Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5294

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
188772 FT RK 16/861
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Schuldsanering. Verzoek toelating. Verwijtbare schulden (aanzienlijke alimentatieschuld) en twijfel aan saneringsgezindheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 188772 FT RK 16/861

datum uitspraak: 8 november 2016

Vonnis van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [1965] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het procesverloop

Verzoeker heeft op 7 juli 2016 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met bijlagen ingediend.

Op 19 september 2016 heeft verzoeker een specificatie van de schuld aan het LBIO overgelegd.

Op 27 september 2016 is een brief ontvangen van mevrouw [A] , maatschappelijk werk.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 25 oktober 2016, waar verzoeker is verschenen.

Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank acht geslagen op:

  • -

    het door verzoeker overgelegde verzoekschrift met bijlagen en nader ingezonden specificatie van de schuld aan het LBIO;

  • -

    de brief van mevrouw [A] ;

  • -

    een uittreksel uit de Justitiële Documentatie.

De beoordeling

De feiten:

  1. Verzoeker is gescheiden. Verzoeker heeft daarna een relatie gehad, waaruit een dochter (thans zeven jaar oud) is geboren die thans door verzoeker wordt verzorgd. De partner van verzoeker is enige jaren geleden overleden.

  2. Verzoeker heeft blijkens het verzoekschrift een schuldenlast van € 135.984,23, waaronder schulden aan de belastingdienst van € 11.020,00, aan [gemeente] van

€ 22.225,08, aan het LBIO van € 15.216,79.

3. De schuld aan [gemeente] betreft steunfraude en is in 2010 ontstaan en aan het licht gekomen. Strafrechtelijke vervolging is voorkomen doordat verzoeker voor zijn aandeel in die steunfraude in 2012 bij wijze van transactie 70 uur onbetaalde arbeid heeft verricht.

Het standpunt van verzoeker:

Volgens verzoeker is het waarschijnlijk dat de schuld aan Zilveren Kruis van ruim

€ 16.000,00 abusievelijk twee keer in het verzoekschrift is opgenomen.

Verzoeker heeft verklaard dat de schuld aan [gemeente] is ontstaan doordat zijn toenmalige partner, die een bijstandsuitkering genoot, ondanks zijn aandringen niet aan de gemeente heeft doorgegeven dat verzoeker loon ontving.

Verzoeker werkt niet en solliciteert niet omdat hij er wil zijn voor zijn dochter. Als het moet wil verzoeker wel werken, maar hij heeft een plicht tegenover zijn dochter om thuis te zijn.

De motivering van de beslissing:

1. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder b Fw, omdat niet aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het doen ontstaan van (een aantal) schulden niet te goeder trouw is geweest.

2. Een zeer groot deel van de schuldenlast van verzoeker is als verwijtbaar te bestempelen omdat deze zijn ontstaan doordat is gefraudeerd met bijstand en omdat alimentatie niet is betaald.

3. Een aantal van die verwijtbare schulden is langer dan vijf jaar geleden ontstaan (te weten de schuld aan [gemeente] wegens steunfraude en de schulden aan de belastingdienst wegens IB 2009 en 2010) en kunnen bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing blijven.

4. Een aanzienlijk deel van de verwijtbare schuldenlast is echter van recentere datum. De rechtbank wijst in dit verband op de alimentatieschuld van (volgens opgave van het LBIO)

€ 14.516,00. De rechtbank merkt nog op dat die schuld niet is ontstaan in 2010, zoals in het verzoekschrift vermeld. Uit de door de rechtbank opgevraagde en door verzoeker overgelegde stukken blijkt immers dat die schuld tot in juli 2015, toen de alimentatie op verzoek van verzoeker op nihil is gesteld, is opgelopen.

5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder c Fw.

De rechtbank acht het namelijk niet aannemelijk dat verzoeker de verplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat verzoeker op dit moment niet werkt en ook niet naar werk zoekt. De reden die verzoeker daarvoor opgeeft is dat hij zijn thans zevenjarige dochter wil verzorgen. Verzoeker heeft ter zitting nog wel verklaard dat hij wil gaan werken, maar hij heeft daar zoveel voorwaarden aan verbonden en moeilijkheden voor opgeworpen dat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat verzoeker zich tijdens een schuldsaneringsregeling naar behoren zal inspannen om betaald werk te vinden.

6. Nu het onderhavige verzoek mede wordt afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder c Fw. is er voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw, zo daar een beroep op zou zijn gedaan, geen plaats.

De beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. Koopmans, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 8 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wanneer de schuldenaar tevens een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord heeft ingediend, wordt dit verzoek eveneens aan het Gerechtshof voorgelegd (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).