Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:648

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
AWB 15/2398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Almelo moet een nieuw besluit nemen over de monumentenstatus van het voormalig stadhuis. De rechtbank Overijssel oordeelt dat het college van B en W het besluit op bezwaar niet zorgvuldig heeft voorbereid en de belangen onvoldoende heeft afgewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2398

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

De vereniging Bond Heemschut Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland, te Amsterdam,

Stichting Cuypersgenootschap, te Linne,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de gemeente Almelo.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om het voormalige stadhuis van Almelo, op het perceel Stadhuisplein 1 te Almelo, op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Bij besluit van 6 oktober 2015 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 november 2015, verzonden op 15 december 2015, heeft verweerder het besluit van 6 oktober 2015 bekrachtigd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016.

De vereniging Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland, heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger Bond Heemschut] . De stichting Stichting Cuypersgenootschap heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger Cuypersgenootschap] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger gemeente 1] en [vertegenwoordiger gemeente 2] , bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat aanvankelijk, bij het besluit van 6 oktober 2015, door de

directeur sector Stad en Economie namens verweerder op het bezwaar is beslist. Dit besluit was niet ondertekend. Daargelaten de vraag of de directeur sector Stad en Economie bevoegd was om dit besluit namens verweerder te nemen, is het op 6 oktober 2015 genomen besluit in strijd met het bepaalde in artikel 10:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet namens het bestuursorgaan ondertekend. Verweerder heeft dit gebrek evenwel hersteld doordat het besluit van 6 oktober 2015 bij besluit van 3 november 2015, verzonden op 15 december 2015, bekrachtigd en ondertekend is. Eisers zijn door deze gang van zaken niet benadeeld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het hiervoor geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

2.1

Op 26 mei 2014 hebben eisers verweerder verzocht om het voormalige stadhuis van Almelo aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het gebouw is eigendom van de gemeente Almelo.

2.2

In augustus 2014 heeft Het Oversticht een rapport uitgebracht met betrekking tot de cultuurhistorische waardestelling van het gebouw. In het rapport van Het Oversticht staat, kort samengevat, dat het eerste schetsontwerp voor het stadhuis destijds gemaakt is door de bekende architect J.J.P. Oud (hierna: Oud). Nadat Oud in 1963 is overleden, is het ontwerp verder uitgewerkt door zijn zoon en architect H. Dethmers. Het gebouw is in 1973 opgeleverd en is vervolgens als stadhuis in gebruik genomen. Tot 2015 heeft het gebouw dienst gedaan als stadhuis. Het stadhuis is gebouwd in functionalistische stijl en bevatte oorspronkelijk drie bouwdelen. Hoewel op meerdere momenten belangrijke interne wijzigingen zijn aangebracht in het gebouw, is de buitenkant van het gebouw vrijwel gaaf bewaard gebleven. Het Oversticht concludeert dat het gebouw zeker monumentale waarden bezit en dat het in aanmerking komt om te worden aangewezen als gemeentelijk monument.

3.1

Verweerder heeft geweigerd om het voormalige stadhuis op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Zolang geen duurzame en financieel haalbare invulling voor het gebouw is gevonden, wil verweerder niet op grond van de Erfgoedverordening 2014 van de gemeente Almelo (hierna: Erfgoedverordening) gebonden zijn aan een vergunningstelsel ter bescherming van gemeentelijke monumenten. Verweerder wil voorts voorkomen dat het gebouw (nadat het als gemeentelijk monument is aangewezen) te zwaar op de gemeentelijke begroting drukt. Langdurige leegstand van het gebouw kan verder leiden tot een verslechtering van de leefbaarheid van de binnenstad van Almelo.

3.2

Eisers stellen zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het voormalige stadhuis niet op de gemeentelijke monumentenlijst wordt geplaatst. Uit het rapport van Het Oversticht blijkt dat het gebouw monumentale waarden heeft. De vraag of er duurzame en financieel haalbare mogelijkheden voor hergebruik van het gebouw zijn, dient volgens eisers niet eerder te worden beoordeeld dan in het kader van een eventuele toekomstige aanvraag tot vergunningverlening op grond van de Erfgoedverordening. Overigens is volgens eisers niet gebleken dat er geen financieel haalbare mogelijkheden voor hergebruik van het gebouw zijn. Verweerder heeft de betrokken belangen onvoldoende afgewogen.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Erfgoedverordening verweerder, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een bouwwerk kan aanwijzen als gemeentelijk monument.

4.2

Bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing van een bouwwerk als gemeentelijk monument geldt als uitgangspunt dat verweerder op zorgvuldige wijze kennis dient te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat verweerder de betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar dient af te wegen. De rechtbank dient dit te beoordelen. Verder geldt dat het college beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. De rechtbank dient te toetsen of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De ten tijde van de besluitvorming bestaande situatie is daarbij van belang. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4681).

4.3

Uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014 volgt voorts dat als in het kader van (de heroverweging van) het besluit omtrent het aanwijzingsverzoek door de eigenaar van het gebouw concreet wordt gesteld dat de monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam wordt gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de beoordeling van het aanwijzingsverzoek kunnen worden betrokken. Anders dan eisers hebben betoogd, kunnen deze belangen niet (enkel) pas aan de orde komen naar aanleiding van een eventuele toekomstige aanvraag tot vergunningverlening op grond van de Erfgoedverordening. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4

Dit laat onverlet dat verweerder op zorgvuldige wijze kennis diende te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat verweerder de betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar diende af te wegen. Daarbij gaat het, blijkens het bestreden besluit, in de kern dus enerzijds om de bescherming van monumentale waarden van het gebouw en anderzijds om de negatieve gevolgen van de monumentenstatus voor herontwikkeling of verkoop. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.5

Ter zitting heeft verweerder het besluit nader toegelicht.

Voor zover verweerder in het besluit kanttekeningen heeft geplaatst bij het rapport en advies van monumentencommissie Het Oversticht, heeft verweerder ter zitting desgevraagd nadrukkelijk gesteld dat deze kanttekeningen zo moeten worden begrepen, dat verweerder niet zonder meer instemt met de conclusies van Het Oversticht omtrent de monumentale waarden van het gebouw en daarom evenmin zonder meer aanleiding ziet om vanwege deze door Het Oversticht genoemde monumentale waarden tot aanwijzing van het gebouw als gemeentelijk monument over te gaan. Verweerder heeft hieromtrent vooralsnog echter geen nader advies ingewonnen en vooralsnog geen definitief standpunt willen innemen. Verweerder heeft de door Het Oversticht genoemde monumentale waarden in verband hiermee evenmin als uitgangspunt genomen in het kader van de besluitvorming.

4.6

De rechtbank is van oordeel dat het verweerder niet vrij staat om op deze wijze een advies van de ingeschakelde deskundige terzijde te stellen. Dat geldt temeer nu gesteld noch gebleken is dat de wijze van totstandkoming dan wel de inhoud van het advies gebreken vertonen. Verweerder heeft slechts kanttekeningen geplaatst bij de conclusies van Het Oversticht, echter zonder daar zelf duidelijke conclusies aan te verbinden en zonder verdere navraag te doen bij Het Oversticht. Reeds in zoverre oordeelt de rechtbank dat verweerder niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Verweerder heeft zich geen oordeel gevormd over de vraag welke monumentale waarden het voormalige stadhuis bezit, zodat het belang van bescherming van mogelijke monumentale waarden van het gebouw voorts niet deugdelijk kan zijn afgewogen tegen de negatieve gevolgen van een monumentenstatus voor herontwikkeling of verkoop.

4.7

Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat hij de handen vrij wil houden, zolang geen duurzame en financieel haalbare invulling voor het gebouw is gevonden. Om die reden heeft verweerder ook geen aanleiding gezien om de door de gemeenteraad van Almelo gestelde termijn voor het indienen van ontwikkelingsinitiatieven tot 16 november 2015 af te wachten, alvorens tot besluitvorming over te gaan.

4.8

De rechtbank is van oordeel dat het een college vrij staat (door de eigenaar gestelde) negatieve gevolgen van een monumentenstatus voor herontwikkeling of verkoop bij de besluitvorming rondom een aanwijzing tot monument te betrekken. Dit dient dan echter te gebeuren in het kader van de hiervoor genoemde belangenafweging, waarbij ook het oordeel over de monumentale waarde van het gebouw een rol moet spelen. Bij die weging is, blijkens eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling, van betekenis of er sprake is van concreet gestelde negatieve gevolgen van een aanwijzing tot monument, die genoegzaam zijn gemotiveerd. Aannemelijk moet worden gemaakt dat het gebouw, als daaraan een monumentenstatus wordt toegekend, vrijwel niet is te exploiteren, verhuren of verkopen, of dat bouwkundige oplossingen voor herbestemming onbetaalbaar zijn. Indien er echter alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het gebouw, komt hieraan in het kader van de hiervoor genoemde belangenafweging grote betekenis toe.

4.9

Dat verweerder de handen vrij wil houden, zolang geen duurzame en financieel haalbare invulling voor het gebouw is gevonden, geeft naar het oordeel van de rechtbank ook in zoverre blijk van een te beperkte invulling van de door verweerder in het kader van (de heroverweging van de afwijzing van) het voorliggende verzoek tot aanwijzing als gemeentelijk monument te verrichten zorgvuldige inventarisatie van relevante feiten en af te wegen belangen en van de belangenafweging als zodanig.

5.1

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb vernietigd.

5.2

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    gelast verweerder om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,-- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en

mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.