Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5107

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
Awb 16/2009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aantal panden in Enschede niet aangewezen als gemeentelijk monument; verweerder heeft niet kunnen volstaan met algemene inventarisatie; beroep reed daarom gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/25
JGROND 2017/15 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2017/15 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2009

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting het Cuypersgenootschap, te Zoetermeer,

en

het dagelijks bestuur van Bond Heemschut,

eisers,

gemachtigden: L. Dubbelaar, namens beide eisers en T. van Dalfsen namens het dagelijks bestuur van Bond Heemschut,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder

gemachtigde: A. Haer.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

het College van Kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente te Enschede,

gemachtigde: mr. J. Keizer;

Vitens N.V., te Zwolle,

gemachtigde: ing. E.B.J. van Harn, specialist vastgoed;

[naam 1] , te Enschede;

[naam 2] , te Enschede;

[naam 3] , te Enschede;

[naam 4] , te Enschede;

[naam 5] te Enschede

en

[naam 6] , te Enschede.

Procesverloop

Bij een op 4 juni 2015 verzonden besluit van 28 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om de volgende panden niet aan te wijzen als gemeentelijk monument:

Bethelkerk (J.H. Boschstraat 30); Detakerk (H.B. Blijdensteinlaan 30); Maranathakerk (2e Emmastraat 60); Apostolisch genootschap (Van der Waalslaan 25); gebouwen van Vitens (Weerseloseweg 183); voormalig kantoor Menko (Voortsweg 131); hoofdgebouw waterzuivering (Lonnekerbrugstraat 175); de appartementencomplexen Laaressingel 1-23, Kortenaerstraat 20-30, Bentrotstraat 2-26, Oldenzaalsestraat 202-246 en Oliemolensingel 208-258.

Bij besluit van 11 juli 2016 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vanwege een foutieve ondertekening van de beslissing op bezwaar van 11 juli 2016, heeft verweerder dit besluit vervangen door een nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november 2016, ondertekend door de gemeentesecretaris en de burgemeester.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Eisers hebben de rechtbank op 22 november 2016 een nadere reactie doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016.

Eisers zijn verschenen in de personen van N.W.A. Vervat (het dagelijks bestuur van Bond Heemschut), ir. J. Astrego (lid van de provinciale commissie Overijsel van Erfgoed vereniging Heemschut), bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partijen, voor zover aanwezig, zijn verschenen in de personen van :

Ing. F. Olthof, als rentmeester werkzaam bij Noorderstaete rentmeesters, namens Vitens N.V.;

[naam 6] , eigenares van een tweetal appartementen in het appartementencomplex Kortenaerstraat 20-30 te Enschede en tevens bestuurslid/secretaris van de Vereniging van Eigenaren van dat appartementencomplex.

[naam 7] , eigenaar van het appartement aan de Bentrotstraat nr. 18 te Enschede en voorzitter van de Vereniging van Eigenaren van het flatgebouw Bentrotsstraat 2-26 te Enschede;

[naam 5] eigenares van het appartement aan de Bentrotstraat nr. 8 te Enschede en secretaris van de Vereniging van Eigenaren van het flatgebouw Bentrotsstraat 2-26 te Enschede;

[naam 4] , eigenaar van het appartement aan de Bentrotstraat 6 te Enschede;

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vooreerst vast dat verweerder met het besluit van

15 november 2016 een besluit heeft genomen dat niet tegemoet komt aan het beroep van eisers. Het beroep van eisers wordt dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit van 15 november 2016. Blijkens de begeleidende brief bij dat besluit treedt het nieuwe besluit volledig in de plaats van het besluit van 11 juli 2016.

Niet gesteld, noch gebleken is dat eisers nog enig belang hebben bij een beoordeling van het bestreden besluit van 11 juli 2016. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dat besluit vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

2. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

In 2008/2009 heeft de Overijsselse welstandscommissie Het Oversticht in opdracht van de gemeente Enschede de naoorlogse bouw in Enschede geïnventariseerd en daarbij uit 54 panden de meest waardevolle gebouwen geselecteerd en de gemeente geadviseerd deze panden aan te wijzen als gemeentelijk monument. In 2012 heeft de gemeenteraad van Enschede nieuw erfgoedbeleid vastgesteld, waarin onder meer is opgenomen dat het advies van Het Oversticht een vervolg moet krijgen en dat ten aanzien van deze panden de aanwijzingsprocedure wordt doorlopen. In het kader van de aanwijzingsprocedure zijn de betreffende panden door Het Oversticht afzonderlijk gewaardeerd aan de hand van de criteria “architectonische waarden”, “cultuurhistorische waarden” en “stedenbouwkundige waarden” en daarbij behorende subcriteria. Daarbij is ten aanzien van de 12 onder procesverloop genoemde panden in een redengevende omschrijving aangegeven waarom zij om hun specifieke waarden bescherming verdienen.

Bij brieven van 6 februari 2014 zijn de eigenaren van de verschillende panden, waaronder de derde belanghebbenden, in kennis gesteld van het voornemen om hun pand aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Nadat deze aanwijzing verder uitbleef, is in de gemeenteraad een motie ingediend met als doel verweerder op te dragen de panden alsnog aan te wijzen als gemeentelijk monument en daarbij een subsidieregeling vast te stellen voor tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud en renovatie verband houdend met de monumentenstatus. Deze motie is bij raadsbesluit van 15 december 2014 verworpen.

Eisers hebben bij gezamenlijke brief van 30 december 2014 verweerder verzocht om de onderhavige 12 panden alsnog op de monumentenlijst te plaatsen.

In zijn vergadering van 28 april 2015 heeft verweerder naar aanleiding van de door de verschillende eigenaren tegen het voornemen van 6 februari 2014 ingebrachte zienswijzen, besloten om de 12 hiervoor genoemde naoorlogse panden nu niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Daarbij is overwogen dat in de gemeenteraadsvergadering van 15 december 2014, de motie om de subsidieregeling voor een onderhoudsbijdrage voor monumenten, welke per 1 januari 2010 op nihil is gesteld, nieuw leven in te blazen, is verworpen. Daardoor kunnen de eigenaren niet financieel worden gecompenseerd voor de hogere kosten die gepaard gaan met de monumentenstatus, zoals extra kosten bij onderhoud en renovatie. Tevens is daarbij in aanmerking genomen dat de panden wel met de status “hoge attentiewaarde” worden opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart van Enschede (CHWK). Ook is daarbij beleid vastgesteld en een voorbereidingsbesluit “Cultuurhistorie Enschede” van kracht geworden waarin (gedeeltelijke) sloop is gekoppeld aan een vergunningenstelsel en de cultuurhistorische waarden een belangrijk afwegingscriterium vormen. Een en ander zal door middel van een paraplubestemmingsplan worden geregeld.

Bij schrijven van 4 juni 2015 heeft verweerder het primaire besluit tot afwijzing van het door eisers gedane verzoek om de 12 naoorlogse panden alsnog als gemeentelijk monument aan te wijzen, kenbaar gemaakt. Met brieven van dezelfde datum zijn de eigenaren van de verschillende panden in kennis gesteld van het besluit om de panden niet aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Eisers hebben tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit, zoals gewijzigd op 15 november 2016, heeft verweerder, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Enschede van 8 juli 2016, onder aanvulling van de motivering, het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met dat besluit en hebben daaraan ten grondslag gelegd dat:

 de panden waardevol zijn, dit algemene belang dient te prevaleren en de door de eigenaren ingebrachte bezwaren geen reden kunnen zijn om de panden niet aan te wijzen als gemeentelijk monument;

 verweerder de 12 panden over één kam heeft geschoren en onvoldoende voor ieder pand afzonderlijk heeft gemotiveerd waarom het belang van de eigenaar per geval zwaarder weegt;

 de monumentenlijst ook zonder subsidieregeling goed functioneert, de aanwijzingsprocedure in gang werd gezet ondanks het gegeven dat het subsidiebudget al in 2010 op nihil was gezet, terwijl bovendien kan worden gewezen op onder meer landelijke subsidiemogelijkheden;

 gelet op de ingediende bezwaren onduidelijk is of de door verweerder voorgestane bescherming middels de CHWK/het paraplubestemmingsplan zal standhouden, de bescherming middels de CHWK minder bescherming biedt dan een monumentenstatus, temeer nu in het ontwerp-paraplubestemmingsplan een overzicht met beschermde panden met redengevende omschrijving ontbreekt, en er geen lichtere procedure mag worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat, in verband waarmee sprake is van détournement de procédure;

 het besluit van 11 juli 2016 en de aan de eigenaren gerichte besluiten van 4 juni 2015 onbevoegd zijn genomen.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat thans niet het ontwerp-paraplubestemmingsplan "Cultuurhistorie Enschede" ter beoordeling voorligt, zodat de daartegen gerichte grieven onbesproken blijven. Uit de ondertekening van het bestreden besluit van 15 november 2016 volgt dat dat besluit is genomen door verweerder. Een eventuele onbevoegde ondertekening van de brieven van 4 juni 2016, wat daarvan zij, is gedekt door het bestreden besluit.

4.2

Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van eisers om de onderhavige 12 panden de status van gemeentelijk monument te verlenen, overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening Enschede 2010, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een bouwwerk kan aanwijzen als gemeentelijk monument.

Bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing van een bouwwerk als gemeentelijk monument geldt als uitgangspunt dat verweerder op zorgvuldige wijze kennis dient te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat verweerder de betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar dient af te wegen. De rechtbank dient dit te beoordelen. Verder geldt dat het college beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. De rechtbank dient te toetsen of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De ten tijde van de besluitvorming bestaande situatie is daarbij van belang. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4681).

Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat als in het kader van (de heroverweging van) het besluit omtrent het aanwijzingsverzoek door de eigenaar van het pand concreet wordt gesteld dat de monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam wordt gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de beoordeling van het aanwijzingsverzoek kunnen worden betrokken. Dit laat echter onverlet dat verweerder op zorgvuldige wijze kennis diende te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat verweerder de betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar diende af te wegen. Daarbij gaat het, blijkens het bestreden besluit, in de kern dus enerzijds om de bescherming van monumentale waarden van de bouwwerken en anderzijds om de negatieve gevolgen van de monumentenstatus voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop.

De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat de Overijsselse welstandscommissie Het Oversticht naar aanleiding van het op verzoek van verweerder in de jaren 2008/2009 uitgevoerde onderzoek heeft geadviseerd om deze 12 naoorlogse bouwwerken vanwege de door Het Oversticht in dat rapport per pand beschreven monumentale waarden, aan te wijzen als gemeentelijk monument. Evenmin is in geschil dat verweerder, gelet op de op 6 februari 2014 aan de eigenaren verzonden kennisgevingen, ook voornemens was om de panden de status van gemeentelijk monument te verlenen en ook in het primaire besluit vermeldt dat de monumentale waarden van de panden wordt onderschreven en dat de panden bescherming verdienen. Dit is ter zitting bevestigd. Daarmee is het algemene belang bij bescherming van de monumentale waarden van de panden gegeven. De vraag die ter beoordeling dan nog aan de rechtbank voorligt, is of verweerder voldoende heeft geïnventariseerd en kenbaar heeft afgewogen of sprake is van bijzondere, individuele belangen die erop neerkomen dat de negatieve gevolgen van de monumentenstatus, voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop, zwaarder wegen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte niet voor ieder pand afzonderlijk heeft geïnventariseerd en kenbaar heeft afgewogen van welke bijzondere, individuele belangen sprake is en waarom deze belangen bij niet-aanwijzing per pand zwaarder dienen te wegen. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met een algemene inventarisatie en afweging, die erop neerkomt dat het algemene belang bij aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument moet wijken als en zolang geen sprake is van een subsidieregeling met financiële ruimte om een eigenaar van een gemeentelijk monument op enigerlei wijze tegemoet te komen. Een dergelijke algemene inventarisatie en afweging gaat er ten onrechte aan voorbij dat de voorop gestelde doelstelling van aanwijzing is om monumentale waarden van panden te beschermen. Niet geïnventariseerd en kenbaar afgewogen is of en in hoeverre voor de onderhavige panden geldt dat sprake is van concrete voornemens voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop, die zwaarder dienen te wegen. De algemene stelling, dat door de monumentenstatus bepaalde ingrepen omgevingsvergunningplichtig worden, de panden moeilijker verkoopbaar zouden worden en hogere kosten onrechtvaardig zijn, is daarvoor onvoldoende, reeds nu niet per pand concreet is gemaakt of en in hoeverre van bepaalde ingrepen sprake zal zijn, of er concrete verkoopplannen zijn en in hoeverre de monumentenstatus de panden daadwerkelijk moeilijker verkoopbaar zouden maken. Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand houden.

Dat verweerder beoogt de onderhavige panden te beschermen door middel van het vastgestelde voorbereidingsbesluit “Cultuurhistorie Enschede” en het inmiddels ter inzage gelegde (ontwerp-)paraplubestemmingsplan “Cultuurhistorie Enschede”, door de panden met een “hoge attentiewaarde” op te nemen op de Cultuur Historische Waarden Kaart, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze bescherming het toetsingskader, dat geldt voor de aanwijzing van een gemeentelijk monument onverlet laat, terwijl de beoogde bescherming bovendien is beperkt tot bescherming tegen gehele of gedeeltelijke sloop. De onderhavige panden genieten daarmee dan ook niet dezelfde bescherming die geldt voor een gemeentelijk monument.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden, nu verweerder eerst voor ieder pand afzonderlijk een belangenafweging dient te maken.

7. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 november 2016 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 334,--vergoedt

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 41,-- (de reiskosten Zoetermeer- Zwolle v.v.).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juli 2016 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 15 november 2016 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 15 november 2016;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 41,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.