Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5203

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/08/175158 / HA ZA 15-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit hoofde van wanprestatie advocaat afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/174

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/175158 / HA ZA 15-415

Vonnis van 3 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. D. Coskun LLM. te Arnhem,

tegen

[gedaagde] , H.O.D.N. [X],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.S. graaf van Randwijck te Rotterdam.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 december 2015

  • -

    de conclusie na comparitie aan de zijde van gedaagde

  • -

    de antwoordakte aan de zijde van eiseres

  • -

    de brief d.d. 22 maart 2016 aan de zijde van eiseres

  • -

    de brief d.d. 29 maart 2016 aan de zijde van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseres exploiteert een uitzendbureau. Directeur/enig aandeelhouder van eiseres is de heer [A] , die gehuwd is geweest met mevrouw [B] . Dit huwelijk is in 2009 door echtscheiding geëindigd. Gedaagde heeft eiseres, c.q. [A] bijgestaan in diverse gerechtelijke procedures.

2.2.

Bij vonnis van 24 februari 2011 van de rechtbank Zutphen is eiseres veroordeeld tot betaling van onder meer € 44.509,40 aan [B] wegens achterstallig loon over de maanden juli 2009 - maart 2011. Deze beslissing is bekrachtigd bij arrest van 12 augustus 2014 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Arnhem.

2.3.

Bij schrijven van 23 mei 2011 heeft gedaagde als volgt aan eiseres bericht: Ik ben inmiddels het ontbindingsverzoek aan het afronden, zodra ik dit heb ingediend ontvangt u hier kopie van. Ik houd u op de hoogte van het verdere verloop. U treft hierbij nog een opdrachtbevestiging aan terzake het starten van een ontbindingsprocedure, met het vriendelijke verzoek deze per omgaande getekend retour aan mij te zenden. Eiseres heeft deze opdrachtbevestiging ondertekend en aan gedaagde teruggestuurd.

2.4.

Bij beschikking van 23 december 2014 heeft de kantonrechter rechtbank Gelderland zittingsplaats Zutphen de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en [B] ontbonden met ingang van 1 januari 2015, waarbij de ontbindingsvergoeding is vastgesteld op

€ 5.000,00 bruto.

2.5.

[A] en [B] hebben ter zitting d.d. 3 maart 2015 van de rechtbank Gelderland team kanton en handelsrecht een vaststellingsovereenkomst gesloten inzake voormelde echtscheiding, waarbij de verdeling en de kinderalimentatie alsmede de uitkomst van de in rechtsoverweging 2.2 gemelde uitspraken zijn betrokken. Over dat laatste is onder 1 bepaald: [eiseres] is verschuldigd aan de vrouw een bedrag van

€ 44.509,40 netto, ter zake van achterstallig loon. Eventuele loonbelastingaanslagen over dit bedrag neemt de B.V. voor haar rekening. De vrouw ziet af van de wettelijke verhoging over dit achterstallig loon, alsmede van enige ontbindingsvergoeding. De vrouw verklaart dat zij afstand doet van iedere aanspraak op het meerdere ter zake van de arbeidsverhouding vanwege de omstandigheid dat zij feitelijk geen andere werkzaamheden voor de B.V. heeft verricht.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert samengevat - :

  1. de verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor de door eiseres geleden en nog te lijden schade;

  2. de veroordeling van gedaagde om alle schade van eiseres, die door het onrechtmatig handelen van gedaagde is en zal worden veroorzaakt, te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. de veroordeling van gedaagde in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover en de nakosten als deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis zijn betaald.

3.2.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat vanwege strijd met de goede procesorde voorbij moet worden gegaan aan eerst in gemelde antwoordakte aan de zijde van eiseres geponeerde nieuwe, c.q. afwijkende gronden ter onderbouwing van haar vorderingen. Bedoelde gronden blijven derhalve als tardief aangevoerd buiten beschouwing.

4.2.

Eiseres baseert haar vorderingen blijkens de dagvaarding en het verhandelde ter comparitie op de beweerdelijk door haar geleden schade ten gevolge van aan gedaagde verweten toerekenbaar tekort schieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatige daad. De litigieuze wanprestatie heeft klaarblijkelijk betrekking op het niet daadwerkelijk indienen van het verzoekschrift tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en [B] . De schade van eiseres bestaat volgens eiseres (dagvaarding randnummer 30) onder meer uit het hiervoor meermaals genoemde bedrag van € 44.509,40 wegens achterstallig loon aan [B] . De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat namens eiseres de in rechtsoverweging 2.3 gemelde opdrachtbevestiging in mei 2011 is ondertekend. Volgens gedaagde is deze opdracht in juni 2011 telefonisch ingetrokken, hetgeen eiseres evenwel betwist. Gedaagde verwijt zichzelf dat zij die intrekking niet schriftelijk heeft bevestigd, doch waar in confesso is dat het achterstallige loon is toegewezen tot en met maart 2011 valt hoe dan ook niet in te zien in welk opzicht eiseres door toedoen van gedaagde de gestelde schade heeft geleden - welke schade eiseres opvoert ten bedrage van de € 44.509,40 - zodat het deswege gevorderde reeds om die reden gedoemd is te stranden. Zoals gedaagde terecht betoogt (onder meer in de conclusie van antwoord randnummer 48 en de conclusie na comparitie randnummer 5) is ontbinding van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht immers niet mogelijk. Met andere woorden: indien gedaagde alstoen het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek wél had ingediend, was eiseres gemeld bedrag van € 44.509,40 nog steeds verschuldigd geweest. In dat verband wijst de rechtbank er ook nog op dat [B] blijkens de in rechtsoverweging 2.5 geciteerde vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van de aanspraak op de in rechte toegekende ontbindingsvergoeding.

4.4.

Al met al kan in het midden blijven of eiseres die opdracht in juni 2011 al dan niet heeft ingetrokken. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat zij wél van die intrekking uitgaat op grond van de - door eiseres onvoldoende weersproken - feiten en omstandigheden die gedaagde daaromtrent aanvoert in de conclusie van antwoord en de toelichting daarop in de randnummers 23 en 30 tweede alinea en 38, herhaald in de schriftelijke aantekeningen die ter comparitie in het geding zijn gebracht randnummers 4 -7, te weten: eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door gedaagde in rekening gebrachte en door eiseres ook voldane kosten voor het uiteindelijk niet ingediende (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek, eiseres heeft evenmin bij gedaagde geïnformeerd wanneer dit verzoek alsnog zou worden ingediend, terwijl blijkens de email van 14 september 2011 van de contactpersoon van eiseres (productie 6 bij de conclusie van antwoord) op dat moment uitsluitend de loonvorderingsprocedure liep en dat bij eiseres klaarblijkelijk bekend was, en ten slotte het feit dat de huidige advocaat van eiseres die haar belangen sinds oktober 2013 behartigt, onderhavig ontbindingsverzoek pas op 13 november 2014 heeft ingediend.

4.5.

Niet in geschil is dat eiseres gedaagde voor juridische diensten in de arm heeft genomen in augustus 2010 en wel naar aanleiding van een conflict over de betaling van de facturen van [F] Rechtsbijstand die toen de belangen van eiseres behartigden. Volgens gedaagde heeft zij in het eerste gesprek direct al geadviseerd - en ook diverse malen nadien - om een voorwaardelijk ontbindingsverzoek in te dienen; zij verwijst daarbij naar de mail van 24 augustus 2010 (productie 2 bij dagvaarding, p. 14); eiseres wilde daartoe echter geen opdracht geven wegens het risico dat de reeds ingestelde, tot een bepaalde datum in het verleden begrensde, loonvordering zou worden uitgebreid en het risico dat eiseres zou worden veroordeeld tot het betalen van een ontbindingsvergoeding. Die opdracht - zie de rechtsoverwegingen hiervoor - heeft eiseres volgens gedaagde eerst willen geven na de eisvermeerdering op 28 april 2011 van [B] in gemelde loonvorderingsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres een en ander onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat haar stellingen – voor zover die al geacht kunnen worden mede betrekking te hebben op onvolkomen advisering in 2010 – bij gebrek aan feitelijke grondslag geen doel kunnen treffen.

4.6.

De conclusie van het vorenstaande is dat de vorderingen van eiseres voor dadelijke afwijzing gereed liggen.

4.7.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.415,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.415,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.1

1 type: coll: