Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5529

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
08/730751-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat een toen minderjarige jongen schuldig is aan het dealen in soft- en harddrugs. Omdat hij in een apart vonnis van 8 december 2016 als minderjarige is veroordeeld voor soortgelijke feiten in 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het geen toegevoegde waarde om aan verdachte ook nog een straf of maatregel op te leggen voor de door hem als meerderjarige verdachte gepleegde feiten. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2016:5528.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/730751-15

Datum vonnis: 8 december 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1997] in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende bij de Catamaran, kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie en Orthopsychiatrie te Eindhoven.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 3 maart 2016, 1 september 2016 en 24 november 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 te Rijssen-Holten samen met anderen meerdere malen heeft gedeald in harddrugs, te weten amfetamine, mephedrone, LSD en MDMA;

feit 2: in de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 te Rijssen-Holten samen met anderen heeft gedeald in hennep.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van

een materiaal bevattende amfetamine en/of mephedrone (4-methylmethcathinone)

en/of LSD en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of mephedrone en/of LSD en/of MDMA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een (of meer) tijdsitp(pen) in of omstreeks de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een (of meer) hoeveelheden hennep, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide gelijktijdig behandelde zaken tezamen voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen waarvan 175 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Eenheid Oost Nederland, district Twente, met nummer PL0600-2015563235. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• het op pagina 36 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] ;

• het op pagina 45 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] ;

• het op pagina 69 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] ;

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2016.

Feit 2

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• het op pagina 69 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] ;

• het op pagina 75 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4] ;

• het op pagina 80 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 5] ;

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2016.

Verdachte heeft in voornoemde periode telkens opzettelijk meermalen kleine hoeveelheden verkocht en afgeleverd. Het verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden hennep van minder dan 30 gram is strafbaar op grond van artikel 3, onder B van de Opiumwet. De strafbepaling is opgenomen in artikel 11 Opiumwet. Het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B, levert, indien het feit betrekking heeft op hoeveelheden van minder dan

30 gram, een overtreding op, waarop de strafbepaling van lid 1 van genoemd artikel van toepassing is. Dit neemt de strafwaardigheid van dit handelen uiteraard niet weg. De verkoop aan met name minderjarigen is een kwalijke zaak. Op grond van de bewijsmiddelen heeft verdachte zich met een ander meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 3, onder B van de Opiumwet.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op in of omstreeks de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en mephedrone (4-methylmethcathinone) en LSD en MDMA, zijnde amfetamine en mephedrone en LSD en MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode van 23 oktober 2015 tot en met 26 november 2015, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een (of meer) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 2

de overtreding: handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 Het toe te passen recht

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van drs. B. Meijer, GZ-psycholoog. Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte risico’s van zijn eigen handelen minder kan inschatten en zijn gedrag minder leeftijdsadequaat kan organiseren. De psycholoog adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank neemt dit advies over.

9 De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij afzonderlijk vonnis van heden is veroordeeld voor vergelijkbare feiten begaan in de periode van 1 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015, toen verdachte nog minderjarige was. In voornoemd vonnis is aan (de minderjarige) verdachte een deels voorwaardelijke straf opgelegd met hieraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden om hem ervan te weerhouden in de toekomst wederom de fout in te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het geen toegevoegde waarde om aan verdachte ook nog een straf of maatregel op te leggen voor de door hem als meerderjarige verdachte gepleegde feiten. De rechtbank acht toepassing van artikel 9a Sr in deze situatie daarom voor beide bewezen verklaarde feiten passend.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 77a, 77c en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het als feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte als feit 1 en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 2

de overtreding: handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar voor het als feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. A. Flos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann-Herber, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.