Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:510

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
C/08/181368 / KG ZA 16-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Retentierecht.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/189
JOM 2017/9
UDH:TvHB/13532 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/181368 / KG ZA 16-17

Vonnis in kort geding van 18 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij,

advocaat mr. N.M. Zeeman, advocaat te Zoetermeer, toegevoegd onder nummer 3IY3472,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] , mede handelend onder de naam Autohopper Zwolle ,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door de heer [A] , directeur-grootaandeelhouder.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 januari 2016

  • -

    de reactie van [gedaagde] d.d. 29 januari 2016

  • -

    de bij brief van 28 januari 2016 nader toegezonden productie van [eiser]

  • -

    de bij brief van 2 februari 2016 nader toegezonden producties van [gedaagde] .

1.2.

Op 4 februari 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [gedaagde] is ter zitting bijgestaan door mr. M.G. Roessingh. Beide partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnotitie nader toegelicht. [gedaagde] heeft ter zitting een nadere productie overgelegd.

1.3.

Ter zitting is meermalen gepoogd een minnelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen, maar deze pogingen hebben niet tot een schikking geleid.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft met ingang van 12 oktober 2015 van [gedaagde] een Toyota Yaris gehuurd. De Toyota is vervolgens omgeruild voor een Volkswagen Up met kenteken [xxxx] (hierna: de auto). Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing. De verwachte retourdatum van de auto was 22 oktober 2015. In overleg zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst zou worden verlengd tot 16 november 2015.

2.2.

Op 29 oktober 2015 hebben partijen een betalingsregeling afgesproken, waarbij is overeengekomen dat [eiser] uiterlijk 16 november 2015 € 700,00 diende te betalen aan [gedaagde] . [eiser] heeft dit bedrag niet voldaan.

2.3.

Na ommekomst van de huurtermijn heeft [gedaagde] [eiser] meermalen verzocht de auto in te leveren. Op 10 december 2015 heeft [gedaagde] de auto zelf opgehaald en meegenomen. In de auto lagen spullen die eigendom zijn van [eiser] (hierna: de goederen). [gedaagde] heeft de goederen opgeslagen.

2.4.

[gedaagde] heeft door middel van een afrekeningsfactuur d.d. 11 december 2015 een bedrag van € 2.081,79 aan [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft de factuur niet voldaan. [gedaagde] heeft vervolgens op 28 januari 2016 een nieuwe eindafrekening opgesteld en verstuurd aan [eiser] , thans voor een bedrag van € 3.533,79. [eiser] heeft ook die factuur niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt alle goederen die zij van [eiser] uit de Volkswagen Up heeft gehaald onvoorwaardelijk en volledig vrijgeeft aan [eiser] , binnen twee dagen op het eerste verzoek, maar in ieder geval binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] nalatig is aan dit vonnis te voldoen, onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskoten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is niet betwist en gelet op het gevorderde voldoende aannemelijk.

4.2.

In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de vordering van [eiser] een zodanige kans van slagen heeft in een eventuele bodemprocedure dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door hem gevorderde voorlopige maatregel voorshands gerechtvaardigd voorkomt. Daarbij zal de voorzieningenrechter uitgaan van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden en het daaromtrent gevoerde debat, zonder nadere bewijslevering.

4.3.

[eiser] heeft – kort samengevat – aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij van [gedaagde] een auto heeft gehuurd en dat partijen een nadere huurperiode overeen gekomen waren. Na afloop van de huurperiode wilde [eiser] de overeenkomst nogmaals verlengen. [eiser] heeft [gedaagde] steeds verzocht om een factuur op te stellen en aan hem te mailen, maar [gedaagde] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. Op 10 december 2015 heeft [gedaagde] de auto zonder medeweten van [eiser] meegenomen. In de auto lagen goederen van [eiser] , onder meer twee laptops, twee Ipads, contant geld, bankafschriften, administratie en allerlei kleding. Op de laptops staan de bedrijfsgegevens van [eiser] . [eiser] is daarom nu niet in staat zijn bedrijf uit te oefenen. [gedaagde] beroept zich onterecht op het retentierecht, omdat de eindafrekening – die bovendien tussentijds is verhoogd – onjuist is. Verder geldt dat het beroep van [gedaagde] op het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat [eiser] heeft aangeboden twee maanden huur te betalen en het meerdere van de eindafrekening op de derdengeldrekening van zijn advocaat te storten. Bovendien heeft [gedaagde] een tas met spijkerbroeken met een waarde van € 1.500,00 als borg onder zich.

4.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] na afloop van de huurtermijn op 16 november 2015 de auto niet heeft ingeleverd. Ondanks herhaald verzoek om de auto terug te brengen, heeft [eiser] dat nagelaten. Op 10 december 2015 heeft [gedaagde] de auto zelf opgehaald; de door [gedaagde] gehanteerde algemene voorwaarden bieden die mogelijkheid. [eiser] heeft de eindafrekening niet betaald. [gedaagde] beroept zich ter zake op haar retentierecht: pas wanneer [eiser] de eindafrekening betaalt, geeft [gedaagde] de goederen terug. De eindafrekening is inmiddels hoger geworden, omdat [gedaagde] aanvankelijk geen boete vorderde ad € 50,00 per dag voor de overschrijding van de huurperiode. [gedaagde] heeft [eiser] laten weten dat zij – bij gebreke van betaling van de eindafrekening – die boete alsnog in rekening zou brengen. Dat een medewerker van [gedaagde] de spijkerbroeken onder zich hield als borg is onjuist en bood ook geen enkele zekerheid. [gedaagde] wenst deze spijkerbroeken ter zitting terug te geven aan [eiser] .

4.5.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de spijkerbroeken die door de heer [V] , medewerker van [gedaagde] , onder zich werden gehouden en overigens geen deel uitmaken van onderhavig geschil, ter zitting zijn teruggegeven aan [eiser] .

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat de goederen die in de auto lagen toebehoren aan [eiser] . [eiser] is op grond van artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd om de goederen op te eisen in het geval [gedaagde] die goederen zonder recht of titel onder zich houdt. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat haar een retentierecht toekomt en dat zij daarom niet tot afgifte van de goederen verplicht is.

4.7.

Artikel 3:290 BW bepaalt dat de schuldenaar in de bij de wet aangegeven gevallen de bevoegdheid toekomt de nakoming van zijn verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldeiser op te schorten, totdat zijn eigen vordering op de schuldenaar is voldaan. Uit artikel 3:290 jo. artikel 6:52 BW vloeit voort dat de vordering van de schuldenaar, [gedaagde] , opeisbaar moet zijn en dat er tussen de vordering van de schuldenaar en zijn verplichting tot afgifte voldoende samenhang moet bestaan om de opschorting te rechtvaardigen.

4.8.

[eiser] heeft niet betwist dat de vordering van [gedaagde] opeisbaar is noch heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de vordering en de verplichting tot afgifte. Dit brengt mee dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat [gedaagde] in beginsel het recht heeft om de afgifte van de litigieuze goederen op te schorten totdat [eiser] de vordering van [gedaagde] heeft voldaan.

4.9.

[eiser] betoogt dat [gedaagde] geen gebruik zou mogen maken van haar retentierecht, omdat de afrekeningsfactuur niet klopt. Verscheidende posten op die factuur zijn niet juist en [gedaagde] heeft nadien – in strijd met de redelijkheid en billijkheid – een nieuwe hogere afrekeningsfactuur opgesteld.

4.10.

Aan [eiser] kan worden toegegeven dat het voor discussie vatbaar is of en in hoeverre [gedaagde] de eindafrekening nog mocht aanpassen nadat hij de eerste factuur d.d. 11 december 2015 reeds had verstuurd. Of [gedaagde] die mogelijkheid had, is in dit kort geding echter niet aan de orde. Voor de uitoefening van het – overigens door [eiser] op zich in dezen niet bestreden – retentierecht is relevant dat [gedaagde] een opeisbare vordering op [eiser] heeft. Het enkele feit dat de hoogte van die vordering betwist wordt, heeft niet tot gevolg dat dit retentierecht niet kon worden uitgeoefend. Tussen partijen staat bovendien vast dat [eiser] voor de huur van de auto geen vergoeding heeft betaald. [eiser] heeft weliswaar toegezegd dat hij de huurtermijnen wel wil betalen, maar de bijkomend in rekening gebrachte posten niet, doch van enige betaling is niet gebleken. Van misbruik van recht, zoals kennelijk door [eiser] wordt betoogd, is derhalve geen sprake.

4.11.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat het beroep van [gedaagde] op het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat [eiser] heeft aangeboden de huur te betalen en de overige bedragen op de derdengeldrekening van zijn advocaat te storten en [gedaagde] aan die constructie geen medewerking heeft willen verlenen. De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet. Voor het eindigen van een opschortingsrecht is niet voldoende dat de wederpartij, [eiser] , zich tot nakoming bereid en in staat verklaart. Het staat [gedaagde] in beginsel vrij om alleen akkoord te gaan met de volledige betaling van zijn vordering. Bovendien geldt dat [eiser] zijn toezeggingen om de huur te betalen op geen enkele wijze gestand heeft gedaan. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het onderhavige beroep op het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het is weliswaar denkbaar dat bij gedeeltelijke nakoming door [eiser] de ongewijzigde uitoefening van het retentierecht in strijd met de redelijkheid en billijkheid komt, maar van gedeeltelijke nakoming is – zoals reeds overwogen – geen sprake. Voor zover [eiser] heeft bedoeld dat [gedaagde] – mede gelet op de belangen aan de zijde van [eiser] – niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen en mogen maken van het retentierecht, treft dit evenmin doel. Dat [eiser] op dit moment niet in de gelegenheid is om zijn bedrijf uit te oefenen omdat hij geen beschikking heeft over zijn bedrijfsgegevens, is immers op geen enkele wijze onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

4.12.

De conclusie is dat [gedaagde] vooralsnog rechtmatig gebruik maakt van het haar toekomende retentierecht. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal, als de partij die in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ter zitting heeft mr. Roessingh uitdrukkelijk verklaard dat hij zich niet als advocaat heeft gesteld en dat hij alleen als adviseur optreedt namens [gedaagde] . Dat brengt mee dat de kostenveroordeling zich alleen uitstrekt over het door [gedaagde] betaalde griffierecht ad € 619,00.

4.14.

De voorzieningenrechter geeft partijen tenslotte nogmaals in overweging om hun geschillen in der minne op te lossen, waarbij is te denken aan een betalingsregeling en een gefaseerde teruggave van de goederen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 619,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.