Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5298

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
F 617/15
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling, verzoek omzetting faillissement naar wsnp, schulden niet te goeder trouw en niet nakomen verplichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/735

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Faillissementsnummer: F 617/15

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoeker,

verder ook te noemen: [verzoeker] .

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 9 december 2015 op eigen aangifte uitgesproken faillissement, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Op 6 september 2016 en op 20 september 2016 zijn ter griffie brieven met bijlagen van de heer H. Koop, curator, ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 27 september 2016. Ter zitting zijn [verzoeker] en de curator verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoeker] is op 9 december 2015 op eigen aangifte failliet verklaard.

[verzoeker] woont samen met zijn partner mevrouw [A] . Van 1 maart 2012 tot en met 5 november 2015 heeft [verzoeker] een eenmanszaak gedreven onder de naam [B] .

De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens de opgave van de curator totaal € 244.174,37 waaronder de volgende schulden:

- CJIB, een totaal bedrag ad € 8.678,12, ontstaan in de jaren 2013 tot en met 2015,

- Belastingdienst, een totaal bedrag ad € 4.803,00 betreffende de inkomstenbelasting 2013, de omzetbelasting 2013 tot en met 2015, de motorrijtuigenbelasting 2013 tot en met 2015, en

- Gemeente Almelo, € 211.863,60, ontstaan in 2012, betreffende de terugvordering van een onterecht verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1997 t/m 2011.

Het standpunt van de curator
De curator heeft bij brief van 6 september 2016 de schuldenlast van [verzoeker] toegelicht en zijn advies omtrent het wsnp-verzoek kenbaar gemaakt aan de rechtbank. Van de voormalige onderneming van [verzoeker] is geen administratie overgelegd aan de curator. De gemeente Almelo vordert van [verzoeker] een ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering terug. [verzoeker] en zijn partner hebben structureel inkomsten verzwegen terwijl zij een bijstandsuitkering ontvingen. De verstrekte uitkering wordt over de periode 1994 tot en met 2011 teruggevorderd door de gemeente Almelo.

Bij brief van 20 september 2016 heeft de curator gemeld dat hij door middel van de postblokkade bekend werd met het feit dat [verzoeker] is veroordeeld voor heling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zitting heeft de curator verklaard dat hij wist dat [verzoeker] is veroordeeld voor heling wegens de uitkeringsfraude, maar de curator is niet door [verzoeker] geïnformeerd over de overige veroordelingen betreffende heling. De curator adviseert negatief over de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De curator is van mening dat de schuld aan het CJIB aanleiding is om de wettelijke schuldsanering niet toe te passen en daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat het niet bijhouden, althans niet overleggen, van de zakelijke administratie er toe moet leiden dat het verzoek moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van de goede trouw.

De toelichting van [verzoeker] ter zitting

Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat de administratie van zijn onderneming wel is bijgehouden, maar de administratie is verdwenen nadat de vrachtauto waar zowel de papieren als digitale administratie in werden bewaard in beslag werd genomen door de Belastingdienst. Er zijn geen bankafschriften beschikbaar van de onderneming, omdat [verzoeker] altijd contant werd betaald. [verzoeker] heeft verklaard dat hij recent is veroordeeld voor heling wegens uitkeringsfraude. [verzoeker] is daarnaast veroordeeld voor heling door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens het transport van een gestolen vrachtauto. Ook is [verzoeker] veroordeeld wegens heling, omdat hij in Polen is aangehouden bij het vervoeren van een verduisterde trekker. [verzoeker] heeft de curator niet ingelicht over de overige twee veroordelingen betreffende heling, omdat de curator hier niet om heeft gevraagd. [verzoeker] heeft de verzekering van zijn voertuigen altijd betaald, maar hij heeft de Belastingdienst nooit betaald. [verzoeker] heeft de Belastingdienst bewust niet betaald, omdat hij van een medewerker van de Belastingdienst had gehoord dat de maximale boete bij het niet betalen van motorrijtuigenbelasting slechts € 20,00 was.

De overwegingen van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

De schuld aan het CJIB voor het totaalbedrag van € 8.678,12 is ontstaan in de jaren 2013 tot en met 2015 en betreft voornamelijk aan [verzoeker] opgelegde boetes wegens het feit dat er geen keuringsbewijs voor een voertuig is afgegeven of het verlopen van een keuringsbewijs. Deze boetes dienen naar hun aard te worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan. Reeds hierom komt het verzoek van [verzoeker] niet voor toewijzing in aanmerking.

De schuld aan de Belastingdienst betreffende de motorrijtuigenbelasting 2013 tot en met 2015 ad € 2.312,00 is ontstaan doordat [verzoeker] een periode de motorrijtuigenbelasting niet heeft betaald. [verzoeker] heeft de motorrijtuigenbelasting bewust nooit betaald, omdat hij wist dat de maximale boete bij het niet betalen slechts € 20,00 was. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst betreffende de motorrijtuigenbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015.

Bij brief van 13 februari 2012 werd door de gemeente Almelo over de periode 1994 tot en met 2011 de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering teruggevorderd van de partner van [verzoeker] . [verzoeker] en zijn partner zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld ad € 211.863,60. Uit de brief van de Gemeente Almelo blijkt dat de partner van [verzoeker] een bijstandsuitkering ontving in de periode dat [verzoeker] zijn onderneming dreef. Deze bijstandsuitkering wordt teruggevorderd, omdat [verzoeker] en zijn partner hun gezamenlijke huishouding hebben verzwegen. Daarnaast hebben zij de inkomsten van [verzoeker] verzwegen en kon er geen administratie van de onderneming van [verzoeker] worden overgelegd, waardoor het recht op bijstand voor de partner van [verzoeker] niet kon worden vastgesteld. [verzoeker] is wegens deze uitkeringsfraude ook strafrechtelijk veroordeeld.

Als ondernemer was [verzoeker] verplicht op grond van artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek tot het voeren van boekhouding. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aan zijn boekhoudplicht heeft voldaan. De gemeente Almelo vordert de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering onder andere terug, omdat [verzoeker] niet aan zijn boekhoudplicht heeft voldaan. Het kan [verzoeker] dan ook verweten worden dat hij geen boekhouding heeft gevoerd en hierdoor een grote schuld bij de gemeente Almelo heeft laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovenstaande [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van deze schuld aan de gemeente Almelo.

Voorts overweegt de rechtbank dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. De rechtbank doelt hierbij op de (actieve) informatieplicht en baseert dit oordeel op het feit dat [verzoeker] de curator niet heeft geïnformeerd over de veroordelingen. [verzoeker] heeft de curator hier naar eigen zeggen niet over ingelicht, omdat de curator er niet om heeft gevraagd. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [verzoeker] op dit moment in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen.

Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en onder c Faillissementswet (Fw.).

De beslissing

de rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. J.M. Marsman, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.