Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5175

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
ak_16 _ 1717
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boete omdat gevaar niet is voorkomen dat laadklep onmiddellijk en ongeconcentreerd omlaag kon vallen; van volledig ontbreken van verwijtbaarheid naar oordeel rechtbank geen sprake; boete van € 8100,00 naar oordeel rechtbank evenredige sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/1717

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te Denekamp, eiseres,

gemachtigde: mr. N.B.P. Arets,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: P. Wiegersma.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd. Bij besluit van 31 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als getuigen zijn verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. [naam 2] en [naam 3] , voornoemd, zijn als kraanmachinist/vrachtwagenchauffeur respectievelijk monteur werkzaam bij eiseres. Op 29 augustus 2014 heeft [naam 2] de laadklep van een vrachtwagen op een buitenlocatie met de bak van een minikraan omhoog geduwd, omdat de laadklep – wegens een storing van de stroomvoorziening van de vrachtwagen – niet met behulp van het hydraulische oliedruksysteem omhoog kon worden gebracht. Na het omhoog brengen van de laadklep heeft hij deze vergrendeld en is hij naar de werkplaats van eiseres gereden. Zowel de minikraan als de vrachtwagen zijn bedrijfsvoertuigen van eiseres. Op 30 augustus 2014 hebben [naam 3] en [naam 2] in de werkplaats van eiseres werkzaamheden verricht, gericht op het verhelpen van de stroomstoring. Bij het daarbij ontgrendelen van de laadklep viel deze plotseling naar beneden en trof [naam 2] zodanig dat hij ernstig gewond raakte aan zijn been en ter behandeling in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Van de hiervoor beschreven incidenten is door H.J. Bruggink, arbeidsinspecteur bij verweerder, op 17 december 2014 een ambtsedig boeterapport opgemaakt.

Op 17 augustus 2015 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen om haar op grond van overtreding van artikel 7.4, derde lid van het Arbobesluit een bestuurlijke boete op te leggen van € 10.800,-. Die boete heeft verweerder gelet op het bepaalde in de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (verder: Arbobeleidsregel) gematigd naar € 8.100,-, wegens de inspanningen met betrekking tot de concrete werkzaamheden die eiseres heeft genomen gericht op het voorkomen van het ongeval.

Bij zijn primaire besluit heeft verweerder dat voornemen gestand gedaan, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

2. In haar beroepschrift voert eiseres – kort samengevat – aan, dat de overtreding van de voorschriften zijn oorzaak niet vindt in een ondeugdelijk arbeidsmiddel (de vrachtwagen), maar uitsluitend dient te worden toegeschreven aan het handelen van [naam 2] met de minikraan. Eiseres treft geen verwijt, nu [naam 2] daarvan geen mededeling heeft gedaan, er geen getuigen bij aanwezig waren en hij bovendien aangeeft dat het zijn eigen schuld was. Voorts is eiseres van mening dat er grond bestaat tot (verdere) matiging van de bestuurlijke boete. Eiseres heeft de risico’s immers voldoende geïnventariseerd, noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd, adequate instructies gegeven en adequaat toezicht gehouden.

3.1

Artikel 16, tiende lid van de Arbowet bepaalt dat de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Op grond van artikel 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (verder: Arbobesluit) is een arbeidsmiddel zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

Op grond van artikel 33, tweede lid van de Arbowet wordt als overtreding (tevens) aangemerkt het niet naleven van de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, en 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Ingevolge artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.

Artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder g, van het Arbobesluit bepaalt dat als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.4.

3.2

Nu partijen daar niet over twisten en de gang van zaken rond de incidenten uit het boeterapport genoegzaam blijkt, neemt de rechtbank bij de beoordeling als vaststaand aan, dat [naam 2] wegens een technische storing aan de stroomvoorziening van de vrachtwagen:

- de laadklep van de vrachtwagen met de minikraan omhoog heeft gebracht en dat daardoor:

  1. de olie in het hydraulische systeem is weg geperst naar het reservoir, vanwaar het door de ingebouwde terugslagklep niet terug kon stromen in de hef- en daalcilinder van de laadklep,

  2. een gebrek aan oliedruk is ontstaan, waardoor de laadklep vrij omlaag kon vallen tot het punt waarop in de cilinder weer voldoende oliedruk aanwezig was;

  3. door de laadklep is geraakt toen hij deze heeft ontgrendeld tijdens het verhelpen van de storing, en dat hij daarbij

  4. e vergrendeling van de laadklep allereerst aan de rechter achterzijde van de vrachtwagen heeft ontgrendeld,

  5. vervolgens achter de vrachtwagen langs is gelopen om de vergrendeling van de laadklep aan de linker achterzijde van de vrachtwagen te ontgrendelen, en

  6. daarna (bij inmiddels volledige ontgrendeling van de laadklep) weer achter de vrachtwagen langs naar de rechterachterzijde daarvan is gelopen.

3.3

Verweerder heeft aan de handhaving van de boete ten grondslag gelegd, dat vaststaat dat [naam 2] de laadklep van de vrachtwagen met behulp van de bak van de minikraan omhoog heeft geduwd, waardoor een loze slag in de hef- en daalcilinder van de laadklep kon ontstaan, waardoor het risico aanwezig was dat bij het ontgrendelen van de laadklep de hydraulische cilinder nauwelijks oliedruk opleverde en de laadklep omlaag kon vallen, totdat er weer voldoende oliedruk aanwezig was om de laadklep vast te houden. Bij het ontgrendelen van de laadklep was vervolgens het gevaar aanwezig dat de laadklep onmiddellijk en ongecontroleerd omlaag kon vallen. Hierbij was het gevaar aanwezig dat werknemers bij ontgrendeling van de laadklep door de plotseling neervallende laadklep getroffen of geraakt konden worden. Dit gevaar is niet voorkomen en heeft zich uiteindelijk ook verwezenlijkt. Deze situatie vormt volgens verweerder een overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. Dat deze overtreding niet voorzienbaar was, volgt verweerder niet, nu [naam 2] tegen [naam 3] heeft verteld dat hij de laadklep met de kraan omhoog heeft geduwd en vervolgens naar de onderneming is gereden. Verder blijkt uit de verklaring van Kuiper dat hij vrijdagavond – de avond voor het ongeval – te horen heeft gekregen dat er vrijdag aan het eind van de middag problemen waren met het starten van de motor van de vrachtwagen en dat de laadklep daarbij niet meer omhoog wilde komen. De vrachtwagen met laadklep moest die vrijdagmiddag weer teruggereden worden naar de werkplaats. Daarvoor diende de laadklep omhoog gebracht te worden. Onder deze omstandigheden was het voorzienbaar dat [naam 2] een werkwijze heeft bedacht om de laadklep omhoog te brengen, aldus verweerder.

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het arbeidsmiddel niet zodanig was ingericht en niet zodanig werd gebruikt, dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoals het getroffen worden door een arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk is voorkomen. Dit levert een aan eiseres toe te rekenen overtreding op van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, gelezen in verbinding met artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. Daarbij betrekt de rechtbank, dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit, geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. De overtreding staat derhalve vast, indien aan de materiele voorwaarden van het artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt te maken valt, zal dat door hem aannemelijk moeten worden gemaakt.

3.5

Eiseres heeft in dit kader naar voren gebracht dat de overtreding niet voorzienbaar c.q. te voorkomen was en dat het gevaar om getroffen te worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan zoveel mogelijk is voorkomen. De rechtbank stelt echter vast, dat door de loze slag in de hef- en daalcilinder van de laadklep de klep niet risicoloos kon worden neergelaten. Bijgevolg bestond de mogelijkheid om, staande achter de vrachtwagen, de stalen laadklep op of tegen het lichaam te krijgen. Het gevaar om getroffen te worden is daarmee niet zoveel mogelijk voorkomen. Dat dit gevaar niet voorzienbaar was volgt de rechtbank niet. De rechtbank kent in dat kader doorslaggevende betekenis toe aan het boeterapport van 17 december 2014, waaruit valt af te leiden dat [naam 3] heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval in de werkplaats bezig was geweest met reparatiewerkzaamheden aan het voertuig, welke werkzaamheden verband hielden met storingen zowel aan het voertuig als aan de laadklep. [naam 3] verklaarde daarbij, dat de laadklep daags voor het ongeval op locatie met behulp van een minikraan vanuit geopende stand omhoog was geduwd en vervolgens was vergrendeld. Ook Kuiper wist dat er vrijdag aan het eind van de middag problemen waren met het starten van de motor van de vrachtwagen en dat de laadklep daarbij niet omhoog wilde komen. Hij heeft dat vrijdagavond, dus voor het ongeval, te horen gekregen. Er is toen afgesproken om de dag erna, op zaterdagmorgen, in de werkplaats te gaan kijken wat er aan schortte. Dat niemand er bij stil heeft gestaan dat de laadklep op deze wijze naar beneden zou kunnen komen, maakt niet dat de overtreding niet voorzienbaar was. [naam 3] heeft in dit kader ook verklaard, dat hij achteraf heel goed begrijpt hoe het heeft kunnen gebeuren dat de klep zomaar ineens naar omlaag viel. Hij had zich dat op het moment zelf echter niet gerealiseerd. Van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Dat [naam 2] de laadklep zonder toestemming omhoog heeft gebracht met een handeling waarvan alle medewerkers op de hoogte zijn dat die niet is toegestaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu dit niet maakt dat eiseres geen enkel verwijt valt te maken. Dat daarvan niemand getuige is geweest, volgt de rechtbank verder niet, gelet op hetgeen in eerdergenoemd op ambtseed opgemaakte rapport is weergegeven en het contact dat [naam 2] hierover heeft gehad met [naam 3] . De omstandigheid dat Kuiper en [naam 3] later op het onderdeel van hun kennis van wat er was gebeurd voorafgaand aan het ongeval zijn teruggekomen van wat in het op ambtseed opgemaakt rapport is opgenomen geeft de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van wat in eerdergenoemd rapport is opgenomen.

Dat het arbeidsmiddel tijdens de inspectie wel weer veilig is bevonden is verder niet relevant, omdat dit is gebeurd nadat de overtreding had plaatsgevonden en er ten tijde van het ongeval naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake was van een deugdelijk arbeidsmiddel, nu door de loze slag in de hef- en daalcilinder van de laadklep de klep niet risicoloos kon worden neergelaten. Daaraan doet niet af dat er inmiddels een nieuw massaslot op de vrachtwagen was gezet en aangesloten.

Dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden indien [naam 2] niet – tegen de instructies in – achter de vrachtwagen was gaan staan, maakt ook niet dat eiseres ten aanzien van de overtreding geen enkel verwijt is te maken.

3.6

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van voormelde bepalingen van de Arbowet en het Arbobesluit om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

De rechtbank acht het beleid van verweerder zoals neergelegd in de Beleidsregel op zichzelf overigens niet onredelijk, nu daarin ten aanzien van de hoogte van de boete wordt gedifferentieerd naar de ernst van de overtreding, de omvang van de onderneming of instelling en de gevolgen van de overtreding.

[naam 2] is als gevolg van het arbeidsongeval opgenomen in het ziekenhuis. Verweerder is daarom met toepassing van de Beleidsregels uitgegaan van een zware overtreding, die valt onder de zesde categorie. Verder heeft verweerder conform zijn beleid rekening gehouden met de omvang van het bedrijf van eiseres, waardoor de hoogte van de voor deze overtreding op te leggen boete is gesteld op € 10.800,-.Verweerder heeft het boetebedrag van € 10.800,- bij het bestreden besluit vervolgens met 25% gematigd, omdat eiseres een algemene instructie aan haar werknemers heeft gegeven dat zij zich niet achter een ontgrendelde laadklep mogen begeven. Voor verdere matiging heeft verweerder geen aanleiding gezien.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gematigd tot nihil, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag. Daarbij brengt eiseres naar voren, dat er geen sprake was van een risico dat kon worden geïnventariseerd, terwijl met spoed een reparatie heeft plaatsgevonden. Verder zijn noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze en is adequaat toezicht gehouden, aldus eiseres.

Met de omstandigheid dat er door eiseres instructies zijn gegeven, heeft verweerder rekening gehouden door de boete met 25% te matigen. Uit het op ambtseed opgemaakte boeterapport leidt de rechtbank af, dat mondelinge instructies zijn gegeven betreffende het bedienen van de kraan en de vrachtwagen, het veilig bedienen van de laadklep en hoe te handelen bij het optreden van storingen. [naam 2] is geïnstrueerd over het nemen van veiligheidsmaat-regelen, zoals het niet achter de laadklep lopen wanneer deze volledig ontgrendeld is.

Dat eiseres verder voldoende inspanningen heeft verricht, toegespitst op het voorkomen van de concrete overtreding in het concrete geval, volgt de rechtbank echter niet. Niet is gebleken dat risico’s, verbonden aan de situatie dat de laadklep niet op normale wijze omhoog gebracht kan worden, zijn geïnventariseerd. Er is ook niet geanticipeerd op de mogelijke gevolgen van de wijze waarop de laadklep naar boven is gebracht, hoewel [naam 3] daarvan blijkens het op ambtseed opgemaakte boete-rapport wel op de hoogte was. Verder zijn inderdaad niet in voldoende mate de noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze. Dat een storing moet worden gemeld aan de werkplaats, is daartoe onvoldoende. Dat, toegespitst op het voorkomen van de concrete overtreding, randvoorwaarden zijn gecreëerd om een veilige werkwijze toe te passen, is ook overigens uit hetgeen naar voren is gebracht niet gebleken. Dat het niet was toegestaan om met een kraan de laadklep omhoog en omlaag te brengen, maakt dit, wat daar verder van zij, niet anders. Verweerder heeft hierover terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat [naam 2] en [naam 3] instructies hebben gehad die zien op de risico’s van de aan de orde zijnde werkzaamheden. Dat ten aanzien van de veiligheid- en gezondheidskundige aspecten regelmatig toolboxmeetingen werden georganiseerd volstaat in dat kader niet.

Er was tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het opheffen van de storing aan de laadklep voorts weliswaar sprake van toezicht door [naam 3] , maar die heeft verklaard zelf niet te hebben voorzien dat de laadklep ineens kon vallen en dat daardoor schade kon ontstaan. [naam 3] zag dat [naam 2] een onjuiste en daardoor onveilige werkwijze hanteerde bij het ontgrendelen van de laadklep en heeft daarbij niet ingegrepen of kunnen ingrijpen. Verweerder heeft hierover terecht in het bestreden besluit opgemerkt dat, nu geen veilige werkwijze was ontwikkeld, de toezichthouder niet wist waarop hij toezicht moest houden. Van adequaat toezicht is daarom niet gebleken.

Aan de criteria voor de overige matigingsgronden is derhalve niet voldaan.

3.7

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder eiseres op juiste gronden een bestuurlijke boete van € 8.100,- heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een evenredige sanctie.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

R.K. Witteveen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.