Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5277

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
C/08/192814 / KG ZA 16-350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering tot nakoming van hetgeen is verstaan in beschikking van de rechtbank. Artikel 822 Rv. Afwijzing geldvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/192814 / KG ZA 16-350

Vonnis in kort geding van 11 november 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. U. Ugur te Hengelo Ov,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M. Rijs te Enschede.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de eis in reconventie

  • -

    van de zijde van de man in het geding gebrachte producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    het ter zitting van de zijde van de vrouw in het geding gebrachte schema.

1.2.

Het vonnis is heden bij vervroeging uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 19 juli 1996 met elkaar gehuwd.

2.2.

Vooruitlopend op een in te dienen echtscheidingsverzoek heeft de vrouw een verzoekschrift tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.3.

Bij beschikking van 15 april 2016 heeft deze rechtbank onder punt I. van haar beslissing opgenomen:

‘bepaalt dat de vrouw tot 15 september 2016 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] met bevel aan de man die woning tot die datum niet te betreden en bepaalt dat de man vanaf genoemde datum het uitsluitend gebruik van de genoemde woning toekomt, met bevel aan de vrouw de woning vanaf die datum te verlaten en niet meer te betreden. ‘

Onder punt III. van haar beslissing heeft de rechtbank opgenomen:

‘verstaat dat de man de hypothecaire geldlening en de premie levensverzekering vooralsnog zal voldoen en dat de vrouw aan deze lasten zal bijdragen zodra zij een WWB uitkering ontvangt.’

2.4.

Omdat daarna niet binnen vier weken na afgifte van voormelde beschikking een echtscheidingsverzoek is ingediend, is deze beschikking komen te vervallen.

2.5.

Op 15 juni 2016 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorziening ingediend bij deze rechtbank.

2.6.

Op 16 juni 2016 heeft de vrouw wederom een verzoekschrift tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.7.

Het echtscheidingsverzoek is op 17 juni 2016 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister en is thans aanhangig.

2.8.

Bij beschikking van 4 juli 2016 heeft deze rechtbank onder punt III. van haar beslissing opgenomen: ‘verstaat dat de vrouw, gedurende de tijd dat zij in de woning verblijft, de helft van de hypotheekrente zal betalen en dat zij dan ook de helft van de hypotheekrente aftrek zal hebben. De kinderbijslag en het kindgebonden budget komen toe aan de vrouw. Over het betalen van de levensverzekeringspremie hebben partijen geen overeenstemming bereikt. De rechtbank is van oordeel dat vanwege het ontbreken van overeenstemming een zogenaamde “verstaat”beslissing ten aanzien van het betalen van de levensverzekering achterwege dient te blijven nu een dergelijk verzoek niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv’

2.9.

Op 15 september 2016 heeft de vrouw de woning definitief verlaten.

2.10.

Er is een achterstand in de betaling van de hypotheekrente ontstaan die per

17 oktober 2016 € 2.404,93 bedroeg. De achterstand van de premie levensloop hypotheekverzekering is opgelopen tot € 575,50.

2.11.

De hypotheekhouder, jegens wie partijen beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, heeft op 6 oktober 2016 executiemaatregelen aangekondigd indien de achterstand niet zo snel mogelijk zou worden voldaan.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De vrouw vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen:

I. tot nakoming van hetgeen is verstaan in de beschikking van de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 4 juli 2016,

II. derhalve tot voldoening van de inmiddels met ingang van 1 mei 2016 ontstane achterstand in de hypotheekrente en premie levensloop hypotheekverzekering van de echtelijke woning te [plaats] aan de [adres] , tot op heden groot:

- € 2.404,93 voor de hypotheek,

- € 575,50 voor de levensloop hypotheekverzekering,

III. tot het blijven voldoen van de betaling van toekomstige (verval)termijnen ziende op de hypotheekrente en premie levensloop hypotheekverzekering,

IV. tot betaling van een dwangsom van € 500,--, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of deel daarvan dat de man het onder I., II. en III. gevorderde niet nakomt binnen twee dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis,

V. in de kosten rechtens.

3.2.

Aan de vordering legt de vrouw – kort gezegd – ten grondslag dat de man geen gevolg heeft gegeven aan de beschikkingen van 15 april 2016 en 4 juli 2016. De man heeft noch het volgens de vrouw aan haar toekomende en door de man ten onrechte ontvangen kindgebonden budget en kinderbijslag, noch de helft van de hypotheekrenteteruggave aan de vrouw voldaan.

3.3.

De man voert verweer. Hij stelt – kort gezegd – dat de beschikking van

15 april 2016 is komen te vervallen en dat het niet nakomen van de beschikking van

4 juli 2016 hem onder de gegeven omstandigheden niet kan worden toegerekend. Tot

15 september 2016 had de vrouw het uitsluitend recht tot bewoning van de woning en diende zij mee te betalen aan de hypotheekrente, met recht op de helft van de hypotheekrenteaftrek. De man heeft de hypothecaire woonlasten niet kunnen voldoen, enerzijds omdat hij geen aanvullende bijstandsuitkering had en heeft. Anderzijds was hij daartoe niet in staat omdat de vrouw de helft van de hypotheekrente niet heeft meebetaald, zulks in weerwil van de beschikking van 4 juli 2016. Ook heeft de man over de maanden april tot en met juni 2016 de ziektekostenpremie van de vrouw betaald en heeft hij vier maanden de gas-water en elektriciteitsrekening van de woning betaald. De man heeft niet kunnen voorkomen dat er een achterstand in de betaling van de hypothecaire verplichtingen is ontstaan, maar heeft wel een regeling getroffen met hypotheekverstrekker Aegon, zowel wat betreft de hypotheekachterstand als voor de achterstand in premie levensverzekering. Voorts betwist de man dat de kinderbijslag niet aan de vrouw is uitgekeerd. De man ontvangt vanaf het tweede kwartaal van 2016 geen kinderbijslag meer. Het kindgebonden budget heeft de man voor het laatst in augustus 2016 ontvangen, maar hij dient het bedrag dat ten onrechte door hem is ontvangen terug te betalen

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De man vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te veroordelen tot betaling van € 2.254,75 aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 206 tot aan de dag der algehele voldoening,

II. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2.

Hij stelt daartoe hetgeen is verwoord onder 3.3. en stelt in verband daarmee dat de vrouw nog aan de man dient te voldoen de helft van maandelijkse hypotheekrente van

€ 602,08 per maand over de maanden april tot en met medio september 2016, derhalve 50% van 5,5 maanden x € 602,08 = € 1.655,72, Op de vordering van de man op de vrouw dient de helft van de hypotheekrenteaftrek van € 250,-- per maand over de maanden april tot en met medio september 2016, derhalve 50% van 5,5 maanden x € 250,-- = € 687,50 in mindering te worden gebracht. Tevens vordert de man de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de premie levensverzekering ad € 115,10 per maand over de periode april tot medio september 2016, welk bedrag volledig door de man is voldaan, alsmede volledige terugbetaling van de door de man betaalde ziektekostenpremie van de vrouw over de maanden april en mei 2016 van totaal € 230,--, alsmede de volledige gebruikerslasten van de echtelijke woning gedurende de periode april tot en met juli 2016 van € 185,-- per maand, derhalve totaal € 740,--.

Dit betekent dat de man veroordeling van de vrouw vordert tot betaling van

  • -

    hypothecaire verplichtingen € 1.655,72

  • -

    hypotheekrenteaftrek -/- € 687,50

  • -

    premie levensverzekering + € 316,53

  • -

    zorgpremie vrouw bij Menzis + € 230,00

  • -

    gebruikerslasten echtelijke woning + € 740,00

-------------

Totaal € 2.254,75

4.3.

De vrouw voert verweer. Zij stelt – kort gezegd – dat de man ten onrechte het kindgebonden budget en vakantiegeld heeft ontvangen. Daarnaast heeft hij na zijn vertrek uit de woning bij zijn vader verbleven en hoefde hij daar geen huur voor te betalen. De vrouw is dan ook van mening dat de man in staat moet zijn geweest om zijn deel van de hypotheekrente te betalen. De vrouw verwijt de man dat hij de huidige achterstand heeft laten ontstaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Door de man is niet weersproken dat er een achterstand in de betaling van de hypotheektermijnen van enkele maanden is ontstaan en dat de hypotheeknemer dreigt met executiemaatregelen, terwijl vooralsnog niet is gebleken dat de vrouw over voldoende financiële middelen beschikt om de ontstane achterstand in te lopen en de executiedreiging op die wijze af te wentelen.

5.2.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de vrouw belang heeft bij de ingestelde vorderingen. Op grond van artikel 822 Rv kunnen bepaalde limitatief in het artikel opgesomde ordemaatregelen genomen worden voor de duur van het echtscheidingsgeding. Het door de vrouw verzochte met betrekking tot de vaste lasten van de woning behoort echter niet tot de in dit artikel genoemde voorzieningen, hetgeen ook impliciet volgt uit de overwegingen in de beschikking van 4 juli 2016. De voorzieningenrechter heeft in het dictum van deze beschikking slechts verwezen naar de tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende - kort gezegd - dat de vrouw, gedurende de tijd dat zij in de woning verblijft, de helft van de hypotheekrente zal betalen door het gebruik van de formulering “verstaat dat”. Deze verwijzing kan derhalve niet worden aangemerkt als een executeerbare verplichting voor zowel de vrouw als de man.

5.3.

Dit betekent dat de vrouw thans geen andere mogelijkheid heeft dan in kort geding nakoming van de voornoemde afspraak met betrekking tot de vaste lasten te vorderen.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat, hoewel de vrouw ter zitting heeft gesteld dat zij nog andere vorderingen op de man heeft, de vrouw enkel nakoming vordert van hetgeen is verstaan in de beschikking van 4 juli 2016, zoals verwoord in het petitum van de dagvaarding. Dat betekent, gelet op de inhoud van de bewuste “verstaat-beslissing” zoals verwoord onder 2.8. dat haar vordering enkel betrekking kan hebben op de periode van

4 juli 2016 tot en met 15 september 2016, zijnde het tijdstip waarop de vrouw de woning heeft verlaten, omdat de man vanaf dat moment bij uitsluiting gerechtigd was tot het gebruik van de woning. Op grond van deze door partijen gemaakte afspraken zou de vrouw over deze periode de helft van de hypotheekrente betalen en heeft zij recht op de helft van de hypotheekrenteaftrek. Nu de woning partijen ieder voor de helft in eigendom toebehoort, impliceert dit dat de man de andere helft van de hypotheekrente dient te betalen en dat hem de andere helft van de hypotheekrenteaftrek toekomt.

5.5.

Het onder I. gevorderde zal dan ook worden toegewezen. Daaruit vloeit met betrekking tot het sub II. eerste gedachtestreepje gevorderde voort dat de man gehouden is tot betaling van 50% van de hypotheekrente over de periode van 4 juli 2016 tot en met

15 september 2016. Door de man wordt dit ook niet betwist. Voor zover deze vordering betrekking heeft op de periode van 1 mei 2016 tot 4 juli 2016, zal deze worden afgewezen, omdat de beschikking van 4 juli 2016 niet ziet op deze periode. De onder II. tweede gedachtestreepje gevorderde premie levensloop hypotheekverzekering van € 575,50, zal worden afgewezen, omdat in de beschikking van 4 juli 2016 met zoveel woorden is overwogen dat partijen over het betalen van de levensverzekeringspremie geen overeenstemming hebben bereikt. Derhalve heeft de rechtbank een “verstaat” beslissing op dit punt achterwege gelaten, omdat een daarop ziend verzoek niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv. Met de hiervoor bedoelde vordering van € 575,-- wordt derhalve geen nakoming van de beschikking van 4 juli 2016 gevorderd, zodat dit onderdeel van het onder sub II. gevorderde zal worden afgewezen.

5.6.

Het onder sub III. gevorderde zal eveneens worden afgewezen. De man heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij met betrekking tot achterstand bij de betaling van de hypotheekrente een betalingsregeling heeft getroffen met Aegon. Dit is van de zijde van de vrouw niet betwist. Derhalve is niet gebleken dat de man niet voldoet aan zijn verplichtingen.

5.7.

Nu de man ter zitting heeft toegezegd de betalingsachterstand te zullen inlopen en inzichtelijk heeft gemaakt dat hij die achterstand niet in eens kan voldoen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank thans geen reden voor het opleggen van een dwangsom.

5.8.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

6.2.

De voorzieningenrechter constateert dat partijen over en weer een vordering op elkaar pretenderen te hebben. De door partijen ingenomen standpunten dienaangaande worden over en weer betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan zonder nader onderzoek op voorhand niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de bodemrechter de verweren van de vrouw als ongegrond zal verwerpen.

6.3.

Aangezien onbetwist is gesteld dat beide partijen met een toevoeging procederen, mag worden uitgegaan van een krappe financiële situatie. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een restitutierisico aanwezig. Rekening houdend met dit restitutierisico, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldsom in kort geding, zodat het onder I. door de man gevorderde moet worden afgewezen.

6.4.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt de man tot nakoming van hetgeen is verstaan in de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 4 juli 2016 (zaaknummer C/08/1877795),

7.2.

derhalve tot voldoening van 50% van de hypotheekrente over de periode van

4 juli 2016 tot en met 15 september 2016,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

7.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

7.5.

wijst de vorderingen af,

7.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2016.1

1 type: coll: