Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:669

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
C/08/175293 / HA ZA 15-427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitkering uit overlijdensrisicoverzekering/partnerverzekering valt toe aan ex-echtgenoot en niet aan de kinderen als erfgenamen van de overledene, nu ex echtgenoot begunstigde is gebleven na de echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/175293 / HA ZA 15-427

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.H. van den Berg te Kampen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Kampen,

gedaagde,

advocaat mr. J.H. van Meurs te Kampen.

Partijen zullen hierna [eiser] en vader genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 december 2015

  • -

    de als akte aan te merken uitlating van vader

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Gelet op de inhoud van bovengenoemd proces-verbaal betreft het door de rechtbank te beoordelen geschil thans nog de vragen

  1. of vader ongerechtvaardigd is verrijkt door de uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering/partnerverzekering - die vader en zijn voormalig echtgenote, mevrouw [X] , hierna: moeder, tijdens hun huwelijk in 2009 sloten doch welk huwelijk door echtscheiding eindigde in 2013 - na het overlijden van moeder in 2015,

  2. of deze uitkering toekomt aan zoon [eiser] - en aan zijn broer [Y] - die de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaardden,

  3. of vader de door hem ontvangen uitkering van EUR 80.000,= alsnog aan hem/hen dient te voldoen.

2.2.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat genoemde polisuitkering hem en [Y] als erfgenamen toekomt en in verband daarmee dat de rechtbank bepaalt dat vader de uitkering hem/hen uitbetaalt.

2.3.

De afwikkeling van de nalatenschap hangt samen met het tot op heden niet volledig ten uitvoer gelegde echtscheidingsconvenant van vader en moeder welke kwestie verband houdt met onderhavige nalatenschap, in het kader waarvan [eiser] - naast andere, thans niet beoordeelde vorderingen - genoemde verklaring voor recht vordert.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft de door vader en moeder aangegane partnerverzekering een risicopolis, die niet aan hun woninghypotheek was verbonden en waarover in het echtscheidingsconvenant van vader en moeder in 2013, in de aanloop naar hun echtscheiding eind 2013, geen afspraken zijn gemaakt in het kader van de verdeling (lees: toedeling, wijziging of beëindiging van de polis). Zou dat laatste wel hebben plaatsgevonden, dan zou deze risicopolis - andere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken - voor zover al aan te merken als een (bewust / onbewust) overgeslagen vermogensbestanddeel, geen waarde hebben vertegenwoordigd op de betreffende peildatum - naar huidig recht de datum van het echtscheidingsverzoek of naar oud recht de dag van echtscheiding. Die dag bepaalt de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Het door onderhavige partnerverzekering verzekerde risico, lees: in casu het overlijden van moeder, heeft (eerst) plaatsgevonden na de echtscheiding. In zekere zin valt aldus een parallel te trekken met het ontvangen van een erfenis na echtscheiding die buiten de boedel valt.

2.5.

Vanwege het voortzetten van genoemde polis na de echtscheiding door middel van maandelijks verschuldigde en betaalde premies door vader én het intreden van het verzekerde risico na de echtscheiding, heeft de uitkering door SNS-bank na het overlijden van moeder in 2015, conform de verzekeringsvoorwaarden van de polis aan de langstlevende van de beide verzekerde echtelieden, terecht aan vader als eerste begunstigde plaatsgevonden.

2.6.

Deze uitkering valt niet (bij helfte) toe aan [eiser] , omdat vader volgens de begunstigingsregeling van genoemde verzekering hoger in rangorde staat.

2.7.

Ook de tekst van artikel 10 lid 2 van de polisvoorwaarden noopt niet tot een ander oordeel. Lezing daarvan maakt dat vader vóór datum echtscheiding partner in de zin van voornoemde verzekering was en die kwalificatie door de echtscheiding / het overlijden van moeder niet verloor (door een van rechtswege gewijzigde begunstiging).

2.8.

Art 10 lid 2 voornoemd bepaalt immers:

Is de begunstigde in een bepaalde hoedanigheid aangewezen, dan wordt de aanwijzing geacht te zijn gedaan ten behoeve van degene die deze hoedanigheid bezit bij het overlijden van de verzekerde of het opeisbaar worden van een uitkering.

2.9.

Een en ander zou anders zijn, indien in genoemde verzekering vóór datum echtscheiding kapitaal of opgebouwde rechten zouden zijn opgebouwd. Ook dat is gesteld noch gebleken.

2.10.

Daarmee ligt de vordering van [eiser] voor dadelijke afwijzing gereed.

2.11.

Nu vader ter zitting heeft verklaard dat hij zijn vordering tot opheffing van het door [eiser] gelegde beslag opschort tot de uitkomst van het door [eiser] aangekondigde hoger beroep, beschouwt de rechtbank de vordering van vader daarmee als ingetrokken voor zover het de procedure in eerste aanleg betreft en behoeft deze vordering thans geen bespreking.

2.12.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.