Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5111

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
5374626 \ HA VERZ 16-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkneemster heeft bij ontslag per 1 augustus 2016 een vertrekpremie op basis van het Sociaal Plan ontvangen uitgaande van een werktijdfactor van 0,3 fte. Werkneemster meent aanspraak te kunnen maken op een hoger bedrag aan vertrekpremie en heeft dienaangaande een verzoek ingediend. Het verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4007
AR-Updates.nl 2016-1476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5374626 \ HA VERZ 16-123

Beschikking van de kantonrechter van 12 december 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,
wonende te [plaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. H.K. [verzoekster] ,

tegen

de stichting STICHTING ORTHOPEDAGOGISCH CENTRUM DE AMBELT,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verwerende partij, hierna te noemen De Ambelt,

gemachtigde: mr. E. van Zadelhoff.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen (genummerd 1 t/m 6) ingediend, ingekomen ter griffie op 19 september 2016. De Ambelt heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van bijlagen (genummerd 1 t/m 10).

1.2.

Op 28 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.3

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

[verzoekster] is bij De Ambelt in dienst gekomen op 4 november 2005. Tot 1 augustus 2006 was zij werkzaam als maatschappelijk werkster (full time). Aansluitend is zij vanaf 1 augustus 2006 werkzaam geweest als orthopedagoog/psycholoog. Tot 1 maart 2014 heeft zij in die functie full time gewerkt. Daarna heeft zij in deeltijd gewerkt, namelijk vanaf 1 maart 2014 tot 1 februari 2015 voor 0,9 fte, vanaf 1 februari 2015 tot 7 maart 2016 voor 0,8 fte en vanaf 7 maart 2016 tot 1 augustus 2016 voor 0,3 fte.

2.2

Op 8 september 2015 heeft De Ambelt haar organisatie geïnformeerd over het project ‘Ambelt Kiest Koers’, wat betrekking had op de overheveling van taken naar andere ketenpartners.

2.3

Op 29 januari 2016 schrijft [verzoekster] aan haar leidinggevende bij De Ambelt:

Hierbij het verzoek om mijn aanstelling per 07-03-2016 van wtf 0,8 te wijzigen naar wtf 0,3 in verband met een nieuwe aanstelling bij Trias.

Bij deze wil ik dus deeltijdontslag nemen voor wtf 0,5 vanaf bovengenoemde datum.

2.4

Op 5 februari 2016 schrijft De Ambelt aan [verzoekster] :

(…) Met ingang van 07-03-2016 treedt er een wijziging op in uw benoeming.

De werktijdfactor voor deze benoeming bedraagt 0,3000.

De benoeming vindt plaats in de functie Stafmedewerker Ambelt Academie.(…)

2.5

Op 7 maart 2016 is [verzoekster] naast haar dienstverband bij De Ambelt in dienst gegaan bij een jeugdzorg organisatie (Trias) voor 0,6 fte.

2.6

Op 23 maart 2016 wordt er tussen De Ambelt en de betrokken vakbonden een definitief akkoord bereikt over een over Sociaal Plan ten behoeve van de reductie van het personeelsbestand, die het gevolg is van ‘Ambelt Kiest Koers’.

2.7

In het Sociaal Plan is onder meer bepaald:

Artikel 3 Voorwaarde voor honorering aanvraag

Het verzoek van de werknemer om gebruik te maken van een maatregel uit dit Sociaal Plan kan door de werkgever slechts worden gehonoreerd indien de eventuele uitdiensttreding van de betreffende werknemer direct een bijdrage levert aan het behalen van de reductiedoelstelling, zoals bedoeld in bijlage 1

(…)

Artikel 13 Hardheidsclausule

a. a) In al die gevallen waarin het onverkort toepassen van de bepalingen van dit Sociaal Plan leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor een individuele werknemer, kan de werkgever op verzoek van de werknemer, besluiten (een onderdeel van) het Sociaal Plan buiten werking te laten.

(…)

Artikel 14 Maatregelen

(…)

c) De vertrekpremie bedraagt:

8 maandsalarissen (Beëindigings)overeenkomst datum einde dienstverband

getekend door werknemer 1 augustus 2016

vóór 1 mei 2016

(…)

2.8

Op 25 april 2016 ondertekenen [A] , voorzitter College van Bestuur, en [verzoekster] een ‘Vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:670b jo 7:900 e.v. BW’. Daarin is onder meer opgenomen dat partijen in aanmerking nemen:

(…) dat hij [de werknemer] rekening houdende met zijn werktijdfactor van 0,300 daarmee € 1.411,89 bruto per kalendermaand verdient. Dit bedrag is exclusief vakantie- en eindejaarsuitkering en andere arbeidsvoorwaarden;
(…) dat de werkgever het dienstverband met de werknemer wil beëindigen om bedrijfseconomische redenen, leidend tot opheffing van de betrekking;

dat de bedrijfseconomische redenen zijn vastgelegd en onderbouwd in het document ‘De Ambelt kiest koers’ en het sociaal plan d.d. 23 maart 2016;

(…) dat dit sociaal plan uitgangspunt is bij deze overeenkomst;(…)

Voorts is in de vaststellingsovereenkomst bepaald:

1.1

De arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van de werkgever (…) op 01 augustus 2016.

(…)

2.1

Werkgever betaalt werknemer een beëindigingsvergoeding van € 12.910,32 bruto inclusief vakantie- en eindejaarsuitkering en andere arbeidsvoorwaarden.

(…)

4.1

Werkgever stelt aan werknemer een maximum bedrag beschikbaar van € 3.000,00 exclusief btw, dat werknemer mag besteden aan het maken van kosten voor outplacement (…)

Artikel 16: Finale kwijting

Indien en zodra duidelijk is dat alle in de vaststellingsovereenkomst geformuleerde uitgangspunten gerealiseerd zijn en de beëindiging van de aanstelling definitief is, verlenen partijen elkaar finale kwijting. (…)

Artikel 17: Binnen 14 dagen na afsluiting overeenkomst

Binnen 14 dagen na afsluiting van deze overeenkomst, mag werknemer eenzijdig zijn instemming met deze overeenkomst herroepen. (…)

2.9

Eveneens op 25 april 2016 schrijft [verzoekster] in een brief aan de ‘bezwarencommissie Sociaal Plan’ het volgende:

Middels dit schrijven wil ik bezwaar indienen met betrekking tot de vertrekpremie die voor mij is bepaald. (…) Vanaf 7 maart heb ik deeltijdontslag ingediend in verband met een nieuwe baan en heb ik een aanstelling van 0,3 fte. De inhoud van het Sociaal Plan was mij toen niet bekend. Wanneer dit mij bekend was geweest, had ik mogelijk andere keuzes gemaakt. Het is mijns inziens onterecht dat de hoogte van mijn vertrekpremie is gebaseerd op de aanstelling van 0,3 fte aangezien ik de jaren daarvoor grotendeels fulltime heb gewerkt. Daarom vraag ik om een heroverweging van de hoogte van de vertrekpremie. Hopelijk kunt u bij u advisering rekening houden met de termijn van twee weken bedenktijd.

2.10

Op 13 juli 2016 schrijft De Ambelt aan [verzoekster]
(…)

De bezwarencommissie heeft ons het volgende laten weten.

“De bezwarencommissie besluit het College van Bestuur op grond van de hardheidsclausule (SP, art 13) te adviseren het bezwaar van [verzoekster] toe te kennen voor tenminste 0,2 fte. De reden is dat de bezwarencommissie van meming is dat de Ambelt [verzoekster] had moeten wijzen op de spoedige invoering van het Sociaal Plan.”

Wij laten u hierbij weten dat wij het advies van de bezwarencommissie niet overnemen en hierbij uw bezwaar afwijzen. (…)

3 Het verzoek

3.1

[verzoekster] verzoekt De Ambelt te veroordelen tot betaling van acht maandsalarissen c.a. conform het Sociaal Plan, vermenigvuldigd met de factor van haar gemiddelde werktijd zijnde 0,971 fte minus de reeds betaalde 0,3 fte (derhalve factor 0,667) dan wel te bepalen dat zij recht heeft op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding. Daarnaast vordert zij vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente en veroordeling van De Ambelt in de kosten van de procedure.

3.2

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij ten tijde van haar sollicitatie naar een andere baan en haar daaropvolgende deeltijdontslag door De Ambelt niet juist is geïnformeerd over het Sociaal Plan. [verzoekster] stelt dat in het najaar van 2015 al wel bekend werd dat De Ambelt bezig was met plannen om onderdelen van haar organisatie mogelijk elders onder te brengen. Uit gesprekken met haar leidinggevende kwam naar voren dat zij in dat geval mogelijk geen beroep zou kunnen doen op een nog nader te formuleren Sociaal Plan. Zij heeft daarom elders gesolliciteerd, hetgeen heeft geleid tot haar deeltijdontslag per 7 maart 2016. Daarna is op 23 maart 2016 het Sociaal Plan tot stand gekomen en heeft zij aanspraak kunnen maken op een vertrekpremie, die slechts was gebaseerd op de omvang van haar dienstverband van dat moment, te weten 0,3 fte. Als zij eerder had geweten dat zij wel in aanmerking kwam voor de regelingen in het Sociaal Plan, dan had zij wellicht andere keuzes gemaakt, bijvoorbeeld door te wachten met solliciteren.

In het bijzonder beroept zij zich erop dat De Ambelt de hardheidsclausule niet goed heeft toegepast. Volgens [verzoekster] moet de vertrekpremie die aan haar is toegekend op basis van een deeltijdfactor van 0,3 worden aangevuld tot een bedrag op basis van een deeltijdfactor van 0,971. Dit getal is gelijk aan de gemiddelde deeltijdfactor over haar dienstverband bij de Ambelt in de periode van 4 november 2005 tot 7 maart 2016.

3.3

De Ambelt heeft verweer gevoerd. De Ambelt voert aan dat er over de inhoud van het Sociaal Plan nog niets bekend was op het moment dat [verzoekster] besloot elders in dienst te treden. Bovendien was [verzoekster] sinds 2014 niet meer werkzaam als gedragswetenschapper maar verrichtte zij haar werk op de stafafdeling Innovatie & Kwaliteit en op de Ambelt Academie. Zij is derhalve door De Ambelt niet verkeerd geïnformeerd. Dat zij in die onzekere periode is gaan solliciteren, is een keuze die aan De Ambelt niet als verwijt kan worden tegengeworpen. Pas op 23 maart 2016, toen het deeltijdontslag van [verzoekster] al een feit was, is het Sociaal Plan tot stand gekomen. Zij heeft een aanvraag gedaan voor een vertrekpremie. Die is haar toegekend op basis van haar aanstelling die op het moment van beëindiging per 1 augustus 2016 nog 0,3 fte bedroeg. Het bezwaar van de bezwarencommissie kon evenmin tot een andere beslissing leiden. De bezwarencommissie is er namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat bij de opzegging door [verzoekster] op 29 januari 2016 een onjuiste opzegtermijn is gehanteerd en zij is er onterecht vanuit gegaan dat een opzegtermijn van een maand langer haar wel onder de werking van het Sociaal Plan had gebracht. De Ambelt zag daarom geen aanleiding om aan [verzoekster] een andere, hogere, vertrekpremie toe te kennen. De Ambelt concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter stelt vast dat het verweer van De Ambelt, ondanks door wat door hem ter zitting ter sprake is gebracht, niet is gebaseerd op de inhoud van de op 25 april 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst (zie 2.8) en evenmin op de daarin opgenomen finale kwijting, zodat de kantonrechter deze feiten niet zal betrekken in zijn beoordeling van het verzoek.

4.2

Ter zitting heeft [verzoekster] gesteld dat haar verzoek met name moet worden gelezen als een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 13 van het Sociaal Plan. Die clausule bepaalt dat De Ambelt het Sociaal Plan of een onderdeel daarvan buiten toepassing kan laten indien het onverkort toepassen van de bepalingen van het Sociaal Plan leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor een individuele werknemer. De Ambelt heeft in haar beslissing op het bezwaar van [verzoekster] , meegedeeld bij brief van 13 juli 2016 (zie 2.10), het bezwaar afgewezen en aldus - zo begrijpt de kantonrechter -, onverkort vastgehouden aan de werking van het Sociaal Plan. Gelet op de aard en strekking van die clausule acht de kantonrechter in dit geval terughoudendheid in de beoordeling op zijn plaats. Alleen wanneer geoordeeld moet worden dat de werkgever in redelijkheid niet tot die beslissing had kunnen komen - en daarmee dus ook niet in redelijkheid tot toekenning van een vertrekpremie op basis van 0,3 fte - is er aanleiding de aan [verzoekster] toegekende beëindigingsvergoeding bij te stellen.

4.3

De hoogte van de vertrekpremie die aan [verzoekster] is toegekend, is berekend op basis van de omvang van het dienstverband op dat moment, te weten 0,3 fte. [verzoekster] heeft betoogd dat dit uitgangspunt voor de berekening onterecht is.

4.4

De kantonrechter overweegt in verband daarmee dat uit artikel 3 van het Sociaal Plan volgt dat met behulp van de maatregelen uit het Sociaal Plan is beoogd personeelsreductie te realiseren (zie hiervoor onder 2.7). In dat kader is de vertrekregeling dus bedoeld om de onzekere situatie waarin een vertrekkende werknemer komt te verkeren in zekere mate te verzachten door toekenning van een vergoeding. [verzoekster] had op 1 augustus 2016 een baan elders voor 0,6 fte. Haar volledige vertrek bij De Ambelt per 1 augustus 2016 in het kader van het Sociaal Plan leverde voor De Ambelt slechts een personeelsreductie op van 0,3 fte, zodat in die zin geldt dat de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde beëindigingsvergoeding juist is berekend.

4.5

Vaststaat dat [verzoekster] zich in de periode na de zomervakantie van 2015 bezighield met werkzaamheden van de Ambelt Academie, ook al stond zij op dat moment nog te boek als gedragswetenschapper (orthopedagoog/psycholoog). Tevens staat vast dat in het najaar van 2015 nog niet duidelijk was of zij met haar functie-invulling bij de Ambelt Academie ook betrokken zou worden in de reorganisatie in verband met het traject ‘Ambelt Kiest Koers’. Gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd was er eind 2015/begin 2016 wel een verwachting dat er in enigerlei vorm een Sociaal Plan zou komen, maar het was binnen de organisatie nog niet duidelijk of [verzoekster] te zijner tijd daarvan op enige wijze gebruik zou kunnen maken.

4.6

[verzoekster] stelt dat die onzekerheden ter sprake zijn gekomen tijdens haar begeleidings/coachingsgesprekken met haar leidinggevende Reuvekamp. Zij voegt daaraan toe dat Reuvekamp haar in één van die gesprekken heeft geadviseerd om elders te gaan solliciteren en bij De Ambelt weg te gaan. Volgens [verzoekster] is dat advies de aanleiding geweest voor haar om dat daadwerkelijk te gaan doen. Dat de Ambelt haar daadwerkelijk heeft geadviseerd om weg te gaan, volgt niet uit de inhoud van de in geding gebrachte stukken. De Ambelt, bij monde van Reuvekamp, betwist bovendien dat hij gezegd zou hebben dat zij weg moest gaan bij De Ambelt. De mogelijkheid om een eind te maken aan de onzekerheid bij De Ambelt door zelf elders een andere baan te zoeken, is wel ter sprake gekomen, maar de keus daartoe is neergelegd bij [verzoekster] . Nu ook ter zitting niet naar voren is gekomen dat de leidinggevenden van [verzoekster] haar eind 2015/begin 2016 meer duidelijkheid hadden kunnen geven over haar positie binnen De Ambelt en de werking van het Sociaal Plan, kan de kantonrechter daar niet vanuit gaan.

4.7

Vaststaat dat [verzoekster] , ondanks of misschien juist vanwege de onzekerheid over haar positie bij De Ambelt, ervoor heeft gekozen om eind 2015 elders te gaan solliciteren. De eventuele risico’s die daaraan kleefden, hebben haar daarvan kennelijk niet weerhouden. Dit heeft eind januari 2016 geleid tot een baan elders, zodat zij op 29 januari 2016 haar baan bij De Ambelt voor 0,5 fte heeft opgezegd tegen 7 maart 2016. De Ambelt heeft dit deeltijd ontslag geaccepteerd, zodat [verzoekster] vanaf die datum nog voor een gedeelte van 0,3 fte bij De Ambelt in dienst bleef. Dit deeltijdontslag vecht [verzoekster] niet aan. Het ontslag per 7 maart 2016 staat derhalve en blijft ook staan. Op het moment van het ontslag waren de onderhandelingen over een Sociaal Plan nog gaande, waarbij gesteld noch gebleken is dat de (direct) leidinggevende op enigerlei wijze inhoudelijk kennis had van wat aan afvloeiingsregelingen werd besproken en voor welke functiegroepen die regelingen zouden gelden. Hierover werd pas op 23 maart 2016 een akkoord bereikt en het plan kreeg pas werking op 1 april 2016. Het op 29 januari 2016 verzochte, en per 7 maart 2016 verleende deeltijdontslag van [verzoekster] valt dus niet aan te merken als een ontslag dat voortvloeit uit of gerelateerd is aan het Sociaal Plan.

4.8

Dit is anders voor het na 7 maart 2016 resterende dienstverband bij de Ambelt van 0,3 fte. De Ambelt heeft naar aanleiding van een verzoek van [verzoekster] om ingevolge artikel 14 van het Sociaal Plan in aanmerking te mogen komen voor een vertrekpremie bij ontslag per 1 augustus 2016, ingestemd met dat verzoek. Gelet op die instemming is het niet van belang om in het kader van deze procedure nog nader in te gaan op het verweer van De Ambelt dat [verzoekster] vanwege haar feitelijke functie bij de Ambelt Academie eigenlijk geen recht had op een dergelijke vergoeding. De beëindigingsovereenkomst waarin de vergoeding is vastgelegd, is immers door beide partijen ondertekend op 25 april 2016.

4.9

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ertoe moeten leiden dat De Ambelt in voornoemde situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een andere berekening van de vertrekpremie had moeten komen, door in haar berekening ook de 0,5 fte te betrekken die zijn vrijgekomen door het deeltijdontslag van [verzoekster] voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Sociaal Plan. Dit geldt nog minder voor het verzoek van [verzoekster] om de berekening zelfs uit te voeren op basis van de gemiddelde werktijdfactor over het gehele dienstverband, wat volgens [verzoekster] uitkomt op een factor van 0,971. Dit oordeel leidt ertoe dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen.

4.10

Als in het ongelijk gestelde partij dient [verzoekster] te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Ambelt begroot op € 800,= voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

wijst het verzoek van [verzoekster] af;

5.2

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Ambelt begroot op € 800,= voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016. (ap)