Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5306

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
C/08/191517 / FT RK 16/1167
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling; afwijzing; geen sprake van een toestand waarin is opgehouden te betalen; evenmin sprake van een situatie waarin aannemelijk is dat niet kan worden voortgegaan met betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/191517 / FT RK 16/1167

uitspraakdatum: 13 december 2016

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: [verzoeker] .

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 december 2016, waar [verzoeker] is verschenen.

Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoeker] is een [-] -jarige man. Hij heeft een relatie, maar woont niet samen.

[verzoeker] heeft volgens de Verklaring Schuldsanering een totale schuldenlast van € 27.506,57. Deze bestaat uit een schuld van € 3.283,- aan de Belastingdienst, een schuld van € 363,85 aan Zilveren Kruis Achmea, een schuld van in totaal € 211,35 aan Trans Link Systems BV en een schuld van € 23.648,37 aan [A] , zijnde de toenmalige partner van [verzoeker] .

Volgens het overzicht van het CJIB van 27 oktober 2016 bedraagt de schuld aan het CJIB

€ 33,-, betreffende een aan [verzoeker] op 4 oktober 2016 opgelegde WAHV-boete.

[verzoeker] verricht betaalde arbeid als […] . Hij werkt op basis van een 0-urencontract. Hij heeft weken van 60 tot 70 uur werken. Het loon van [verzoeker] bedraagt tussen de € 1.300,- en € 1.700,- per maand.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van [verzoeker]

heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan Trans Link Systems BV is afgelost. Wat betreft de schuld aan Zilveren Kruis Achmea heeft [verzoeker] verklaard dat nog een bedrag van € 32,67 resteert. Desgevraagd heeft [verzoeker] verklaard dat hij de schuld aan de Belastingdienst onbetaald laat.

[verzoeker] heeft ter zitting over de schuld aan [A] verklaard dat hij in het verleden diverse schulden heeft gehad. Volgens [verzoeker] speelde dit in 2009, 2010 en 2011. Begin 2011 heeft [A] de schulden voor [verzoeker] afgelost door middel van een persoonlijke lening. Deze lening is notarieel vastgelegd in een akte van lening. Volgens [verzoeker] maakt hij ter aflossing van deze lening deze maand (december 2016) nog een bedrag van € 150,- over aan [A] .

De overwegingen van de rechtbank

Ingevolge artikel 284, eerste lid, Faillissementswet (Fw) kan de schuldenaar verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met de betaling van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Artikel 288, eerste lid, sub a, Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

De rechtbank overweegt dat uit de eigen verklaring van [verzoeker] volgt dat geen sprake is van een toestand waarin hij heeft opgehouden te betalen. Uit de verklaring van [verzoeker] volgt immers dat hij een aantal wat kleinere schulden (nagenoeg) heeft afgelost, dat hij maandelijks aan [A] een kennelijk door hem geaccepteerd bedrag van € 150,- aflost en ook zijn overige (vaste) lasten voldoet. [verzoeker] heeft in dit verband ter zitting verklaard dat er geen andere schulden zijn bijgekomen.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. De rechtbank overweegt dat [verzoeker] een baan heeft, waarmee hij € 1.300,- tot € 1.700,- per maand verdient, en dat door hem geen feiten of omstandigheden zijn gesteld dat binnen afzienbare tijd relevante wijzigingen zullen optreden in zijn inkomsten of uitgaven waardoor het voor hem alsnog onmogelijk zal zijn de schuld aan [A] en/of zijn overige (vaste) lasten te betalen. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat uit het verzoekschrift volgt dat [verzoeker] volgens de Stadsbank Oost Nederland beschikt over een maandelijkse afloscapaciteit van € 431,88, hetgeen ruim voldoende moet worden geacht om de met [A] kennelijk getroffen betalingsregeling van € 150,- per maand na te komen, een betalingsregeling met de Belastingdienst te treffen en de schuld aan het CJIB van € 33,- te betalen. Blijkens de behandeling ter zitting is de maandelijkse afloscapaciteit zelfs nog toegenomen. De rechtbank neemt mede in aanmerking dat [A] in zijn afwijzingsbrief van 21 maart 2016 heeft verklaard dat er valt te praten over een andere rentepercentage en een lagere aflossing dan in de akte van lening staat vermeld, maar dan wel met uitgangspunt terugbetaling van de gehele lening. De rechtbank maakt daaruit op dat de mogelijkheid dat [verzoeker] en [A] overeenstemming kunnen bereiken over een zowel voor [verzoeker] als [A] acceptabele afbetalingsregeling nog open ligt. Ook is niet gebleken dat [A] binnen afzienbare tijd de schuld bij [verzoeker] in één keer zal opeisen. De enkele omstandigheid dat de aflossing van de schuld aan [A] vele jaren zal vergen, leidt niet tot het oordeel dat [verzoeker] zich in een uitzichtloze situatie bevindt, zoals bedoeld in artikel 288, eerste lid, sub a, Fw.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzoek op grond van artikel 288, eerste lid, onder a, Fw dient te worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.