Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5116

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
08.952385.14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee broers uit Kampen moeten 15 en 24 maanden de cel in wegens drugsbezit en witwassen. De 39-jarige broer krijgt een celstraf van 15 maanden opgelegd, de broer van 37 moet 24 maanden naar de gevangenis.

De 37-jarige broer heeft zich gedurende vijf jaren schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van geld en goederen voor een totaalbedrag van € 386.936,20. Hierbij werd onder meer gebruik gemaakt van een witwasconstructie die gepaard ging met het op grote schaal plegen van valsheid in geschrift met zijn bedrijf.

Van de drie andere verdachten is één man vrijgesproken en zijn twee mannen veroordeeld tot taakstraffen van 180 en 240 uur. Zij werkten mee in de witwasconstructie met hun bedrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.952385.14 (P)

Datum vonnis: 23 december 2016

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte B] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 november 2016 en 12 december 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. de Boer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met anderen heeft gehandeld in hennep en hennep aanwezig heeft gehad;

feit 2: hennep aanwezig heeft gehad;

feit 3: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

feit 4: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

feit 5: al dan niet samen met anderen goederen en geldbedragen heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, na wijziging ter terechtzitting conform artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat:

1.

hij op omstreeks 15 december 2014 te Berkel en Rodenrijs in de gemeente Lansingerland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen

* opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval

* opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een woning aan de [adres 1] , althans een groot aantal hennepplanten en/of delen van hennepplanten (pv pag. 1126 e.v.), in elk geval een grote hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel);

(parketnummer 08/952385/14 * zaaksdossier 1)

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2015 te Kampen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 2000 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel);

(parketnummer 08/952385/14 * zaaksdossier 1)

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 in de gemeente Kampen en/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur van [bedrijf verdachte] aan (de opdrachtgever) [bedrijf 1] , te weten:

* een factuur nr. 2010003 (pag. 8471-7), bedrag: euro 4.199,--, en/of

* een factuur nr. 2010004 (pag. 7566), bedrag: euro 4.320,--, en/of

* een factuur nr. 2010005 (pag. 7583) bedrag: euro 1.500,--, en/of

* een factuur nr. 2010006 (pag. 7567), bedrag: euro 2.880,--, en/of

* een factuur nr. 2010007 (pag. 8446-7), bedrag: euro 3.449,30, en/of

* een factuur nr. 2010008 (pag. 7568), bedrag: euro 2.592,--, en/of

* een factuur nr. 2010011 (pag. 7594), bedrag: euro 3.061,50, en/of

* een factuur nr. 2010013 (pag. 8441-7), bedrag: euro 1.120,--, en/of

* een factuur nr. 2010014 (pag. 8457-7), bedrag: euro 1.350,--, en/of

* een factuur nr. 2010015 (pag. 7599), bedrag: euro 1.596,--, en/of

* een factuur nr. 2010016 (pag. 8436-7), bedrag: euro 1.500,--, en/of

* een factuur nr. 2010017 (pag. 8465-7), bedrag: euro 1.040,--, en/of

* een factuur nr. 2010018 (pag. 7612), bedrag: euro 2.520,--, en/of

* een factuur nr. 2010020 (pag. 8503-7), bedrag: euro 1.500,--, en/of

* een factuur nr. 2010021 (pag. 7613), bedrag: euro 2.800,--, en/of

* een factuur nr. 2010022 (pag. 8494-7), bedrag: euro 1.665,--, en/of

* een factuur nr. 2010023 (pag. 8423-7), bedrag: euro 2.692,50, en/of

* een factuur nr. 2010024 (pag. 8424-7), bedrag: euro 5.385,--, en/of

* een factuur nr. 2010025 (pag. 8425-7), bedrag: euro 5.197,--, en/of

* een factuur nr. 2010026 (pag. 7634), bedrag: euro 6.875,--, en/of

* een factuur nr. 2011001 (pag. 7362), bedrag: euro 5.600,--, en/of

* een factuur nr. 2011002 (pag. 7370), bedrag: euro 1.770,65, en/of

* een factuur nr. 2011003 (pag. 8387-7), bedrag: euro 5.600,--, en/of

* een factuur nr. 2011004 (pag. 8462-7), bedrag: euro 1.606,--, en/of

* een factuur nr. 2011006 (pag. 7647), bedrag: euro 5.336,30, en/of

* een factuur nr. 2011007 (pag. 7649), bedrag: euro 4.891,--, en/of

* een factuur nr. 2011008 (pag. 7651), bedrag: euro 3.915,30, en/of

* een factuur nr. 2011009 (pag. 7653), bedrag: euro 2.552,47, en/of

* een factuur nr. 2011011 (pag. 7720), bedrag: euro 5.905,38, en/of

* een factuur nr. 2011012 (pag. 7655), bedrag: euro 1.421,94, en/of

* een factuur nr. 2011013 (pag. 7741), bedrag: euro 3.570,--, en/of

* een factuur nr. 2011014 (pag. 7742), bedrag: euro 5.953,75, en/of

* een factuur nr. 2011015 (pag. 7763), bedrag: euro 3.450,40, en/of

* een factuur nr. 2011016 (pag. 7764), bedrag: euro 1.254,--, en/of

* een factuur nr. 2011017 (pag. 7800), bedrag: euro 2.640,--, en/of

* een factuur nr. 2011018 (pag. 7765), bedrag: euro 2.698,--, en/of

* een factuur nr. 2011020 (pag. 7800), bedrag: euro 1.557,50, en/of

* een factuur nr. 2011021 (pag. 7833), bedrag: euro 4.106,25, en/of

* een factuur nr. 2011022 (pag. 7834), bedrag: euro 4.106,25, en/of

* een factuur nr. 2011023 (pag. 7835), bedrag: euro 2.737,50, en/of

* een factuur nr. 2012001 (pag. 7836), bedrag: euro 1.368,75, en/of

* een factuur nr. 2012002 (pag. 7878), bedrag: euro 2.737,50, en/of

* ene factuur nr. 2012003 (pag. 7874), bedrag: euro 4.106,25, en/of

* een factuur nr. 2012004 (pag. 7870), bedrag: euro 4.106,25, en/of

* een factuur nr. 2012005 (pag. 7869), bedrag: euro 1.368,75, en/of

* een factuur nr. 2012006 (pag. 7866), bedrag: euro 2.190,--, en/of

* een factuur nr. 2012007 (pag. 8388-7), bedrag: euro 3.000,--, en/of

* een factuur nr. 2012008 (pag. 7863), bedrag: euro 3.285,--, en/of

* een factuur nr. 2012009 (pag. 8382-7), bedrag: euro 1.368,75, en/of

* een factuur nr. 2012010 (pag. 8383-7), bedrag: euro 5.475,--, en/of

* een factuur nr. 2012011 (pag. 8415-7), bedrag: euro 1.368,75, en/of

* een factuur nr. 2012012 (pag. 7936), bedrag: euro 1.368,75, en/of

* een factuur nr. 2012013 (pag. 8403-7), bedrag: euro 4.106,25, en/of

* een factuur nr. 2012014 (pag. 7937), bedrag: euro 2.737,50, en/of

* een factuur nr. 2012015 (pag. 8399-7), bedrag: euro 1.752,--, en/of

* een factuur nr. 2012016 (pag. 8409-7), bedrag: euro 1.960,--, en/of

* een factuur nr. 2012017 (pag. 8395-7), bedrag: euro 1.752,--, en/of

* een factuur nr. 2012018 (pag. 8374-7), bedrag: euro 1.300,--, en/of

* een factuur nr. 2012019 (pag. 7954), bedrag: euro 2.925,--, en/of

* een factuur nr. 2012020 (pag. 8392-7), bedrag: euro 1.300,-

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen opmaken of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op die factu(u)r(en) vermeld/gesuggereerd dat [bedrijf verdachte] voor die [bedrijf 1] werkzaamheden zou hebben verricht en/of die werkzaamheden in rekening zou hebben gebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

(telkens) van die valse en/of vervalste factu(u)r(en) gebruik gemaakt, als ware die/dat geschrift(en) echt en/of onvervalst, en welk gebruik maken (telkens) bestond uit:

- het verzenden/factureren van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) aan die [bedrijf 1] , en/of

- het opnemen van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) in de eigen (verdachtes) administratie,

- het verstrekken van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) en/of gegevens uit die (valse/vervalste) factu(u)r(en) aan [bedrijf 2] V.O.F. voor het doen opmaken van de jaarrekening/jaarrapportage over de jaren 2010, 2011 en 2012 en/of ter verwerking in de grootboekrekeningen en/of het doen van belastingaangiften over de jaren 2010, 2011en 2012.

en/of

(telkens) die valse en/of vervalste factu(u)r(en) voorhanden gehad, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat factu(u)r(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst; (parketnummer 08/952385-14 * zakendossier 9)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 in de gemeente Kampen en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur van [bedrijf verdachte] aan (de opdrachtgever) [bedrijf 3] B.V., te weten:

* een factuur nr. 2013001 (pag. 7966), bedrag: euro 6.000,--, en/of

* een factuur nr. 2013002 (pag. 7977), bedrag: euro 3.000,--, en/of

* een factuur nr. 2013004 (pag. 7983), bedrag: euro 3.900,--, en/of

* een factuur nr. 2013006 (pag. 7985), bedrag: euro 4.500,--, en/of

* een factuur nr. 2013007 (pag. 7990), bedrag: euro 3.000,--, en/of

* een factuur nr. 2013008 (pag. 7986), bedrag: euro 7.300,--, en/of

* een factuur nr. 2014001 (pag. 7995), bedrag: euro 1.960,--, en/of

* een factuur nr. 2014003 (pag. 7999), bedrag: euro 2.400,--, en/of

* een factuur nr. 2014004 (pag. 8000-7), bedrag: euro 1.500,--, en/of

* een factuur nr. 2014005 (pag. 8001-7), bedrag: euro 1.800,--, en/of

* een factuur nr. 2014007 (pag. 8010-7), bedrag: euro 3.000,--, en/of

* een factuur nr. 2014008 (pag. 8002-7), bedrag: euro 3.000,--, en/of

* een factuur nr. 2014009 (pag. 8003-7), bedrag: euro 2.400,--, en/of

* een factuur nr. 2014010 (pag. 8004-7), bedrag: euro 3.900,--, en/of

* een factuur nr. 2014011 (pag. 8005-7), bedrag: euro 2.700,--,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen opmaken of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op die factu(u)r(en) vermeld/gesuggereerd dat [bedrijf verdachte] voor die [bedrijf 3] B.V. werkzaamheden zou hebben verricht en/of die werkzaamheden in rekening zou hebben gebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

(telkens) van die valse en/of vervalste factu(u)r(en) gebruik gemaakt, als ware die/dat geschrift(en) echt en/of onvervalst, en welk gebruik maken (telkens) bestond uit:

- het verzenden/factureren van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) aan die

[bedrijf 3] B.V., en/of

- het opnemen van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) in de eigen (verdachtes)

administratie,

- het verstrekken van die (valse/vervalste) factu(u)r(en) en/of gegevens uit die (valse/vervalste) factu(u)r(en) aan [bedrijf 2] V.O.F. voor het doen opmaken van de jaarrekening/jaarrapportage over 2013 en 2014 en/of ter verwerking in de grootboekrekeningen en/of het doen van belastingaangiften over de jaren 2013 en 2014.

en/of

(telkens) die valse en/of vervalste factu(u)r(en) voorhanden gehad, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat factu(u)r(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst; (parketnummer 08/952385-14 * zakendossier 10)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 20 januari 2015 in de gemeente Kampen, en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen en/althans alleen, meerdere malen in genoemde periode (telkens) een of meer geldbedrag(en) en/of (luxe) goed(eren), te weten:

- een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van euro 24.970,--, althans

een geldbedrag, welk bedrag in totaal contant is gestort op bankrekening ING

[rekeningnummer 1] (zie tabel pv pag. 7017), en/of

- een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van euro 68.895,--, althans

een (aanzienlijk) geldbedrag, welk bedrag in totaal contant is gestort op

bankrekening ING [rekeningnummer 2] (zie tabel pv pag. 7017),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, en/of van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie bovenomschreven geldbedrag(en) voorhanden had(den), en/of

- een of meer (luxe) goed(eren) met een totale waarde van euro 39.597,52 (zie tabel "mutaties" pv pag. 7018-7020), en/of

- 3092, althans een groot aantal PaySafe kaarten, tot een totaalbedrag van euro 268.460,--, althans een (aanzienlijk) geldbedrag, (pv pag. 7197-7320),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of goed(eren), gebruik heeft gemaakt, en/of

van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of goed(eren) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) en/of goed(eren) was/waren en/of wie bovenomschreven geldbedrag(en) en/of goed(eren) voorhanden had(den), en/of

- een totaal bedrag van euro 188.595,99, althans euro 192.820,59, in elk geval een (aanzienlijk) geldbedrag, welk(e) geldbedrag(en) in totaal giraal is/zijn overgemaakt op de bankrekeningnummer(s) [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 4] (overgeboekt door/namens de firma [bedrijf 1] op basis van gefingeerde rekeningen, zie tabel pv pagina.

8354-7 tot en met 8356-7), en/of

- een totaal bedrag van euro 63.010, althans euro 67.010, althans een (aanzienlijk) geldbedrag, welk(e) geldbedrag(en) in totaal giraal is/zijn overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] , (overgeboekt door/namens de firma [bedrijf 3] B.V. op basis van gefingeerde rekeningen, zie tabel pv pagina 8355-7 en 8356-7)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, en/of van die/dat bovenomschreven geldbedrag(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie bovenomschreven geldbedrag(en) voorhanden had(den),

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dan wel (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of goed(eren) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit het opmaken en/of gebruik maken van valse geschriften en/of de teelt/handel in verdovende middelen en/of uit enig(e) ander(e) misdrijf/ven, en verdachte (tezamen met zijn mededader(s)) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; (parketnummer 08/952385-14 * zaakdossier 7)

art 420bis lid 1 ond/ahf a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank constateert dat de steller van de tenlastelegging onder 3 en 4 kennelijk heeft bedoeld mede het strafbaar gestelde in artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste te leggen. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging daarom aldus dat onder 3 en 4 telkens na de woorden "valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen opmaken of vervalsen" tevens moet worden gelezen de woorden "en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat factu(u)r(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst en/of (telkens) van die valse en/of vervalste factu(u)r(en) gebruik gemaakt, als ware die/dat geschrift(en) echt en/of onvervalst;" De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van het onder 1, 3, 4, en 5 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank 1

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Uit onder meer een proces-verbaal2 aantreffen hennepkwekerij d.d. 15 december 2014 leidt de rechtbank af dat op 15 december 2014 een hennepkwekerij is aangetroffen aan de [adres 1] te Berkel en Rodenrijs. Uit het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat verdachte op of omstreeks 15 december 2014 enige actieve betrokkenheid bij deze hennepkwekerij heeft gehad. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

Uit de stukken in het dossier leidt de rechtbank af dat op 20 januari 2015 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres 2] te Kampen3, waarbij onder meer vier pakketten van 500 gram hennep zijn aangetroffen4. Uit nader onderzoek is gebleken dat het inderdaad netto 2000 gram hennep betrof.5 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze hoeveelheid hennep op 20 januari 2015 aanwezig heeft gehad.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde

Inleiding

Verdachte wordt, voor zover hier van belang, ervan verdacht dat hij - via zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte] - aan [bedrijf 1] geldbedragen heeft gefactureerd voor werkzaamheden die in werkelijkheid nooit zijn verricht. Daarin is volgens het Openbaar Ministerie de valsheid van de facturen gelegen. Door de gefactureerde bedragen giraal door [bedrijf 1] te laten betalen zouden in werkelijkheid opbrengsten van verdachte uit misdrijven worden witgewassen.

Verdachte heeft zich bij zijn politieverhoor en ter terechtzitting van 30 november 2016 beroepen op zijn zwijgrecht, ook op de vraag of hij de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht. Namens verdachte is, kortgezegd, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze werkzaamheden niet heeft verricht.

Ten tijde van het tenlastegelegde stond verdachte ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met een eenmanszaak onder de naam [bedrijf verdachte] .6 In de administratie van [bedrijf verdachte] zijn de in de tenlastelegging opgenomen facturen aangetroffen, waarop telkens ten name van [bedrijf verdachte] een geldbedrag voor werkzaamheden is gefactureerd aan [bedrijf 1] .7 Uit bankmutaties blijkt voorts dat de gefactureerde bedragen telkens door [bedrijf 1] aan verdachte zijn voldaan.8

Bij de beoordeling van de tenlastelegging is de centrale vraag of op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht bij de op de facturen vermelde locaties c.q. bouwprojecten. Het dossier bevat daaromtrent verschillende processen-verbaal van bevindingen waarin het onderzoek naar de tenlastegelegde facturen wordt beschreven. Blijkens deze stukken zijn bij het politieonderzoek de (hoofd)aannemers of opdrachtgevers van de projecten waarvoor is gefactureerd benaderd. Ook zijn de inbeslaggenomen administraties van [bedrijf verdachte] en [bedrijf 1] met elkaar vergeleken. Het onderzoek heeft zich daarbij in het bijzonder gericht op zogenoemde mandagenlijsten (ook wel: manurenlijsten of weekstaten) waarop door de werkgever wordt vermeld welke werknemer(s) op een bepaald project in een bepaalde week werkzaam is/zijn geweest en voor hoeveel uren er is gewerkt. De stelling van het Openbaar Ministerie is dat, wanneer verdachte niet op deze mandagenlijsten staat, hij kennelijk niet heeft gewerkt in de betreffende periode. Daarnaast zijn in voorkomende gevallen enkele andere onderzoeksbevindingen gerelateerd.

De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen met betrekking tot iedere factuur afzonderlijk beoordeeld, maar zal de facturen in het navolgende zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. De rechtbank overweegt als volgt.

Gedeeltelijke vrijspraak, voor de facturen vanaf 3 september 2012

In beginsel zijn werkgevers verplicht hun werknemers op de vorenbedoelde mandagenlijsten te vermelden om de gewerkte uren en daaruit voortvloeiende verplichtingen (zoals de afdracht van loonheffing) te kunnen verantwoorden. Ingevolge de Wet Ketenaansprakelijkheid zijn, zakelijk weergegeven, ZZP'ers met een Verklaring Arbeidsrelatie-winst uit onderneming (VAR-wuo), mits aan bepaalde administratieve eisen is voldaan, van voornoemde verplichting uitgezonderd. Werkgevers zijn in dat geval ook niet verplicht ingeleende ZZP'ers op de mandagenlijsten te vermelden.

De rechtbank constateert dat verdachte vanaf 3 september 2012 beschikte over een VAR-wuo.

Nu uit het dossier niet blijkt dat aan de nadere administratieve eisen niet is voldaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat er voor [bedrijf 1] vanaf 3 september 2012 geen verplichting bestond verdachte op de mandagenlijsten te vermelden. Dit betekent dat het enkele ontbreken van de naam van verdachte op de mandagenlijsten die corresponderen met de tenlastegelegde facturen vanaf die datum niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht. De volgende facturen zijn gedateerd na 3 september 2012:

factuur nr. 2012013 bedrag: euro 4.106,25,

factuur nr. 2012014 bedrag: euro 2.737,50,

factuur nr. 2012015 bedrag: euro 1.752,--,

factuur nr. 2012016 bedrag: euro 1.960,--,

factuur nr. 2012017 bedrag: euro 1.752,--,

factuur nr. 2012018 bedrag: euro 1.300,--,

factuur nr. 2012019 bedrag: euro 2.925,--,

factuur nr. 2012020 bedrag: euro 1.300,--.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook in samenhang bezien met de overige stukken met betrekking tot deze facturen niet worden vastgesteld dat verdachte de gefactureerde werkzaamheden niet heeft verricht. Daarom kan evenmin worden vastgesteld dat deze facturen vals zijn. De rechtbank zal verdachte in zoverre dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Gedeeltelijke vrijspraak overige facturen

De overige tenlastegelegde facturen dateren van voor 3 september 2012. De rechtbank is

- gelet op het beperkte onderzoek dat in een aantal gevallen kon worden verricht en/of hetgeen door de verdediging is aangevoerd - voor een deel van deze facturen eveneens van oordeel dat op grond van de daarop betrekking hebbende stukken in het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gefactureerde werkzaamheden niet zijn verricht. Daarom kan ook van deze facturen niet worden vastgesteld dat ze vals zijn, zodat verdachte ook in deze gevallen zal worden vrijgesproken. Het betreft de volgende facturen:

factuur nr. 2010005 bedrag: euro 1.500,--,

factuur nr. 2010011 bedrag: euro 3.061,50,

factuur nr. 2010015 bedrag: euro 1.596,--,

factuur nr. 2011004 bedrag: euro 1.606,--,

factuur nr. 2011006 bedrag: euro 5.336,30,

factuur nr. 2011008 bedrag: euro 3.915,30,

factuur nr. 2011009 bedrag: euro 2.552,47,

factuur nr. 2011012 bedrag: euro 1.421,94,

factuur nr. 2012012 bedrag: euro 1.368,75.

Overweging met betrekking tot de resterende facturen

Van de resterende facturen zal de rechtbank eerst een drietal afzonderlijk bespreken en vervolgens de overige facturen gezamenlijk.

Met betrekking tot de factuur met factuurnummer 20100139 overweegt de rechtbank als volgt. Dit betreft een factuur ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 1] . Deze bedraagt € 1.120,00 en heeft blijkens haar inhoud betrekking op 32 gewerkte uren aan regie werkzaamheden die in Breda zouden zijn verricht voor hoofdaannemer [bedrijf 5] in week 23 (van 2010). Uit het proces-verbaal van bevindingen10 dat op deze factuur betrekking heeft, blijkt dat [bedrijf 5] is overgenomen door de [bedrijf 4] . Er is contact gezocht met dit bedrijf en gevraagd of [bedrijf 4] in week 23 van 2010 werkzaamheden heeft uitbesteed aan het bedrijf

[bedrijf 1] en/of [bedrijf verdachte] , of er in genoemde periode werkzaamheden zijn uitgevoerd in Breda en of er over genoemde periode manurenstaten beschikbaar zijn. Door de heer [naam 1] , administrateur bij de [bedrijf 4] , is telefonisch meegedeeld dat [bedrijf 5] Bouwbedrijf in de genoemde periode een project had gedaan in Breda, waarbij het lijmwerk was uitbesteed aan [bedrijf 6] . Voorts blijkt dat op de manurenstaat van [bedrijf 6] over week 23 noch de naam [medeverdachte 1] , noch de naam van verdachte staat vermeld.11 Bovendien blijkt uit deze manurenstaat dat [bedrijf 6] in week 23 voor 15 manuren aan werkzaamheden heeft verricht. Blijkens de door [bedrijf 6] aan [bedrijf 5] verzonden factuur worden daarbij 3 'regie uren' in rekening gebracht.12 Dit terwijl door [bedrijf verdachte] 32 uren voor 'regie werk' worden gefactureerd aan [medeverdachte 1] voor hetzelfde project.

Uit voornoemde stukken blijkt dat de naam van verdachte niet op de manurenlijst van [bedrijf 6] voorkomt en dat het door [bedrijf verdachte] gefactureerde aantal uren meer dan het dubbele bedraagt van het totaal aantal gewerkte uren op het project in Breda in week 23. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de op de factuur vermelde werkzaamheden in week 23 niet kunnen hebben plaatsgevonden en dat deze factuur daarom vals is.

Met betrekking tot de factuur met factuurnummer 201001713 overweegt de rechtbank als volgt. Ook dit betreft een factuur ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 1] . Deze bedraagt € 1.040,00 en heeft blijkens haar inhoud betrekking op 32 gewerkte uren aan regie werkzaamheden die zouden zijn verricht in Rotterdam voor hoofdaannemer [bedrijf 7] in week 27 (van 2010). Uit het proces-verbaal van bevindingen14 dat op deze factuur betrekking heeft, blijkt echter dat [bedrijf 7] in week 27 geen bouwproject in Rotterdam uitvoerde. In de genoemde week heeft het bedrijf [bedrijf 8] wel in opdracht van [bedrijf 7] gewerkt op een andere locatie in Nederland, te weten in Soerendonk. Het dossier bevat een factuur van [bedrijf 8] aan [bedrijf 7] voor deze werkzaamheden, met bijgevoegde urendeclaraties waarop de naam van verdachte, noch de naam van [medeverdachte 1] staat vermeld.15

Op grond van deze stukken stelt de rechtbank vast dat bouwbedrijf [bedrijf 7] in week 27 van 2010 geen werkzaamheden in Rotterdam heeft uitbesteed en dat reeds daarom de werkzaamheden als vermeld op de factuur met factuurnummer 2010017 niet kunnen zijn verricht en dat deze factuur daarom vals is. Uit de administratie van [bedrijf 8] blijkt voorts nog dat verdachte noch [medeverdachte 1] in week 27 heeft gewerkt voor een project van [bedrijf 7] elders in het land.

Met betrekking tot de factuur met factuurnummer 201100116 overweegt de rechtbank als volgt. Dit betreft opnieuw een factuur ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 1] . Deze bedraagt € 5.600,00 en heeft blijkens haar inhoud betrekking op 160 gewerkte uren aan regie werkzaamheden die zouden zijn verricht in Oosteind voor hoofdaannemer [bedrijf 9] Bouw in week 1 t/m 4 (van 2011).

Uit het proces-verbaal van bevindingen17 dat op deze factuur betrekking heeft, blijkt dat [bedrijf 1] in (onder meer) de weken 2 t/m 4 werkzaamheden voor [bedrijf 9] Bouw heeft uitgevoerd. Op de door [medeverdachte 1] aangeleverde manurenstaten met betrekking tot die weken komt de naam van verdachte echter niet voor.18 Op de factuur wordt daarnaast gefactureerd voor werkzaamheden in week 1, terwijl [medeverdachte 1] in die week geen werkzaamheden voor het project in Oosteind heeft gefactureerd aan [bedrijf 9] .19

Op grond van voornoemde stukken stelt de rechtbank vast dat de gefactureerde werkzaamheden in week 1 niet daadwerkelijk kunnen zijn verricht en dat daarnaast de gefactureerde werkzaamheden in de overige weken niet door de inhoud van de mandagenstaten worden ondersteund. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat ook deze factuur vals is.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de facturen met factuurnummers 2010013, 2010017 en 2011001 vals zijn in die zin dat de daarop door verdachte gefactureerde werkzaamheden niet zijn verricht, gelet op de onderliggende administratie en verklaring(en) van betrokkenen. Door de verdediging is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het niet corresponderen van de mandagenlijsten met de facturen niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat de facturen vals zijn, maar dat dit evengoed kan betekenen dat juist de mandagenlijsten vals zijn. Gelet op de onregelmatigheden die zich bij bovenstaande facturen hebben voorgedaan, in het bijzonder de omstandigheid dat er gefactureerd is voor werkzaamheden in weken waarin niet gewerkt kan zijn, wordt deze door de verdediging aangevoerde mogelijkheid als onaannemelijk terzijde geschoven.

De rechtbank stelt voorts vast dat bij de overige - hiervoor nog niet besproken - tenlastegelegde facturen telkens de daarop gedeclareerde - gespecificeerde - werkzaamheden voor een of meer weeknummers op de betreffende bouwprojecten blijkens de over die facturen opgemaakte processen-verbaal niet corresponderen met de onderliggende administratie zoals deze uit het dossier naar voren komt. Verdachte komt bijvoorbeeld in vrijwel alle gevallen niet op de mandagenlijsten voor in weken waarin volgens de facturen werkzaamheden zouden zijn verricht. Dit betreft de navolgende facturen:

* een factuur nr. 2010003, bedrag: euro 4.199,--, en20

* een factuur nr. 2010004, bedrag: euro 4.320,--, en21

* een factuur nr. 2010006, bedrag: euro 2.880,--, en22

* een factuur nr. 2010007, bedrag: euro 3.449,30, en23

* een factuur nr. 2010008, bedrag: euro 2.592,--, en24

* een factuur nr. 2010014, bedrag: euro 1.350,--, en25

* een factuur nr. 2010016, bedrag: euro 1.500,--, en26

* een factuur nr. 2010018, bedrag: euro 2.520,--, en27

* een factuur nr. 2010020, bedrag: euro 1.500,--, en28

* een factuur nr. 2010021, bedrag: euro 2.800,--, en29

* een factuur nr. 2010022, bedrag: euro 1.665,--, en30

* een factuur nr. 2010023, bedrag: euro 2.692,50, en31

* een factuur nr. 2010024, bedrag: euro 5.385,--, en32

* een factuur nr. 2010025, bedrag: euro 5.197,--, en33

* een factuur nr. 2010026, bedrag: euro 6.875,--, en34

* een factuur nr. 2011002, bedrag: euro 1.770,65, en35

* een factuur nr. 2011003, bedrag: euro 5.600,--, en36

* een factuur nr. 2011007, bedrag: euro 4.891,--, en37

* een factuur nr. 2011011, bedrag: euro 5.905,38, en38

* een factuur nr. 2011013, bedrag: euro 3.570,--, en39

* een factuur nr. 2011014, bedrag: euro 5.953,75, en40

* een factuur nr. 2011015, bedrag: euro 3.450,40, en41

* een factuur nr. 2011016, bedrag: euro 1.254,--, en42

* een factuur nr. 2011017, bedrag: euro 2.640,--, en43

* een factuur nr. 2011018, bedrag: euro 2.698,--, en44

* een factuur nr. 2011020, bedrag: euro 1.557,50, en45

* een factuur nr. 2011021, bedrag: euro 4.106,25, en46

* een factuur nr. 2011022, bedrag: euro 4.106,25, en47

* een factuur nr. 2011023, bedrag: euro 2.737,50, en48

* een factuur nr. 2012001, bedrag: euro 1.368,75, en49

* een factuur nr. 2012002, bedrag: euro 2.737,50, en50

* een factuur nr. 2012003, bedrag: euro 4.106,25, en51

* een factuur nr. 2012004, bedrag: euro 4.106,25, en52

* een factuur nr. 2012005, bedrag: euro 1.368,75, en53

* een factuur nr. 2012006, bedrag: euro 2.190,--, en54

* een factuur nr. 2012007, bedrag: euro 3.000,--, en55

* een factuur nr. 2012008, bedrag: euro 3.285,--, en56

* een factuur nr. 2012009, bedrag: euro 1.368,75, en57

* een factuur nr. 2012010, bedrag: euro 5.475,--, en58

* een factuur nr. 2012011, bedrag: euro 1.368,75.59

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat binnen de tenlastegelegde periode een drietal facturen ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 1] , vals is en dat ten aanzien van de overige hierboven genoemde facturen de onderzochte onderliggende administratie niet met de inhoud van deze facturen blijkt te corresponderen. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze facturen sprake van zodanig redengevende omstandigheden voor het bewijs van het ten laste gelegde, dat het op de weg van verdachte had gelegen een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring te geven (vgl. NJ 2010/457, NJ 2012,369, NJ 2016/286). Nu verdachte een dergelijke verklaring niet heeft gegeven, acht de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene, bewezen dat ook deze facturen vals zijn.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld door wie deze valse facturen valselijk zijn opgemaakt, zodat verdachte in zoverre van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Aangezien de valse facturen zijn aangetroffen in de administratie van verdachte en hij daarvoor bovendien betaald heeft gekregen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze valse facturen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt door deze op te nemen in de eigen administratie. Uit de van [bedrijf 2] V.O.F. verkregen grootboekrekeningen 2010, 2011 en 2012 blijkt dat al deze facturen zijn opgenomen in de grootboekrekeningen.60 De in de grootboekrekening verantwoorde omzet is bovendien gelijk aan de in de jaarrekeningen en de Aangifte Omzetbelasting opgegeven omzet. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de valse facturen zijn verstrekt aan [bedrijf 2] V.O.F. De rechtbank acht daarom tevens bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze valse facturen door deze te verstrekken aan [bedrijf 2] V.O.F. voor het doen opmaken van - onder meer - de jaarrekening/jaarrapportage over de jaren 2010, 2011 en 2012.61 Nu verdachte de op de facturen vermelde werkzaamheden niet heeft verricht moet verdachte hebben geweten dat het valse facturen betroffen alsmede dat deze facturen bedoeld waren om als echt te gebruiken.

Medeplegen

De rechtbank overweegt dat verdachte over de verwerking van deze facturen afspraken met medeverdachte [medeverdachte 1] moet hebben gemaakt. Zonder onderlinge afspraken valt immers niet in te zien waarom [bedrijf 1] deze valse facturen zou betalen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben middels die afspraken ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan het voorhanden hebben en gebruik maken van deze facturen, zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . De rechtbank acht derhalve bewezen dat sprake is van medeplegen van dit feit.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij - via zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte] - aan [bedrijf 3] B.V. geldbedragen heeft gefactureerd voor werkzaamheden die in werkelijkheid nooit zijn verricht. Daarin is volgens het Openbaar Ministerie de valsheid van de tenlastegelegde facturen gelegen. Door de gefactureerde bedragen giraal door [bedrijf 3] B.V. te laten betalen zouden in werkelijkheid opbrengsten van verdachte uit misdrijven worden witgewassen.

Verdachte heeft zich bij zijn politieverhoren en ter terechtzitting van 30 november 2016 beroepen op zijn zwijgrecht, ook ten aanzien van de vraag of hij de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht. Namens verdachte is, kortgezegd, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze werkzaamheden niet heeft verricht. Daarom zou evenmin kunnen worden vastgesteld dat de betreffende facturen vals zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de administratie van de eenmanszaak van verdachte zijn de in de tenlastelegging opgenomen facturen aangetroffen, waarop telkens ten name van [bedrijf verdachte] een geldbedrag voor werkzaamheden is gefactureerd aan [bedrijf 3] B.V.62 Uit bankmutaties blijkt voorts dat de gefactureerde bedragen telkens door [bedrijf 3] B.V. aan verdachte zijn voldaan.63

Bij de beoordeling van de tenlastelegging is de centrale vraag of op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht bij de op de facturen vermelde locaties c.q. bouwprojecten. Het dossier bevat daaromtrent verschillende processen-verbaal van bevindingen waarin het onderzoek naar de tenlastegelegde facturen wordt beschreven. Ook zijn de inbeslaggenomen administraties van [bedrijf verdachte] en [bedrijf 3] B.V., voor zover aangetroffen, met elkaar vergeleken. Daarnaast zijn ook overige onderzoeksbevindingen (onder meer op het gebied van telecommunicatie) gerelateerd.

Vrijspraak alle facturen behoudens factuur 2013002

De rechtbank constateert dat voornoemd onderzoek werd bemoeilijkt door de beperkte informatie die op de facturen was vermeld en door de kennelijk gebrekkige administratie van [bedrijf 3] B.V. Het verrichte politieonderzoek heeft daardoor beperkte informatie opgeleverd. Op grond van de beschikbare stukken is de rechtbank van oordeel dat voor alle in de tenlastelegging genoemde facturen geldt dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte de op de factuur vermelde werkzaamheden niet heeft verricht, met uitzondering van de factuur met factuurnummer 2013002. Dat brengt mee dat evenmin kan worden vastgesteld dat in deze gevallen sprake is van valse facturen. Verdachte zal in zoverre van het onder 4 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot factuur 2013002

Met betrekking tot de factuur met factuurnummer 201300264 overweegt de rechtbank als volgt. Het betreft een factuur ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 3] B.V. Deze bedraagt € 3000,00 en heeft blijkens haar inhoud betrekking op werkzaamheden die zouden zijn verricht aan Villapark de Rijp te Oost-Grafdijk in de weken 14, 15 en 16 van 2013. (Een kopie van) deze factuur is aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 3] B.V. In de inbeslaggenomen bedrijfsadministratie van [bedrijf 3] B.V. werden geen andere facturen, manurenlijsten of andere bescheiden aangetroffen met betrekking tot het bouwproject Villapark De Rijp.65 Uit het proces-verbaal van bevindingen dat op deze factuur betrekking heeft, blijkt voorts dat telefonisch contact is opgenomen met de heer [naam 2] , van bouwonderneming [bedrijf 10] , die desgevraagd meedeelde dat deze bouwonderneming alle bouwwerkzaamheden op voornoemd villapark had gedaan en dat hij namens dit bedrijf had opgetreden als projectleider. Voorts deelde de projectleider mee dat de namen [bedrijf 3] BV, [bedrijf verdachte] en [verdachte B] hem in het geheel niet bekend voorkwamen en dat deze ook niet te vinden waren in de administratie van genoemd bouwproject.66

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de inhoud van voornoemd proces-verbaal te twijfelen en stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte, anders dan op de factuur met factuurnummer 2013002 is vermeld, geen werkzaamheden heeft verricht in opdracht van [bedrijf 3] B.V. voor het bouwproject Villapark de Rijp te Oost-Grafdijk en dat de daarop ziende factuur derhalve vals is.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld door wie deze factuur valselijk is opgemaakt, zodat verdachte in zoverre van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Aangezien de valse factuur is aangetroffen in de administratie van verdachte en hij daarvoor bovendien betaald heeft gekregen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze valse factuur voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt door deze op te nemen in de eigen administratie. Uit de van [bedrijf 2] V.O.F. verkregen grootboekrekening 2013 blijkt dat deze factuur is opgenomen in de grootboekrekening.67 De in de grootboekrekening verantwoorde omzet is bovendien gelijk aan de bij de Aangifte Omzetbelasting opgegeven omzet. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de valse factuur is verstrekt aan [bedrijf 2] V.O.F. De rechtbank acht daarom tevens bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze valse factuur door deze te verstrekken aan [bedrijf 2] V.O.F. voor het doen opmaken van - onder meer - de grootboekrekening over 2013.68 Nu verdachte geen werkzaamheden voor het betreffende bouwproject heeft verricht moet verdachte hebben geweten dat het een valse factuur betrof alsmede dat deze factuur bedoeld was om als echt te gebruiken.

Medeplegen

De rechtbank overweegt dat verdachte over de verwerking van deze factuur afspraken met medeverdachte [medeverdachte 2] moet hebben gemaakt. Zonder onderlinge afspraken valt immers niet in te zien waarom [bedrijf 3] B.V. deze valse factuur zou betalen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben middels die afspraken ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan het voorhanden hebben en gebruik maken van deze factuur, zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] . De rechtbank acht derhalve bewezen dat sprake is geweest van medeplegen van dit feit.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde

Verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met

20 januari 2015 heeft schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van gewoontewitwassen, dan wel aan het (mede)plegen van witwassen. De tenlastelegging is middels zes gedachtestreepjes toegespitst op contante geldbedragen en op goederen die met geld zouden zijn aangeschaft dat uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal hierop eerst nader ingaan.

Het verwerven en voorhanden hebben van de tenlastegelegde geldbedragen en goederen.

De rechtbank stelt met betrekking tot de contante stortingen van respectievelijk € 24.970,00 en € 68.895,- op bankrekeningen van verdachte (eerste en tweede gedachtestreepje) vast dat verdachte deze geldbedragen69 heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Met betrekking tot de contant aangeschafte goederen (derde gedachtestreepje) met een totale waarde van € 39.597,52 overweegt de rechtbank als volgt. Een overzicht van deze aankopen is in het dossier weergegeven.70 Uit dat overzicht blijkt dat de eerste twee aankopen (ter waarde van samen € 350,55) dateren uit 2009, derhalve voor de tenlastegelegde periode. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte deze aangekochte goederen in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad. Door de verdediging is aangevoerd dat het mogelijk is dat niet alle genoemde uitgaven door verdachte zijn gedaan. Nu daarvan uit het dossier geheel niet is gebleken en de contante uitgaven zijn gebaseerd op kassabonnen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, acht de rechtbank dit onaannemelijk. De rechtbank stelt derhalve vast dat verdachte deze goederen, ter waarde van in totaal

€ 39.246,97, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Met betrekking tot de 3092 PaySafe kaarten tot een totaalbedrag van € 268.460,- (vierde gedachtestreepje) overweegt de rechtbank als volgt. Uit onderzoek is gebleken dat via het IP-adres van verdachte 3092 PaySafe kaarten zijn gebruikt met in totaal voornoemde waarde. Van 359 PaySafe kaarten ten bedrage van in totaal € 27.775,- kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze binnen de tenlastegelegde periode heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.71 De rechtbank stelt op grond van het betreffende proces-verbaal72 vast dat verdachte de overige PaySafe-kaarten binnen de tenlastegelegde periode heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Dit betreffen in totaal 2733 PaySafe kaarten ter waarde van

€ 240.685,-.

Met betrekking tot de giraal overgeboekte geldbedragen door [bedrijf 1] (vijfde gedachtestreepje) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde bewezen geacht dat meerdere facturen ten name van [bedrijf verdachte] , gericht aan [bedrijf 1] vals zijn, omdat op de facturen vermelde werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht. Verdachte wordt onder 5 verweten dat hij de op grond van deze facturen overgemaakte geldbedragen heeft witgewassen. De rechtbank overweegt dat het daarbij zou moeten gaan om geldbedragen zonder direct verklaarbare herkomst.

Dat betekent in de eerste plaats ten aanzien van de facturen waarvan de valsheid onder 3 niet bewezen is geacht, dat het ervoor dient te worden gehouden dat er wél een verklaarbare herkomst van de daarmee gemoeide geldbedragen is, zodat het totaalbedrag van deze facturen door de rechtbank niet zal worden meegenomen.

In de tweede plaats geldt voor een gedeelte van de facturen waarvan de valsheid wél bewezen is geacht, dat het gefactureerde bedrag betrekking heeft op meerdere werkweken. In enkele van deze gevallen is niet voor alle weken de onderliggende administratie beschikbaar in het strafdossier. De rechtbank zal in deze gevallen niet van het volledige factuurbedrag uitgaan, maar slechts van dat deel waarvan is komen vast te staan dat verdachte de vermelde werkzaamheden niet heeft verricht.

De rechtbank komt op basis van deze uitgangspunten tot de vaststelling dat verdachte voor een bedrag van € 106.653,68 aan girale betalingen heeft ontvangen op grond van gefactureerde bedragen waar geen werkzaamheden tegenover stonden. De rechtbank stelt vast dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft verworven. Nu dit bedrag zonder duidelijke reden door [bedrijf 1] is betaald, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat deze facturen en betalingen in werkelijkheid werden gebruikt om contant geld van verdachte om te wisselen in giraal geld.

Op dezelfde wijze als hiervoor, beoordeelt de rechtbank ook de giraal overgeboekte geldbedragen door [bedrijf 3] B.V. (zesde gedachtestreepje). De rechtbank komt zodoende tot de vaststelling dat verdachte voor een bedrag van € 3.000,00 aan girale betalingen heeft ontvangen op grond van een gefactureerd bedrag waar geen werkzaamheden tegenover stonden. De rechtbank stelt vast dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft verworven.

Het vermoeden van witwassen

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde vastgesteld dat verdachte één valse factuur, gericht aan [bedrijf 3] B.V. voorhanden heeft gehad en dat hij daarvan gebruik heeft gemaakt door deze in zijn administratie op te nemen en het daarop vermelde bedrag van € 3.000,- op grond van die factuur op zijn rekening te ontvangen. Mede in aanmerking genomen dat het slechts één factuur betreft en uit het dossier niet direct is gebleken van een contante geldstroom die aan deze girale betaling ten grondslag heeft gelegen, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Nu het dossier daarvoor ook overigens geen aanwijzingen bevat, zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van het onder 5 ten laste gelegde vrijspreken.

Met betrekking tot de overige geldbedragen en goederen overweegt de rechtbank als volgt.

In het voorgaande heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte binnen de tenlastegelegde periode een totaalbedrag van € 480.450,65 heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Uit onderzoek naar de financiële situatie van - de eenmanszaak van - verdachte is gebleken dat de herkomst van dit geldbedrag op grond van de door hem opgegeven jaaromzetten73 in die periode niet verklaarbaar is. Er moet dus een andere (onbekende) inkomstenbron zijn geweest.

Op 20 januari 2015 heeft een doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden, waarbij onder meer een grote hoeveelheid hennep (feit 2),20 mobiele telefoons en 40 briefjes van € 50,- zijn aangetroffen.74 Verdachte is daarnaast samen met zijn broer (tevens verdachte in het politieonderzoek) eigenaar van drie garageboxen aan de Kalverhekkeweg. Deze garageboxen zijn op 28 mei 2014 en 20 januari 2015 doorzocht en daarbij zijn verschillende goederen aangetroffen die bij de hennepteelt plegen te worden gebruikt.75 Daarnaast is verdachte tijdens een verkeerscontrole op 30 oktober 2013 staande gehouden, waarbij een sterke wietlucht in de kofferbak werd geroken en een grote hoeveelheid contant geld werd aangetroffen.76 Bij een staande houding op 14 mei 2014 werd een sterke wietlucht geroken in de auto van verdachte. Daarbij werd toen ook een apparaat aangetroffen dat gebruikt wordt om hennep te drogen, welk apparaat onder de hennepresten zat. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat met de handel in (soft)drugs grote hoeveelheden contant geld worden gegenereerd.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de goederen en geldbedragen die verdachte heeft verworven en voorhanden heeft gehad (met uitzondering van de hiervoor besproken girale overboeking van € 3.000,- door [bedrijf 3] B.V.) uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst daarvan.

Het ontbreken van een verklaring van verdachte en de conclusie van het voorgaande.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen en goederen, het niet anders kan zijn dan dat deze onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze goederen en geldbedragen. Gelet op de ruime periode waarin dit plaatsvond en de hoogte van de daarmee gemoeide geldbedragen acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Medeplegen

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overwogen dat verdachte over de aan [bedrijf 1] gerichte valse facturen afspraken moet hebben gemaakt, omdat niet valt in te zien waarom [medeverdachte 1] deze anders zou betalen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat deze facturen en betalingen in werkelijkheid werden gebruikt om contant geld van verdachte om te wisselen in giraal geld. De rechtbank heeft ten slotte geconcludeerd dat dit geldbedragen betroffen die van misdrijf afkomstig zijn.

Volgens vaste jurisprudentie is voor een bewezenverklaring van medeplegen niet nodig dat een medepleger (alle) uitvoeringshandelingen verricht, noch dat hij op de hoogte is van alle details van de criminele activiteiten. De deelnemers moeten zich er wel van bewust zijn dat zij samenwerken en moeten weten waarop die samenwerking is gericht, oftewel welk doel zij gezamenlijk trachten te verwezenlijken. Bovendien moet de bijdrage van elke verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht zijn. Rekening kan daarbij worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en het belang van de rol van de verdachte.

Verdachte had zelf een wezenlijke rol aangezien hij degene was die de van misdrijf afkomstige geldbedragen inbracht. Naar het oordeel van de rechtbank vormde medeverdachte [medeverdachte 1] eveneens een wezenlijke schakel in de hiervoor beschreven witwasconstructie. Zonder afspraken over de valse facturen en zonder zijn girale betalingen zou deze constructie immers niet mogelijk zijn geweest. Gelet daarop acht de rechtbank bewezen dat voor dit onderdeel van de tenlastelegging sprake is geweest van medeplegen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 20 januari 2015 te Kampen opzettelijk aanwezig heeft gehad 2000 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;

3.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 2 september 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een valse factuur van [bedrijf verdachte] aan [bedrijf 1] , te weten:

* een factuur nr. 2010003, bedrag: euro 4.199,--, en

* een factuur nr. 2010004, bedrag: euro 4.320,--, en

* een factuur nr. 2010006, bedrag: euro 2.880,--, en

* een factuur nr. 2010007, bedrag: euro 3.449,30, en

* een factuur nr. 2010008, bedrag: euro 2.592,--, en

* een factuur nr. 2010013, bedrag: euro 1.120,--, en

* een factuur nr. 2010014, bedrag: euro 1.350,--, en

* een factuur nr. 2010016, bedrag: euro 1.500,--, en

* een factuur nr. 2010017, bedrag: euro 1.040,--, en

* een factuur nr. 2010018, bedrag: euro 2.520,--, en

* een factuur nr. 2010020, bedrag: euro 1.500,--, en

* een factuur nr. 2010021, bedrag: euro 2.800,--, en

* een factuur nr. 2010022, bedrag: euro 1.665,--, en

* een factuur nr. 2010023, bedrag: euro 2.692,50, en

* een factuur nr. 2010024, bedrag: euro 5.385,--, en

* een factuur nr. 2010025, bedrag: euro 5.197,--, en

* een factuur nr. 2010026, bedrag: euro 6.875,--, en

* een factuur nr. 2011001, bedrag: euro 5.600,--, en

* een factuur nr. 2011002, bedrag: euro 1.770,65, en

* een factuur nr. 2011003, bedrag: euro 5.600,--, en

* een factuur nr. 2011007, bedrag: euro 4.891,--, en

* een factuur nr. 2011011, bedrag: euro 5.905,38, en

* een factuur nr. 2011013, bedrag: euro 3.570,--, en

* een factuur nr. 2011014, bedrag: euro 5.953,75, en

* een factuur nr. 2011015, bedrag: euro 3.450,40, en

* een factuur nr. 2011016, bedrag: euro 1.254,--, en

* een factuur nr. 2011017, bedrag: euro 2.640,--, en

* een factuur nr. 2011018, bedrag: euro 2.698,--, en

* een factuur nr. 2011020, bedrag: euro 1.557,50, en

* een factuur nr. 2011021, bedrag: euro 4.106,25, en

* een factuur nr. 2011022, bedrag: euro 4.106,25, en

* een factuur nr. 2011023, bedrag: euro 2.737,50, en

* een factuur nr. 2012001, bedrag: euro 1.368,75, en

* een factuur nr. 2012002, bedrag: euro 2.737,50, en

* ene factuur nr. 2012003, bedrag: euro 4.106,25, en

* een factuur nr. 2012004, bedrag: euro 4.106,25, en

* een factuur nr. 2012005, bedrag: euro 1.368,75, en

* een factuur nr. 2012006, bedrag: euro 2.190,--, en

* een factuur nr. 2012007, bedrag: euro 3.000,--, en

* een factuur nr. 2012008, bedrag: euro 3.285,--, en

* een factuur nr. 2012009, bedrag: euro 1.368,75, en

* een factuur nr. 2012010, bedrag: euro 5.475,--, en

* een factuur nr. 2012011, bedrag: euro 1.368,75, en

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-,

telkens voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en verdachtes mededader(s) wist(en) dat die facturen bestemd waren voor gebruik als ware zij echt

en/of

telkens van die valse facturen gebruik heeft gemaakt, als ware die geschriften echt, welk gebruik maken bestond uit:

- het opnemen van die valse facturen in de eigen administratie, en

- het verstrekken van die valse facturen aan [bedrijf 2] V.O.F. voor het doen opmaken van de jaarrekening/jaarrapportage over de jaren 2010, 2011 en 2012 en ter verwerking in de grootboekrekeningen en het doen van belastingaangiften over de jaren 2010, 2011 en 2012.

4.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een valse factuur van [bedrijf verdachte] aan [bedrijf 3] B.V., te weten een factuur nr. 2013002, bedrag: euro 3.000,--, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) dat die factuur bestemd was voor gebruik als ware zij echt

en

van die valse factuur gebruik heeft gemaakt, als ware dat geschrift echt, welk gebruik maken bestond uit

- het opnemen van die valse factuur in de eigen administratie, en

- het verstrekken van die valse factuur aan [bedrijf 2] V.O.F. ter verwerking in de grootboekrekening en het doen van belastingaangiften over het jaar 2013.

5.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 20 januari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen en alleen, meerdere malen in genoemde periode geldbedragen en goederen, te weten:

- geldbedragen tot een totaalbedrag van euro 24.970,--, welk bedrag in totaal contant is gestort op bankrekening ING [rekeningnummer 1] , en

- geldbedragen tot een totaalbedrag van euro 68.895,--, welk bedrag in totaal contant is gestort op bankrekening ING [rekeningnummer 2] ,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, en van die bovenomschreven geldbedragen de herkomst heeft verhuld, en

- goederen met een totale waarde van euro 39.597,52 en

- 2733 PaySafe kaarten, tot een totaalbedrag van euro € 240.685,-,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, en van die bovenomschreven goederen de herkomst heeft verhuld, en

- een totaal bedrag van euro 106.653,68, welk geldbedrag in totaal giraal is overgemaakt op de bankrekeningnummer(s) [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 4] (overgeboekt door/namens de firma [bedrijf 1] op basis van gefingeerde rekeningen),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, en van dat bovenomschreven geldbedrag de herkomst heeft verhuld,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven geldbedragen en goederen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf,

en verdachte (tezamen met zijn mededader(s)) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijf- en taalfouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en zal hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Overweging met betrekking tot het onder 3 en 4 bewezen verklaarde

De rechtbank stelt met betrekking tot het onder 3 en 4 ten laste gelegde vast dat het, blijkens de inhoud daarvan, kennelijk mede is toegesneden op het (mede)plegen van het delict bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. De rechtbank stelt voorts vast dat bij het tenlastegelegde gebruik maken en voorhanden hebben telkens het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt. Hetgeen de rechtbank onder 3 en 4 van het tenlastegelegde bewezen heeft verklaard levert derhalve niet enig strafbaar feit op. Dit brengt mee dat deze bewezenverklaarde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd. Verdachte dient ter zake van deze feiten dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overweging met betrekking tot het onder 5 bewezen verklaarde

Namens verdachte is met betrekking tot de contante stortingen (eerste en tweede gedachtestreepje) bepleit dat verdachte slechts geldbedragen op een bankrekening heeft gestort, zodat - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - sprake is van het enkele voorhanden hebben van onmiddellijk (mede) uit eigen misdrijf afkomstige gelden. Omdat in dergelijke gevallen een verhullingshandeling vereist is en het enkele storten van geld op een eigen bankrekening niet als zodanig kan gelden, dient ontslag van rechtsvervolging te volgen, aldus de verdediging.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de contante stortingen opbrengsten betreffen die onmiddellijk afkomstig zijn uit een of meer door verdachte zelf gepleegd(e) misdrij(f)ven. Gelet op de jurisprudentie met betrekking tot witwassen is in dergelijke gevallen een verhullingshandeling van de verdachte nodig om het feit als witwassen te kunnen kwalificeren. Nu verdachte ter zake van het onder de eerste twee gedachtestreepjes bewezenverklaarde niet meer heeft gedaan dan contant geld op zijn Nederlandse bankrekening storten, is in die gevallen van een verhullingshandeling geen sprake. De rechtbank zal daarom verdachte op die onderdelen ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het onder 2 en 5, derde tot en met vijfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47 juncto 420bis en 420ter Sr en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Deze artikelen zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;

feit 5

het misdrijf: gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde strafbare feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld, voor hetgeen hij bewezen acht, tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

De raadsman heeft in vergaande mate vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Voor zover de rechtbank tot een veroordeling van één of meer feiten komt, is door de raadsman, zakelijk weergegeven, verzocht te volstaan met een gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en een werkstraf van 240 uren. Daartoe is - onder meer - gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de oriëntatiepunten bij fraudedelicten.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. In het bijzonder neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid van 2000 gram hennep voorhanden gehad. Algemeen bekend is dat aan het bezit van dergelijke hoeveelheden softdrugs vele maatschappelijke bezwaren kleven. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende vijf jaren schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van geld en goederen voor een totaalbedrag van € 386.936,20. Hierbij werd onder meer gebruik gemaakt van een witwasconstructie die gepaard ging met het op grote schaal plegen van valsheid in geschrift.

Het witwassen van opbrengsten uit misdrijven vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende sanctie gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijke Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude. Bij een (benadelings)bedrag in de categorie tot € 500.000,- wordt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden passend geacht. In dit geval heeft verdachte zich niet alleen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, maar ook aan op grote schaal valsheid in geschrifte plegen én het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hennep.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 7 september 2016, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden - ook na de aanvangsdatum van het thans onder 5 bewezenverklaarde feit - is veroordeeld voor vermogensdelicten en feiten met betrekking tot de Opiumwet. De rechtbank constateert dat artikel 63 Sr van toepassing is en weegt voorts de recidive in het nadeel van verdachte mee.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsrapport over verdachte d.d. 14 november 2016. Daarin komt onder meer naar voren dat verdachte momenteel niet over een stabiel inkomen beschikt, maar dat hij daaraan wel werkt door in de import en export van auto's aan de slag te gaan. Verdachte heeft, naast andere gezondheidsklachten, gedurende meerdere jaren met een GHB-verslaving gekampt, maar geeft aan daar zelfstandig van te zijn afgekickt. Het risico op herhaling van strafbare feiten wordt door de reclassering op basis van de delictsgeschiedenis als hoog gemiddeld ingeschat. Ten einde gedragsverandering te bewerkstelligen adviseert de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en een drugsverbod.

Nu de verslavingsproblematiek van verdachte kennelijk onder controle is en ook op andere levensgebieden geen grote hulpvraag lijkt te bestaan, is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel en een daarmee te bereiken doelstelling ontbreekt. De rechtbank zal daarom volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voornoemde factoren afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

7.3

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen aangaande het beslag.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57, 63 en 91 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het onder 3, 4 en 5, eerste en tweede gedachtestreepje, bewezenverklaarde geen strafbare feiten oplevert en ontslaat verdachte voor die feiten van alle rechtsvervolging;

  • -

    verklaart het onder 2 en 5, derde tot en met vijfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 en 5, derde tot en met vijfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. G. Edelenbos en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

Buiten staat

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina's uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Onderzoek 04YSN14001 Mentos. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 ZD2, pagina 2130 e.v.

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 april 2015, ZD1, pagina1347.

4 Een proces-verbaal relaas van onderzoek van 22 december 2015, ZD2, pagina 2015

5 Een proces-verbaal van expertise hennep (test) d.d. 28 januari 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant] , ZD2, pagina 2213-2217.

6 ZD7, pagina 8525

7 ZD9, pagina 9005-9006.

8 ZD9, pagina 9006-9008.

9 ZD7, pagina 8441-7.

10 ZD7, pagina 8439-7 en 8440-7.

11 ZD7, pagina 8443-7.

12 ZD7, pagina 8442-7.

13 ZD7, pagina 8465-7.

14 ZD7, pagina 8463-7.

15 ZD7, pagina 8466-7.

16 ZD7, pagina 7362.

17 ZD7, pagina 7353 en 7354.

18 ZD7, pagina 7363 en 7364.

19 ZD7, pagina 7358.

20 Factuur: ZD7, pagina 8474-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 497, pagina 8471-7.

21 Factuur: ZD7, pagina 7566; bijbehorend proces-verbaal nr. 417, pagina 7563.

22 Factuur: ZD7, pagina 7567; bijbehorend proces-verbaal nr. 417, pagina 7563.

23 Factuur: ZD7, pagina 8446-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 433, pagina 8444-7.

24 Factuur: ZD7, pagina 7568; bijbehorend proces-verbaal nr. 417, pagina 7563.

25 Factuur: ZD7, pagina 8457-7; bijbehorend proces-verbaal nr.434, pagina 8455-7.

26 Factuur: ZD7, pagina 8436-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 436, pagina 8434-7.

27 Factuur: ZD7, pagina 7612; bijbehorend proces-verbaal nr. 420, pagina 7608.

28 Factuur: ZD7, pagina 8503-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 570, pagina 8500-7.

29 Factuur: ZD7, pagina 7613; bijbehorend proces-verbaal nr. 420, pagina 7608.

30 Factuur: ZD7, pagina 8494-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 536, pagina 8492-7.

31 Factuur: ZD7, pagina 8423-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 418, pagina 8420-7.

32 Factuur: ZD7, pagina 8424-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 418, pagina 8420-7.

33 Factuur: ZD7, pagina 8425-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 418, pagina 8420-7.

34 Factuur: ZD7, pagina 7634; bijbehorend proces-verbaal nr. 425, pagina 7631.

35 Factuur: ZD7, pagina 7370; bijbehorend proces-verbaal nr. 389, pagina 7367.

36 Factuur: ZD7, pagina 8387-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 395, pagina 8384-7.

37 Factuur: ZD7, pagina 7649; bijbehorend proces-verbaal nr. 405, pagina 7644.

38 Factuur: ZD7, pagina 7720; bijbehorend proces-verbaal nr. 503, pagina 7717.

39 Factuur: ZD7, pagina 7741; bijbehorend proces-verbaal nr. 430, pagina 7739.

40 Factuur: ZD7, pagina 7742; bijbehorend proces-verbaal nr. 430, pagina 7739.

41 Factuur: ZD7, pagina 7763; bijbehorend proces-verbaal nr. 426, pagina 7760.

42 Factuur: ZD7, pagina 7764; bijbehorend proces-verbaal nr. 426, pagina 7760.

43 Factuur: ZD7, pagina 7800; bijbehorend proces-verbaal nr. 398, pagina 7798.

44 Factuur: ZD7, pagina 7765; bijbehorend proces-verbaal nr. 426, pagina 7760.

45 Factuur: ZD7, pagina 7801; bijbehorend proces-verbaal nr. 398, pagina 7798.

46 Factuur: ZD7, pagina 7833; bijbehorend proces-verbaal nr. 391, pagina 7830.

47 Factuur: ZD7, pagina 7834; bijbehorend proces-verbaal nr. 391, pagina 7830.

48 Factuur: ZD7, pagina 7835; bijbehorend proces-verbaal nr. 391, pagina 7830.

49 Factuur: ZD7, pagina 7836; bijbehorend proces-verbaal nr. 391, pagina 7830.

50 Factuur: ZD7, pagina 7390; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

51 Factuur: ZD7, pagina 7386; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

52 Factuur: ZD7, pagina 7382; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

53 Factuur: ZD7, pagina 7381; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

54 Factuur: ZD7, pagina 7378; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

55 Factuur: ZD7, pagina 8388-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 395, pagina 8384-7.

56 Factuur: ZD7, pagina 7375; bijbehorend proces-verbaal nr. 388, pagina 7372.

57 Factuur: ZD7, pagina 8382-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 390, pagina 8380-7.

58 Factuur: ZD7, pagina 8383-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 390, pagina 8380-7.

59 Factuur: ZD7, pagina 8415-7; bijbehorend proces-verbaal nr. 416, pagina 8413-7.

60 2010: ZD7, pagina 7165 e.v.; 2011: ZD7, pagina 7169 e.v.; 2012: ZD7, pagina 7172 e.v.

61 ZD7, pagina7119 e.v.

62 ZD10, pagina 10011, 10014 en 10018.

63 ZD7, pagina 8355-7 en 8356-7, respectievelijk ZD10, pagina 10005.

64 ZD7, pagina7977.

65 ZD7, pagina 7975 en 7976.

66 ZD7, pagina 7975 en 7976.

67 ZD7, pagina 7175.

68 ZD7, pagina 7119 e.v.

69 ZD7, pagina 7017.

70 ZD7, pagina 7018-7020.

71 ZD7, overzicht vanaf pagina 7312 e.v.

72 ZD7, pagina 7197 e.v.

73 ZD7, pagina 7119 e.v.

74 ZD2, pagina 2015; Beslagdossier p. 11009 e.v. en 11106.

75 ZD2, pagina 2041 e.v. en 2045 e.v.

76 ZD7, pagina 7055 e.v.