Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:568

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
ak_15 _ 1604
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WWB-uitkering; ondanks buitengewoon laag waterverbruik heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet woonachtig was op het door hem aan verweerder opgegeven adres; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1604

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Enschede, eiser,

gemachtigde: mr. J.W.M. Melief,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder,

gemachtigde: B.A.J. Timmer.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2014 (primair besluit I) heeft verweerder de WWB-uitkering van eiser beëindigd per 1 november 2014.

Bij besluit van 12 november 2014 (primair besluit II) heeft verweerder de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van eiser ingetrokken per 1 januari 2011.

Bij besluit van 22 december 2014 (primair besluit III) heeft verweerder de uitkering over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2014 verstrekte bijstand alsmede de over de jaren 2012 en 2013 verleende langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 52.268,48 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 24 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit I niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen besluiten II en III ongegrond.

Eiser heeft heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is de behandeling geschorst om verweerder in staat te stellen te reageren op de overgelegde medische stukken.

Op 16 november 2015 heeft verweerder zijn reactie op de gegevens aan de rechtbank doen toekomen. Namens eiser is hierop gereageerd op 24 november 2015.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. De WWB is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd en heet sindsdien de Participatiewet. Met het oog op het overgangsrecht in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet wordt op dit beroep beslist met toepassing van de WWB, zoals die luidde vóór 1 januari 2015.

1.1.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiser heeft een bijstandsuitkering ontvangen. Ten tijde van belang stond hij in de Basisregistratie personen ingeschreven aan de [adres] te Enschede. Nadat verweerder door een melding van de woningbouwvereniging kennis had genomen van een politie-inval op het adres van eiser op 19 februari 2014, heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de door eiser ontvangen uitkering. In dat kader heeft een gesprek met eiser plaatsgevonden op 3 juli 2014 en zijn de gegevens over het water-en energieverbruik in de woning van eiser opgevraagd. Vervolgens is verweerder gekomen tot de besluitvorming zoals hierboven beschreven.

2.1.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser vanaf 2011 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres, en dat hij, door daarvan aan verweerder geen mededeling te doen, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat niet is vast te stellen waar eiser zijn hoofdverblijf heeft gehad is het recht niet vast te stellen. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op verbruik van energie en water in de woning dat zich volgens verweerder niet verhoudt met bewoning. Dit zou ook blijken uit de gegevens van de politie, waarin gesproken zou worden van een drankhol waarvan nagenoeg zou zijn uitgesloten dat er iemand zou wonen. Eiser heeft volgens verweerder in zijn verklaring ook bevestigd niet op het uitkeringsadres te wonen.

2.2.

Namens eiser is naar voren gebracht dat eiser al jaren kampt met zware medische problematiek. Als gevolg van zijn psychische gesteldheid, onder meer bestaande uit verslavingsproblematiek en angststoornissen, zou eiser zijn huis regelmatig ontvluchten. Douchen deed eiser bij zijn moeder en bij zijn broer, en zijn schoonzus deed voor hem de was, wat het lage waterverbruik zou verklaren. Dat eiser niet op het door hem opgegeven adres zou slapen heeft eiser niet gezegd, aldus gemachtigde. Als eiser al zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, kan hem dat op grond van zijn psychische gesteldheid en zijn kennelijke analfabetisme niet worden aangerekend. Namens eiser is medische informatie overgelegd die zijn stellingen zouden ondersteunen. Eiser heeft er tevens op gewezen, dat verweerder eiser na onderzoek in 2012 heeft vrijgesteld van de sollicitatieplicht maar vervolgens verzuimde nader arbeids-medisch onderzoek te doen.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht is overgegaan tot herziening van de aanspraak op bijstand over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2014 alsmede tot terugvordering van de over die periode uitbetaalde bijstand.

3.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiser belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust. Verweerder dient daarom aannemelijk te maken dat eiser gedurende de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Verweerder heeft zich gebaseerd op het lage verbruik op het woonadres van eiser, en voorts op de verklaring van eiser zelf.

3.3.

Met verweerder stelt de rechtbank vast dat het verbruik op het woonadres van eiser buitengewoon laag is. Een dergelijk verbruik rechtvaardigt echter op zichzelf niet de conclusie dat de woning in de periode van belang niet werd bewoond. Dit moet ook blijken uit de overige feiten en omstandigheden.

3.4.

Namens eiser is terecht aangevoerd dat de verklaring van 3 juli 2014 geen onderbouwing kan vormen voor het bestreden besluit. Eiser heeft volgens de weergave van het gesprek verklaard niet dag en nacht aanwezig te zijn in de woning aan de [adres] , maar er wel te komen. Sinds de politie-inval (in februari 2014) is er drie of vier keer ingebroken en eiser voelt zich in zijn eigen woning niet veilig. Hij slaapt volgens de verklaring ‘overal en ergens’. Hij doucht zich meestal bij zijn moeder die zijn post af en toe ophaalt. Op de opmerking ‘er wel te komen’ is niet doorgevraagd en evenmin is gevraagd waar en hoe vaak eiser dan elders zou slapen. In de verklaring staat voorts dat eiser, nadat hem is gevraagd naar het verbruik vanaf het jaar 2011, verklaard heeft zich eigenlijk al sinds 2011 niet meer veilig te voelen en ‘overal en ergens’ te verblijven. Op de vraag wat eiser met verblijven bedoelt en of dat ook betekent dat hij elders heeft overnacht, is eiser niet verder bevraagd. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat het, zoals eiser later in de brief van 13 november 2014 heeft aangegeven, slechts een enkele keer is voorgekomen dat eiser niet thuis maar bij zijn moeder overnachtte. Al met al is de verklaring van 3 juli 2014 onvoldoende specifiek en concreet om uit te kunnen concluderen dat eiser in de gehele periode in geding geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

3.5.

Ook de bevindingen bij het huisbezoek op 7 juli 2014 bieden geen toereikende basis voor de conclusie dat eiser niet woonde op het uitkeringsadres. Weliswaar werd geen vers eten aangetroffen in de koelkast, maar in het licht van de verslavingsproblematiek van eiser, die volgens zijn gemachtigde eerst in januari 2015 onder controle was, hecht de rechtbank daaraan geen beslissende betekenis. Dat in het huis niet kon worden geslapen acht de rechtbank evenmin aangetoond. Verweerder trof blijkens de rapportage immers meubelstukken, een tafel met stoelen, een bank en een salontafel aan. Verweerder is bij die gelegenheid niet op de bovenetage geweest, waar bij een later bezoek in november 2014 een bed is aangetroffen. Voor zover verweerder de conclusie dat het huis van eiser niet bewoond werd uit de weergave van het politie-onderzoek heeft willen trekken, stelt de rechtbank vast dat de kwalificatie ‘drankhol’ niet uitsluit dat eiser daar in zijn (toenmalige) conditie niettemin woonachtig was. Aanvullend buurtonderzoek is niet verricht noch zijn observaties gedaan, zodat ook niet op die wijze het vermoeden is bevestigd dat eiser niet woonde op het door hem opgegeven adres.

3.6.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de rechtbank in de onderzoeksresultaten geen bevestiging van het vermoeden dat eiser in de periode in geding niet gewoond heeft op het door hem opgegeven adres. Ook overigens is daarvan niet gebleken. De rechtbank merkt in dat kader het volgende op. De ernstige problematiek van eiser en de rol van zijn moeder waren verweerder al sinds 2012 bekend, toen na een gesprek met de moeder van eiser op 3 augustus 2012 besloten is eiser niet te sanctioneren voor een geconstateerd werkverzuim en hem vrij te stellen van de sollicitatieplicht. In dat gesprek, dat verweerder als ‘uitgebreid’ kenschetste, gaf de moeder van eiser aan dat eiser angsten kende, een zorgenkindje was en zij en zijn broer voor hem de zorg droegen. Als er iets gebeurde kon eiser dagen in bed gaan liggen en moest zij hem er weer uit zien te krijgen. In de situatie zoals die op dat moment door de moeder werd beschreven en haar hulp daarin, zag verweerder kennelijk geen aanwijzingen voor twijfel aan de woonsituatie van eiser. Dat de situatie significant anders was dan op dat moment door de moeder van eiser aan verweerder beschreven, is niet aannemelijk. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat eiser in voorkomende gevallen bij zijn moeder overnachtte, zonder zijn hoofdverblijf te hebben verplaatst en dat dit verweerder duidelijk was. Dit beeld van de situatie is overigens bevestigd in het rapport van verweerder van 15 januari 2015, opgesteld na een nieuwe aanvraag van eiser. Hierin heeft verweerder genoteerd dat eiser op dat moment verklaarde al 15 jaar aan de [adres] te wonen, daar nu elke nacht te slapen en niet meer (tevens) bij zijn moeder. Bij zijn moeder zou eiser naar zijn zeggen niet willen wonen, omdat hij daar gek zou worden.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser gedurende de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het door hem aan verweerder opgegeven adres. Van schending van de inlichtingenplicht is dan ook geen sprake geweest.

4. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering en kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is het besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en berust het niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. Aan het primaire besluiten van 12 november 2014, waarbij de uitkering per 1 januari 2011 is ingetrokken en het besluit van 22 december 2014, waarbij de uitkering is teruggevorderd, kleven dezelfde gebreken. De rechtbank acht het, mede gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk dat het gebrek door middel van een deugdelijk onderzoek nog kan worden hersteld en ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb deze besluiten te herroepen. Dit betekent dat het recht op uitkering van eiser niet wordt herzien vanaf 1 januari 2011 maar (na de datum 31 oktober 2014) ongewijzigd dient te worden voortgezet. Als gevolg hiervan is van een terug te vorderen bedrag geen sprake.

5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiser. Deze worden begroot op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 496,-.).

6. Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten van 12 november 2014 en 22 december 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.