Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:592

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
Awb 16/138 en 16/139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verwijdering leerling op school voor speciaal onderwijs; schoolbestuur heeft genoegzaam onderbouwd waarom deze niet langer op de school te handhaven is; afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/138 en 16/139

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoekster 1] te Borne, verzoekers,

gemachtigde: mr. S.G. Volbeda,

en

het bestuur van de stichting Scholengroep Primato, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E. Auw Yang-van der Veer.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2015 heeft verweerder besloten de zoon van verzoekers, [X] ,

met ingang van 2 november tot uiterlijk 5 november van basisschool SBO De Stiepel (hierna: de school) te schorsen.

Bij besluit 3 november 2015 heeft verweerder besloten [X] met onmiddellijke ingang van 5 november te schorsen en van school te verwijderen.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door D.J. Loman (bestuurslid van verweerder), J.B.M. Metgod (directeur van De Stiepel) en M. Wolf (voormalig directeur van De Stiepel).

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) berust de beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen bij het bevoegd gezag.

Ingevolge het elfde lid hoort het bevoegd gezag de betrokken groepsleraar voordat wordt besloten tot verwijdering. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.

3. Ter zitting hebben verzoekers desgevraagd door de voorzieningenrechter bevestigd in het kader van de behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening geen belang (meer) te hebben bij beoordeling van de schorsingsbesluiten, omdat de perioden waarop deze betrekking hebben reeds zijn verstreken.

De schorsingsbesluiten behoeven om die reden thans geen nadere bespreking, zodat de voorzieningenrechter de beoordeling hierna zal beperken tot het verwijderingsbesluit (hierna: het bestreden besluit).

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de school “handelingsverlegen” is met betrekking tot [X] . Ondanks de aandacht die de school heeft gegeven aan [X] ’s dyslexie, zijn de gedragsproblemen niet afgenomen en op bepaalde momenten juist toegenomen. [X] heeft meer leerkrachtnabijheid nodig om de vaardigheden te leren die nodig zijn voor gedragsverandering. De leerkracht kan in de onderwijsbehoefte van [X] niet voorzien en de school heeft onvoldoende middelen om een extra onderwijsassistent in te zetten. Daardoor laat [X] intimiderend en onvoorspelbaar gedrag zien, wat voor een onveilige situatie in de groep zorgt.

Een school voor speciaal onderwijs kan volgens verweerder wel bieden wat [X] nodig heeft, waaronder meer leerkrachtnabijheid door een leerkracht en een onderwijsassistent in een kleinere groep.

5. Verzoekers stellen dat hen niet is gebleken dat [X] voor onveilige situaties in de groep heeft gezorgd, verzoekers zijn daar nooit over in kennis gesteld.

Verder is volgens verzoekers niet gebleken dat de school niet kan voorzien in de onderwijsbehoefte van [X] . De school beschikte over alle informatie die nodig was om [X] goed te kunnen begeleiden. Op school was sinds januari 2015 sprake van een stijgende lijn in het functioneren. Dat [X] soms intimiderend en onvoorspelbaar gedrag laat zien was de school al lang bekend en is ook veroorzaakt door fouten die door de school zijn gemaakt. Verzoekers noemen in dit verband: het niet tijdig opstellen van een OPP, het niet instellen van een onderwijsbegeleidingsdienst, het veroorzaken van fysiek letsel bij [X] , het plaatsen van [X] achter schotten met een koptelefoon, zonder dat de ouders -zoals afgesproken- hem hierop hebben kunnen voorbereiden en het zonder medeweten van de ouders plaatsen van [X] in groep 7.

Het verwijderingsbesluit is volgens verzoekers voorbarig. Onvoldoende invulling is gegeven aan de doelstelling om het handelingsplan en overige afspraken uit te voeren. Niet duidelijk is waarom verweerder niet heeft gekozen voor een minder verstrekkend besluit.

Volgens verzoekers heeft verweerder voorts in strijd met de WPO nagelaten de leerkracht te horen, alvorens tot verwijdering van [X] van school te besluiten.

Ten tijde van het verwijderingsbesluit had verweerder er niet voor zorg gedragen dat er een toelaatbaarheidsbeschikking (hierna: tlv) was afgegeven voor een andere school. De tlv-beschikking voor speciaal onderwijs is eerst afgegeven bij beschikking van 3 december 2015; met de ouders is geen overleg geweest. Verder hoort [X] niet thuis op een SO-school omdat [X] geen gedragsstoornis heeft.

6.1

De voorzieningenrechter overweegt dat bij verwijdering van een leerling de grootst mogelijke zorgvuldigheid dient te worden betracht door het schoolbestuur, zeker waar het gaat om verwijdering vanwege handelingsverlegenheid. In het bijzonder dient het schoolbestuur de relevante feiten en belangen zorgvuldig te inventariseren en genoegzaam te onderbouwen waarom [X] niet langer op de school is te handhaven. Ten aanzien van de afweging van de betrokken belangen komt verweerder beleids- en beoordelingsvrijheid toe, in verband waarmee de voorzieningenrechter zich ten aanzien daarvan dient te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

6.2

Uit de onderliggende stukken leidt de voorzieningenrechter het volgende af.

6.3

[X] is nu 9 jaar oud en is, na een doublure in groep 3 op de basisschool en nadat was geconstateerd dat er sprake is van kenmerken van dyslexie en gedragsproblemen, bij aanvang van het schooljaar 2014/2015 geplaatst op een school voor speciaal basisonderwijs, De Stiepel, in groep 4.

In september 2014 is door de school een plan van aanpak gemaakt voor technisch lezen. [X] heeft van september tot december een paar uur per week buiten de klas extra begeleiding gekregen met betrekking tot technisch lezen.

Op 30 oktober 2014 en 10 november 2014 heeft de school blijkens het leerlingdagboek haar zorgen geuit naar verzoekers over het gedrag van [X] .

Op 13 november 2014 hebben de orthopedagoog, leerkracht en intern begeleider van de school met verzoekers een gesprek gehad met als doel om te onderzoeken hoe [X] kan worden geholpen zijn gedrag te corrigeren. Afgesproken is dat een handelingsplan zou worden opgesteld en dat het schoolmaatschappelijk werk een aantal gesprekken met [X] zou hebben.

In december 2014 is het plan van aanpak opgesteld met een handelingsplan voor de leerkrachten met betrekking tot het omgaan met het gedrag van [X] , teneinde [X] structuur, veiligheid en herhaling te bieden, zodat hij in de groep goed kan functioneren. Het plan van aanpak is wekelijks met verzoekers geëvalueerd.

Op 15 december 2014 heeft de school verzoekers gemeld handelingsverlegen te zijn: [X] vertoont extreem gedrag en dat vraagt om een intensievere begeleiding dan de school kan bieden.

Vanaf begin 2015 heeft de leerkracht van [X] geprobeerd om met een beloningssysteem met stickers [X] gedrag te leren om tot leren te komen.

In februari 2015 heeft er een differentiaal diagnostisch onderzoek naar dyslexie plaatsgevonden. Daaruit is naar voren gekomen dat [X] in aanmerking komt voor begeleiding in verband met ernstige dyslexie.

In april 2015 is er een schot geplaatst om het tafeltje van [X] in de klas en heeft [X] een koptelefoon gebruikt.

Op 7 april 2015 heeft de school wederom aangegeven handelingsverlegen te zijn.

In juni 2015 is het ontwikkelingsperspectief van [X] vastgesteld door een orthopedagoog, de IB-er en twee leerkrachten van school. Daarin is voor wat betreft het ontwikkelingsperspectief van [X] vermeld dat [X] ’s gedrag en werkhouding zijn eigen ontwikkeling belemmeren, en dat [X] meer leerkrachtnabijheid en aandacht nodig heeft dan de school kan bieden. Tevens wordt gesteld dat [X] op dat moment meer gebaat is bij plaatsing op een school voor speciaal onderwijs.

Op 21 augustus 2015 heeft psycholoog drs. T.A van Raaij naar aanleiding van het door haar verrichte onderzoek verzoekers en de school geadviseerd een differentiaal diagnostisch onderzoek te laten uitvoeren door een daartoe bevoegde gz-psycholoog. Daarbij heeft zij aangegeven dat een dergelijk onderzoek door de school wordt gewenst omdat de uitgevoerde interventies op sommige momenten geen of nauwelijks effect op het gedrag van [X] hebben en de school behoefte heeft aan concrete handreikingen over de juiste aanpak. Ook ervaarden de leerkrachten dat hun eigen handelingsrepertoire niet altijd toereikend was. Bovendien vroeg [X] bij perioden om zeer intensieve individuele aandacht met als gevolg dat er weinig aandacht aan de groep kon worden gegeven. Het gedrag van [X] was soms moeilijk te begrijpen en te beïnvloeden en belemmerde tevens zijn eigen ontwikkeling. Drs. Van Raaij heeft tevens aangegeven dat mocht uiteindelijk blijken dat ondanks de aanvullende maatregelen de school niet kan voldoen aan de onderwijsbehoefte van [X] , een andere vorm van onderwijs noodzakelijk kan zijn.

In september 2015 is [X] in groep 7 geplaatst, omdat een mannelijke leerkracht die de hele week aanwezig is beter leek aan te sluiten bij de behoefte van [X] aan begeleiding. Bovendien had [X] een betere aansluiting bij oudere kinderen en volgde hij, net als alle overige leerlingen, lesstof op eigen niveau.

In september 2015 heeft er psychodiagnostisch onderzoek plaatsgevonden door orthopedagoog M. Kotterink. In het onderzoeksverslag concludeert Kotterink dat het huidige plan van aanpak inhoudelijk aansluit op de onderwijsbehoeften van [X] , maar dat gebleken is dat deze aanpak intensiever moet worden ingezet. [X] heeft meer leerkrachtnabijheid en toezicht nodig om de vaardigheden te leren die nodig zijn voor gedragsverandering. De onrust en de impulsiviteit treden bij [X] zeer sterk op de voorgrond en belemmeren hem bij alle taken. Niet duidelijk is in hoeverre deze positief te beïnvloeden zijn in de huidige situatie met de middelen die momenteel beschikbaar zijn. Volgens Kotterink zal de school moeten onderzoeken welke mogelijkheden zij heeft om de begeleiding van [X] te intensiveren en kan de school zonodig de Commissie van Arrangementen om advies vragen over een passend onderwijsarrangement voor [X] .

Op 29 oktober 2015 zijn de uitkomsten van het onderzoek door de school met verzoekers besproken. De school heeft verzoekers voorgesteld [X] te bespreken in de Commissie van Arrangementen. Verzoekers hebben geweigerd daaraan medewerking te verlenen.

Vervolgens heeft de school geconcludeerd dat er onvoldoende middelen zijn om in de onderwijsbehoefte van [X] te voorzien.

Hierna is het bestreden besluit genomen.

6.4

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het voorgaande genoegzaam dat het schoolbestuur de relevante feiten en belangen zorgvuldig heeft geïnventariseerd en genoegzaam heeft onderbouwd waarom [X] niet langer op de school is te handhaven. De voorzieningenrechter is – uitgaande van de beleids- en beoordelingsvrijheid die verweerder toekomt – voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat uit het voorgaande genoegzaam is gebleken dat het schoolbestuur zich heeft ingespannen om voor [X] een goede leerplek te bieden, met inachtneming van zijn specifieke onderwijsbehoefte. Zoals de directeur van De Stiepel ter zitting nadrukkelijk heeft gesteld, is de school daar – spijtig genoeg – niet in geslaagd en zijn de mogelijkheden van de school om de situatie te verbeteren uitgeput. Volgens de directeur van De Stiepel is gebleken, in het bijzonder uit het psychodiagnostisch onderzoek van september 2015, dat de begeleiding van [X] verder dient te worden geïntensiveerd, terwijl verdere intensivering niet tot de mogelijkheden van de school behoort. Gelet op de inspanningen van de school die uit het dossier zijn gebleken, acht de voorzieningenrechter dit standpunt voldoende onderbouwd en ook redelijk. Daarbij heeft de school mogen betrekken de zorg voor de andere leerlingen, waarvoor de school mede zorg dient te dragen.

Dat verzoekers een andere mening hebben over de feitelijke gang van zaken, de doeltreffendheid van de inspanningen van de school en de mogelijkheden om tot een (nieuw) handelingsplan te komen, heeft de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers daarmee onvoldoende kunnen weerleggen dat er reeds lange tijd bijzondere aandacht is geweest voor [X] , dat er grote zorgen waren over zijn gedrag en ook dat dit tot onveilige situaties in de groep heeft geleid, althans kon leiden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat in het verweerschrift en ter zitting nader is toegelicht dat de onveilige situaties waarop wordt gedoeld niet uitsluitend zien op fysieke onveiligheid, maar vooral op sociale onveiligheid, in die zin dat zodra de leerkracht in de groep of op het schoolplein onvoldoende aandacht heeft voor of toezicht op [X] , [X] op externe prikkels reageert of daar zelf het initiatief in neemt en opstaat, door de klas loopt, opmerkingen maakt, gesprekken aangaat, leerlingen uitscheldt of zich agressief gedraagt. Daarbij is ook van belang dat sommige medeleerlingen van [X] in dat opzicht kwetsbaar zijn vanwege een autistische- of angststoornis. Dat verzoekers niet tevreden zijn over inspanningen van de school en gewezen hebben op vermeende fouten, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot toewijzing van het verzoek te komen. Daarbij acht de voorzieningenrechter nog van belang dat de bevindingen van de school worden ondersteund door de rapporten van diverse, externe deskundigen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat het bezwaar een gerede kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

6.5

Ten aanzien van het standpunt dat niet gebleken is dat de leerkracht van [X] bij de besluitvorming is betrokken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de leerkracht blijkens de stukken aanwezig was bij het gesprek van 29 oktober 2015. De voorzieningenrechter acht daarmee voldoende onderbouwd dat de leerkracht betrokken was bij de besluitvorming, zodat in zoverre geen sprake is van strijdigheid met artikel 40 lid 11 van de WPO.

6.6

Voor wat betreft de plicht voor het bevoegd gezag om ervoor zorg te dragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten, geldt dat verweerder verzoekers bij brief van 3 november 2015 heeft meegedeeld dat per direct een passende onderwijsplek voor [X] is gevonden op “De Stapsteen” te Hengelo. Dat naar verzoekers stellen “De Stapsteen” aanvankelijk niet op de hoogte was van [X] ’s komst en om een tlv-beschikking vroeg, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot strijdigheid met artikel 40 lid 11 van de WPO te concluderen, nu verweerder met verwijzing naar deelregioplan Plein Midden Twente SWV23-02 genoegzaam heeft onderbouwd dat er binnen het samenwerkingsverband van speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs geen kind thuis komt te zitten en dat er, indien noodzakelijk, opvang geboden wordt zonder dat er sprake is van een afgegeven tlv. Voor zover al sprake zou zijn van strijdigheid met artikel 40 lid 11 van de WPO, is zulks bovendien herstelbaar, nu ter zitting is gebleken dat een tlv-beschikking is genomen en [X] sinds 6 januari 2016 onderwijs op “De Stapsteen” volgt.

6.7

Ten aanzien van verzoekers grief dat speciaal onderwijs niet passend is voor [X] , stelt de voorzieningenrechter vast dat deze grief ziet op het besluit tot verlening van een tlv voor het speciaal onderwijs, welk besluit geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende geschil.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.