Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5282

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
C/08/151947 / HA ZA 14-81
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:5281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boedelverdeling. Tot boedel behoorde onder meer een agrarisch bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/151947 / HA ZA 14-81

Vonnis van 19 oktober 2016

in de zaak van

[X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. de Ruiter te Kampen,

tegen

[Y] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.A. van der Kleij te Zwolle.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 maart 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

Met betrekking tot de diverse vorderingen van de man wordt als volgt overwogen en beslist:

Ten aanzien van het vorderde onder 1 sub A ad € 21.256,50 (aandeel in de banksaldi)

2.2.

Partijen zijn het er in beginsel over eens dat dit bedrag aan de man toekwam. De vrouw beroept zich evenwel op verrekening met twee tegenvorderingen: de rentevergoeding over de gesaldeerde bedragen ingevolge de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.9 van het vonnis d.d. 20 april 2011 en de gecedeerde (restant)vordering van [A] .

2.3.

Bedoelde rentevergoeding bedraagt volgens de vrouw € 475,99, zijnde de wettelijke rente over € 18.367,00 over de periode 4 mei 2011 tot 10 januari 2012. De rechtbank volgt de vrouw daarin niet, onder verwijzing naar hetgeen het hof Arnhem-Leeuwarden daaromtrent in zijn arrest van 20 augustus 2013 overwoog in rechtsoverweging 6.21, welke redenering de rechtbank tot de hare maakt (productie 3 aan de zijde van de man). Gelet op het hierna in rechtsoverweging 2.4 overwogene, mist deze vaststelling voor het uiteindelijke beloop van de verrekening overigens relevantie.

2.4.

De onderhavige (restant)vordering bedraagt blijkens de betreffende akte van cessie (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie)

€ 22.645,00. De vrouw verwijst in dit kader naar rechtsoverweging 4.6 van het vonnis van 20 april 2011, waarin de man is veroordeeld tot betaling uit zijn helft van de liquide middelen van de (restant)schuld ad in totaal € 44.836,00 aan tien met name genoemde derden, waaronder [A] . De rechtbank gaat ervan uit dat deze € 22.645,00 is begrepen in gemelde € 44.836,00 en verwerpt de overige tegen de cessie en de verrekening door de man opgeworpen bezwaren. De ingeroepen verjaring is onvoldoende onderbouwd en de kwalificatie van ‘spookfactuur’ miskent in ieder geval de aard van de onderhavige vordering van [A] , ter zake waarvan de rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3.9 van het vonnis van 20 april 2011, namelijk dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de financiële gevolgen, veroorzaakt door de afwezigheid in het bedrijf vanwege zijn detentie, niet volledig voor rekening van de man zouden worden gebracht.

2.5.

De verrekening met de € 22.645,00 leidt ertoe dat de onderhavige vordering tot haar gehele beloop teniet is gegaan en bij gevolg thans voor afwijzing gereed ligt.

Ten aanzien van het gevorderde onder 1 sub B ad € 15.000,00 (wegens door de vrouw in de periode van 1 maart 2007 tot aan 20 april 2011 aan de banksaldi ‘onttrokken’ bedragen)

2.6.

Deze vordering strandt reeds op het gegeven dat in meergemeld vonnis van 20 april 2011 de verdeling bij helfte van de ‘huidige’ banksaldi is vastgesteld, derhalve per datum vonnis. De verwijzing door de man naar de stakingsbalans en diens beroep op het per 1 maart 2007 cumulatieve hogere banksaldo kan deze vordering – mede gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw dienaangaande – hoe dan ook niet dragen, te minder aangezien ook hier heeft te gelden hetgeen in rechtsoverweging 2.4 in fine is bepaald. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het niet ter zake dienende, en in het licht van vaste jurisprudentie (onder meer HR 9 maart 2012, NJ 2012/174) bovendien tardieve, aanbod om de betreffende bankafschriften in het geding te brengen.

Ten aanzien van het gevorderde onder 2 (inzake de varkensrechten, inventarisgoederen, veestapel, bedrijfsvoorraad en debiteurenportefeuille)

2.7.

Ook deze vordering ligt voor afwijzing gereed, waartoe als volgt wordt overwogen. Zoals de man terecht stelt, zijn in het vonnis van 20 april 2011 deze varkensrechten, inventarisgoederen, veestapel, bedrijfsvoorraad en debiteurenportefeuille aan hem toegedeeld, doch hij miskent dat dit ‘om niet’ is geschied en de daaraan in dat vonnis ten grondslag gelegde motivering, te weten (rechtsoverweging 3.16): “Nu Vaandering het bestaan van genoemde vermogensbestanddelen betwist en deze in haar visie niet langer verdeeld en gewaardeerd kunnen worden, zal de rechtbank deze alle, voor zover nog te verdelen, zonder vergoeding (onderstreping van rb) toedelen aan [X] .” Dat de vrouw het tot de huwelijksgemeenschap behorende bedrijf per 1 maart 2007 heeft geliquideerd, staat niet ter discussie. Bij gevolg is het overdragen, c.q. ter beschikking stellen van de litigieuze goederen en rechten aan de man niet aan de orde. Verder dient het ervoor te worden gehouden dat de rechtbank (die destijds op de hoogte was van het taxatierapport van makelaarskantoor Luchtenbelt en de liquidatiebalans, waarnaar de man in deze procedure wederom verwijst) met de hiervoor geciteerde zin in dat vonnis klaarblijkelijk - en niet onbegrijpelijk, indachtig de specifieke omstandigheden van het geval, waaraan ook in rechtsoverweging 3.9 van datzelfde vonnis wordt gerefereerd - tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij het standpunt van de vrouw in dezen volgt en dat aan deze vermogensbestanddelen in het kader van de boedelscheiding geen waarde dient te worden toegekend. Daarop stuit derhalve af dat aan de man alsnog vervangende schadevergoeding toekomt.

Ten aanzien van het gevorderde onder 3 ad € 80.451,00 (inzake de schulden aan [B] )

2.8.

Door de vader van de man – [B] – zijn destijds aan partijen diverse bedragen geleend. In rechtsoverweging 4.8 van het vonnis van 20 april 2011 is bepaald dat partijen tezamen, ieder bij helfte, bedoelde schulden moeten aflossen/voldoen. De ouders van de man zijn overleden op respectievelijk [2011] en [2011] ; de man is samen met zijn broer en zijn zus voor 1/3 deelgerechtigd in hun nalatenschappen. Ter gelegenheid van de comparitie van 30 mei 2016 is als productie 7 door de man in het geding gebracht de betreffende akte van verdeling van deze nalatenschappen d.d. 25 februari 2016. Aan de man is blijkens deze akte onder meer toegedeeld “een vordering op zichzelf zoals aangegeven op de bijlage, welke vordering bij dezen door vermenging teniet gaat.”

2.9.

De man vordert € 80.451,00 uit hoofde van rechtsoverweging 4.8 van het vonnis van 20 april 2011, vermeerderd met een rentevergoeding van 4% per jaar over (de helft van € 127.165,00, zijnde de hoogte van deze schulden per datum liquidatiebalans van 1 maart 2007) € 63.582,00 vanaf 6 februari 2013. De rechtbank neemt tot uitgangspunt gemelde akte van verdeling en gaat uit van de vrouw regarderende schulden ad in totaal € 126.806,00 (lening 1995 restant € 6.806,00 + lening 2003 melk € 120.000,00). Blijkens de bijlage werd tussen de deelgenoten overeengekomen dat de man “geen rente” betaalt. Van dit bedrag dient de vrouw op grond van het vonnis van 20 april 2011 de helft te voldoen, derhalve:

€ 63.403,00. De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van de vrouw op verjaring - wat daar verder van zij - gelet op de wijze waarop het door de man gedane beroep op verjaring heeft geleid tot het tussen de erven bereikte compromis (onder meer over de nog openstaande rente ad beweerdelijk +/- € 75.000,00), waarmee een einde kwam aan de procedure C/07/206381, rolnummer 13/036. De rechtbank vermag voorts niet in te zien in welk opzicht de verwijzing naar MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 111 ad artikel 6:10 lid 2 BW de vrouw kan baten: de veroordeling in het vonnis van 20 april 2011 met betrekking tot deze schulden aan [B] is onherroepelijk en de haar regarderende schulden zijn als door de man integraal gedelgd te beschouwen. De gevorderde rentevergoeding van 4% (vanaf 6 februari 2013) zal worden afgewezen, gelet op de tussen de erfgenamen van [B] bij akte van verdeling bereikte overeenstemming, terwijl ook voor een veroordeling tot betaling van de wettelijke rente vanaf 25 februari 2016 geen termen aanwezig zijn, nu de vrouw ter zake niet in verzuim is.

in reconventie

2.10.

Voor het geval in conventie enig bedrag aan de man zal worden toegewezen (hetgeen blijkens hiervoor het geval is) heeft de vrouw onder 1 subsidiair gevorderd de teruggave van het origineel van de bankgarantie d.d. 17 april 2009 ten bedrage van

€ 110.000,00 aan de Coöperatieve Rabobank IJsseldelta U.A. alsmede tot het doen, respectievelijk nalaten van al datgene dat nodig is om de bankgarantie van € 110.000,00 te laten beperken tot een lager bedrag dat qua hoogte overeenkomt met de geldsom die in deze procedure in conventie aan de man wordt toegewezen, alles op straffe van een dwangsom.

2.11.

De man heeft zich hiertegen bij conclusie van antwoord in reconventie uitgebreid en gemotiveerd verweerd, waarna de vrouw heeft volstaan met een verwijzing naar haar conclusie van eis in reconventie. Met de man is de rechtbank van oordeel dat voor teruggave van de onderhavige bankgarantie vooralsnog – zolang de vrouw niet aan vorenstaande veroordeling heeft voldaan – geen plaats is, terwijl voor een (met een dwangsom versterkte) ‘verlaging’ daarvan een rechtsgrond ontbreekt, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

2.12.

Bij wege van schadevergoeding vordert de vrouw onder 2 in meerdere modaliteiten de periodiek aan de Rabobank betaalde provisie in verband met de bankgarantie. Een en ander is door de man met kracht van argumenten betwist, waartegenover de vrouw geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd. Al met al ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank ter zake een deugdelijke grondslag. Nu niet valt in te zien op grond waarvan de man voor deze kosten aansprakelijk zou kunnen worden gehouden, ligt het gevorderde voor afwijzing gereed.

in conventie en in reconventie

2.13.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd aangezien partijen voormalige echtelieden zijn.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen € 63.403,00,

3.2.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

3.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

3.4.

wijst de vorderingen af,

in conventie en reconventie

3.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.1

1 type: coll: