nota kunt u in drie gelijke delen betalen per 1 januari, 1 februari en 1 maart.

Vanaf 1 april 2014 kunnen we de volgende regeling overeenkomen.

Voor 30% van de huurprijs ontvangt u een uitstel . Het deel welke niet in rekening wordt gebracht wordt dus niet kwijtgescholden. Deze wordt op een later moment weer ingelopen.

Deze situatie geldt in de eerste instantie t/m eind december 2014. We zullen te zijner tijd samen beoordelen hoe de situatie zich heeft ontwikkeld en op dat moment kijken wat de stappen worden voor het daaropvolgend jaar. Per eind december 2014 is het dan nog niet in rekening gebrachte deel ca. € 13.350,-.

(…).”

2.5.

In de ‘continuïteitsparagraaf’ van de jaarrekening 2013 van VMW is het navolgende opgenomen:

“Vanwege het wegvallen van één van de belangrijkste inkomstenbronnen is de vereniging niet langer in staat haar activiteiten duurzaam voort te zetten. De verwachting is dat op korte termijn na het uitbrengen van deze jaarrekening faillissement zal volgen.”

In de controleverklaring van de onafhankelijke accountant gedateerd 27 mei 2014 is onder meer de navolgende passage opgenomen:

“Wij vestigen de aandacht op de continuïteitsparagraaf in de grondslagen van de financiële verslaggeving van de jaarrekening, waarin uiteengezet is dat de vereniging door het wegvallen van één van haar belangrijkste inkomstenbronnen niet langer in staat zal zijn haar activiteiten duur voort te zetten. De grondslagen gehanteerd bij het opstellen van deze jaarrekening zijn dan ook aangepast waarbij niet meer wordt uitgegaan van de continuïteitsveronderstelling.”

2.6.

VMN had een bureau met drie medewerkers, te weten [eiser 1] c.s. [eiser 1] is op 1 mei 1997 in dienst getreden bij VMN in de functie van algemeen assistente. [eiser 2] is op 1 januari 2003 in dienst getreden bij VMN in de functie van directeur. [eiser 3] is op 1 december 2008 in dienst getreden bij VMN in de functie van coördinator kennis en techniek.

2.7.

Eind januari 2014 diende VMN voor [eiser 1] c.s. ontslagaanvragen in bij het UWV. Bij beslissing d.d. 7 maart 2014 heeft het UWV toestemming geweigerd om de arbeidsverhouding met [eiser 1] c.s. op te zeggen.

2.8.

Per e-mail van 28 april 2014 schrijft mr. Vlasveld aan [gedaagde 4] , voor zover thans van belang, als volgt:

“(…)

U vraagt of tijdens één algemene ledenvergadering, te houden in juni, besloten kan worden tot het aanvragen van het eigen faillissement én het oprichten van een nieuwe vereniging.

Ik lees dat er op 8 mei 2014 een consulterende bijeenkomst voor het bestuur plaats zal vinden. Naar ik aanneem zal enerzijds worden besproken de faillissementsaanvraag van de vereniging en anderzijds de oprichting van een nieuwe vereniging. Vervolgens wilt u de ALV in juni formele besluiten laten nemen omtrent deze punten. Voor het aanvragen van het faillissement is een formeel besluit noodzakelijk. Houd echter wel rekening met de timing: de aan- en verkoop van de activa moet voor de dag van het daadwerkelijk uitspreken van het faillissement van de oude vereniging voltooid zijn.

Voor het oprichten van de nieuwe vereniging is een formeel besluit van de ALV niet nodig. Het is juist van groot belang om de huidige vereniging geen rol te laten spelen bij de oprichting van de nieuwe vereniging. De nieuwe vereniging kan bijvoorbeeld worden opgericht door twee bij de nieuwe vereniging aan te stellen bestuursleden of twee toekomstige leden van de nieuwe vereniging. In elk geval zijn er twee (rechts)personen nodig voor het oprichten van een vereniging. Overigens worden de oprichters ook lid van de vereniging tenzij hiervan wordt afgezien. Hierover is (verder) overleg met de notaris noodzakelijk.

Het oprichten van de nieuwe vereniging door de oude vereniging levert mogelijk problemen op. Het oprichten van een nieuwe vereniging, waarin de oude vereniging feitelijk zal worden voortgezet, zou wellicht aangemerkt kunnen worden als een rechtshandeling die de doelen van de vereniging overschrijdt. Zo’n rechtshandeling is vernietigbaar op grond van de wet. Vernietiging van de oprichtingshandeling van een vereniging kan uiteindelijk leiden tot ontbinding van die vereniging. De bevoegdheid een rechtshandeling te vernietigen wegens doeloverschrijding komt toe aan de vereniging. Bij een faillissement komt deze bevoegdheid toe aan de curator.

Het zal voor de aan te stellen curator waarschijnlijk een zware dobber worden, maar via bovenstaande route zou de nieuwe vereniging mogelijk in de problemen kunnen komen.

Om terug te komen op uw vraag: ja het kan. Maar ten aanzien van de oprichting van de nieuwe vereniging is het niet wenselijk dat de oude vereniging dat doet.

(…).”

2.9.

Bij notariële akte van 24 juni 2014 is opgericht de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vereniging Provinciale Monumentenwachten Nederland (verder: VPMN). Bestuurders van VPMN zijn (blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 24 september 2014) [gedaagde 4] (penningmeester), [gedaagde 5] (secretaris) en [gedaagde 2] (voorzitter), allen afkomstig van de aangesloten (leden) provinciale monumentenwachten. Als doelomschrijving van de vereniging is in artikel 3 van de statuten opgenomen:

  1. De Vereniging Provinciale Monumentenwachten Nederland is een netwerkorganisatie van provinciale Monumentenwachten in Nederland. Provinciale Monumentenwachten hebben als doel het adviseren van gebruikers en beheerders van gebouwde, groene en archeologische monumenten door onderzoek volgens een specifieke werkwijze en op onafhankelijke wijze over (preventief) onderhoud;

  2. De Vereniging Provinciale Monumentenwachten Nederland heeft als doel:

a. Het ondersteunen van de provinciale Monumentenwachten bij het uitvoeren van hun taak om door het nemen en bevorderen van preventieve maatregelen het verval van cultureel erfgoed in Nederland te voorkomen;

b. Het verhogen van de kwaliteit van het werk van de leden;

c. Het optreden namens de leden in gevallen van gemeenschappelijk belang;

d. Het zorgen voor afstemming tussen en informatievoorziening van de leden.

2.10.

Na de oprichting van VPNM zijn enkele activa van VMN aan VPNM overgedragen. Dit betreft het (beeld)merk Monumentenwacht en het inspectiehandboek. VPMN heeft de door een erkend taxateur getaxeerde waarde voor deze activa betaald op een gesepareerde rekening van VMN.

2.11.

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 19 augustus 2014 is VMN in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is uitgesproken op eigen aanvraag van VMN.

2.12.

Ten tijde van het uitspreken van het faillissement werd het bestuur gevormd door [gedaagde 1] c.s.. [gedaagde 1] was voorzitter, [gedaagde 2] vicevoorzitter/secretaris, [gedaagde 3] penningmeester en [gedaagde 5] en [gedaagde 4] waren toevoegde bestuursleden. Zij zijn aangetreden per 19 december 2013 nadat het vorige bestuur zijn bestuurstaak had teruggegeven tijdens de algemene ledenvergadering van 11 december 2013. De aanleiding daarvoor was dat binnen VMN onenigheid was ontstaan tussen het bestuur en de niet in het bestuur vertegenwoordigde leden over de wijze waarop de toekomst van VMN zou moeten worden veiliggesteld.

2.13.

De arbeidsovereenkomsten met [eiser 1] c.s. zijn door de curator bij brief van 20 augustus 2014 per eerstvolgende datum opgezegd.

2.14.

In het openbaar faillissementsverslag opgesteld door de curator staat als oorzaak van het faillissement van VMN opgenomen: “de hoofdoorzaak van het faillissement is gelegen in het feit dat er meerdere onderverhuurders vertrokken uit het huurpand waardoor de huur per jaar niet meer op te brengen was. Daarnaast liepen de diverse andere opbrengsten terug.”

Verder is in dit verslag opgenomen: “er heeft geen doorstart plaatsgevonden.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser 1] c.s., ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] c.s. wegens misbruik van faillissementsrecht;

  2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door [eiser 1] c.s. geleden en nog te lijden schade sub 1, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser 1] c.s. legt aan haar vordering het navolgende ten grondslag. VMN heeft de eigen faillissementsaanvraag hoofdzakelijk gebruikt om de werknemersbescherming bij ontslag te omzeilen. Dientengevolge is sprake van misbruik van faillissementsrecht. Er was op het moment van de aanvraag niet daadwerkelijk sprake van een faillissementssituatie nu van een nijpende financiële situatie, die geen andere uitkomst dan faillissement zou kunnen hebben nog geen sprake was. Voor zover de financiële situatie wel aanleiding gaf tot de aangifte van het faillissement, is sprake van misbruik omdat de betalingsonmacht is voorgewend of geregisseerd. Nu [gedaagde 1] c.s. het als bestuurders binnen VMN voor het zeggen had, terwijl van hem als bestuurder kon en mocht worden verwacht dat hij al het mogelijke en nodige zou doen om, mede in het belang van de enige drie werknemers, de vereniging voort te zetten, heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [eiser 1] c.s. door het faillissement aan te vragen. Het was van aanvang af de bedoeling van [gedaagde 1] c.s. de bedrijfsactiviteiten van VMN, met gebruikmaking van de activa van VMN voort te zetten, met dien verstande dat men zich door de eigen faillissementsaanvraag van haar drie werknemers en een duur huurcontract heeft weten te ontdoen. VMN heeft immers op 15 augustus 2014 haar eigen faillissement aangevraagd. De financiële noodzaak daartoe

- indien aanwezig - vloeide (onder meer) voort uit een overschot aan personeel. VMN heeft de faillissementsaanvraag gedaan kort althans niet lang nadat het UWV in maart 2014 de toestemming om de arbeidsovereenkomsten met [eiser 1] c.s. te mogen beëindigen, had onthouden. Voorts lag er ruim voor het moment dat het faillissement werd aangevraagd reeds een uitgebreid plan voor een ‘doorstart’ klaar, zo niet een blauwdruk voor de naadloze voortzetting van de werkzaamheden van VMN, zoals onder meer blijkt uit de e-mail van 28 april 2014 van mr. Vlasveld aan [gedaagde 4] . Drie van de bestuursleden van de gefailleerde vereniging vormen thans het bestuur van de nieuwe vereniging en ook het ledenbestand, dat bestaat uit de provinciale monumentenwachten, is na de oprichting van de VPMN op 24 juni 2014 (nagenoeg) ongewijzigd gebleven. Inmiddels is gebleken dat de bedrijfsactiviteiten van VMN ongewijzigd op de oude voet althans nagenoeg ongewijzigd door VPMN worden voortgezet, tegen substantieel lagere kosten, aldus [eiser 1] c.s.

4.2.

[gedaagde 1] c.s. voert ten verwere aan dat VMN reeds tijdens zijn aantreden in zwaar weer verkeerde. De toekomst werd ernstig bedreigd door een steeds nijpender wordende financiële situatie. In de eerste plaats kwam VMN in de problemen doordat de inkomsten van de RCE volledig wegvielen, terwijl die wel waren begroot. Verder had VMN te maken met te hoge huurkosten. VMN huurde van Cortona Estates een bedrijfsruimte met een oppervlakte van 404 m2 voor zichzelf en voor de onderhuurders. Aanvankelijk was VMN begonnen met 8 personeelsleden op die locatie, samen met de onderhuurders. Het personeelsbestand bestond in 2013 nog slechts uit drie medewerkers. De huisvestingslasten waren daarmee niet in evenwicht. Een sterke onderhandelingspositie om tot reductie van de huisvestingslasten te komen werd eind 2012 verspeeld door het stilzwijgend laten passeren van de opzegtermijn, waardoor VMN weer tot 2019 vastzat aan het onveranderde huurcontract.

4.3.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het navolgende voorop. Er is sprake van misbruik van faillissementsrecht wanneer de bevoegdheid tot het aanvragen van het eigen faillissement is uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, te weten met als vooropgezet doel te bewerkstelligen dat de onderneming, in dit geval de vereniging feitelijk op de oude voet zou worden voortgezet, evenwel zonder werknemers en zonder dat werknemers de normale arbeidsrechtelijke bescherming werd geboden (HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0084, JAR 2004/166). [gedaagde 1] c.s. is derhalve eerst aansprakelijk

- en heeft persoonlijk onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s. gehandeld - als hij bij het aanvragen van het faillissement van VMN het vooropgezette doel heeft gehad te bewerkstelligen dat de activiteiten van VMN zonder werknemers konden worden voortgezet.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de vaststaande feiten dat de vereniging, alvorens [gedaagde 1] c.s. op 19 december 2013 als bestuurder aantrad reeds in financieel opzicht in zwaar weer verkeerde. De (vaste) subsidie ten bedrage van € 120.000,00 per jaar afkomstig van de RCE die VMN voor de jaren 2008, 2009 en 2010 had ontvangen was weggevallen. VMN heeft over de jaren 2012 en later hoogstens nog een bedrag van

€ 50.000,00 ontvangen voor ‘monitordata’ doch evenwel binnen de kaders van de reguliere inkoopprocedure van het rijk (zie 2.2.).

De verhuurder van het door VMN gehuurde pand was niet bereid de huur te verlagen en wilde enkel voor 30% van de huurprijs ingaande 1 april 2014 uitstel geven (zie 2.4.)

Zoals door [gedaagde 1] c.s. gesteld en door [eiser 1] c.s. niet betwist werd [gedaagde 1] c.s. na zijn aantreden daarnaast geconfronteerd met de brief van de onderhuurder Vereniging Monumentenwacht Utrecht d.d. 13 december 2013 (zie 2.3.) waaruit blijkt dat de Monumentenwacht Utrecht haar onderhuurovereenkomst gedeeltelijk had opgezegd, waarbij een volledig vertrek in het vooruitzicht werd gesteld.

[eiser 1] c.s. heeft voorts niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist dat daarna (in maart 2014) door de feitelijke opzegging van de overeenkomsten van onderhuur (door met name de Vereniging Monumentenwacht Utrecht) VMN op 1 juli 2014 beschikte over 404 m2 bedrijfsruimte voor drie medewerkers en dat de netto huurlasten per die datum zouden stijgen van € 42.000,00 naar meer dan € 82.000,00, tot 1 januari 2019 en dat van uitzicht op een andere (hoofd)huurder geen sprake was.

Uit het bovenstaande en de door [gedaagde 1] c.s. overgelegde balans per einde augustus 2014, het exploitatieoverzicht per einde augustus 2014 en de definitieve jaarrekening 2013 is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het faillissement van VMN onafwendbaar was. Zo geeft het exploitatie-overzicht (productie 19 bij conclusie van antwoord) aan dat de (gewone) baten in 2013 € 179.798,00 bedroegen en de bijzondere baten en lasten

€ 74.502,00. Het exploitatieresultaat projecten bedroeg € 33.154,00. Hier tegenover stond een bedrag van € 321.537.00 aan lasten, wat een negatief resultaat van € 34.083,00 opleverde. Het exploitatie-overzicht indicatief t/m augustus 2014 geeft een totaal aan baten aan van € 144.855,00 en lasten van € 201.134,00, zodat het exploitatieresultaat t/m augustus

€ 56.279,00 negatief bedroeg.

Ook uit de continuïteitsparagraaf van de jaarrekening 2013 van VMN blijkt dat de verwachting was dat een faillissement zou volgen.

4.5.

Tegen deze achtergrond heeft [eiser 1] c.s. de grondslag van haar vordering onvoldoende onderbouwd. Uit niets blijkt immers dat [gedaagde 1] c.s. het faillissement van VMN heeft aangevraagd met het enkele doel de activiteiten van VMN voort te zetten in VPNM, maar dan zonder [eiser 1] c.s. Dat VPNM op 24 juni 2014 is opgericht door de in 2.9. genoemde bestuursleden en enkele activa van VMN heeft overgenomen, is in dit verband onvoldoende van belang. Ook al zou sprake zijn van een tevoren voorbereide ‘doorstart’, zoals door [eiser 1] c.s. gesteld en door [gedaagde 1] c.s. gemotiveerd betwist, gelet op de financiële toestand waarin de VMN verkeerde is in dit geval hoe dan ook geen sprake van oneigenlijk gebruik van het middel van de faillissementsaanvraag. Ook het feit dat het UWV op 7 maart 2014 toestemming heeft geweigerd om de arbeidsverhouding met [eiser 1] c.s. op te zeggen maakt - gelet op de financiële situatie waarin VMN geraakte - e.e.a. niet anders.

4.6.

De slotconclusie is dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

4.7.

[eiser 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.189,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.189,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser 1] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.1

1 type: coll: