Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5077

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
C/08/194901 / KG ZA 16-412
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Juridische misslag. Schorsing tenuitvoerlegging vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/194901 / KG ZA 16-412

Vonnis in kort geding van 22 december 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. A.J. van der Kolk te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde A.J.J. Vanhommerig te Enschede.

Partijen zullen hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de producties van [gedaagde] ;

- de mondelinge behandeling op 8 december 2016;

- de pleitnota van [eiseres] ;

- de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] drijft een onderneming in Enschede genaamd ‘The Saloon’. De broer van [eiseres] , [A] , is bij haar in dienst als bedrijfsleider.

2.2.

Bij verstekvonnis van 28 juli 2015 is Stichting Belana Bewind & Inkomensbeheer, in haar hoedanigheid van bewindvoerster van [A] , veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 31.387,74 aan [gedaagde] .

2.3.

Ter executie van dat vonnis van 28 juli 2015 heeft [gedaagde] op 18 september 2015 ten laste van [A] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [eiseres] . [eiseres] is daarbij onder meer aangezegd tot het doen afleggen van een (buitengerechtelijke) verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv.

2.4.

Bij brieven van 20 oktober en 30 november 2015 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan [eiseres] bericht dat [eiseres] in gebreke is gebleven met het doen afleggen van de buitengerechtelijke verklaring.

2.5.

[gedaagde] is vervolgens tegen [eiseres] een procedure bij de kantonrechter te Enschede gestart.

2.6.

De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van

4 oktober 2016 onder meer geoordeeld:

De kantonrechter komt, op basis van het voorgaande en in samenhang met hetgeen reeds is overwogen in voormeld tussenvonnis, tot de conclusie dat [eiseres] geen deugdelijke verklaring heeft afgelegd en dat [eiseres] daarom veroordeeld dient te worden tot betaling van de bedragen waarvoor onder haar beslag is gelegd ten laste van [A] , als ware zij zelf de schuldenaar.”.

2.7.

[eiseres] is in hoger beroep gegaan van het vonnis van 4 oktober 2016.

2.8.

Tussen partijen is gecommuniceerd over de mogelijkheden van het treffen van een betalingsregeling.

2.9.

Ter executie van het vonnis van 4 oktober 2016 heeft [gedaagde] op

7 november 2016 ten laste van [eiseres] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder

ABN AMRO en onder Rabobank.

2.10.

Ter executie van het vonnis van 4 oktober 2016 heeft [gedaagde] eveneens op 8 november 2016 ten laste van [eiseres] de roerende zaken in het pand van The Saloon in executoriaal beslag genomen waarbij tevens is aangezegd dat de openbare verkoop van de inbeslaggenomen roerende zaken zal plaatsvinden op 9 december 2016 te 11.00 uur.

2.11.

[eiseres] heeft op 6 december 2016 onderhavig kort geding ingeleid.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde]

primair:

I. gebiedt de ten uitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 4 oktober 2016

met onmiddellijke ingang na betekening van het te wijzen vonnis (althans binnen zodanige tijd als de voorzieningenrechter meent te behoren) te staken en gestaakt te houden totdat het in hoger beroep te wijzen arrest in kracht van gewijsde is gegaan, althans voor de duur die de voorzieningenrechter in goede justitie nodig acht, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

II. gebiedt alle ten laste van [eiseres] gelegde (derden)beslagen, waaronder doch niet

uitputtend, het executoriale beslag op de roerende zaken van The Saloon, het executoriale

derdenbeslag onder RIBW Groep op het loon van [eiseres] en het executoriale derdenbeslag onder ABN AMRO en de Rabobank op de rekeningen van [eiseres] , met onmiddellijke ingang na het betekenen van het te wijzen vonnis (althans binnen zodanige tijd als de voorzieningenrechter meent te behoren) op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

III. gebiedt binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, het reeds geëxecuteerde,

onder andere het loon van [eiseres] over de maand november 2016 ad € 1.469,- , te betalen op haar rekening met het nummer [xxxx] t.n.v. [eiseres] . zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

subsidiair:

IV. gebiedt, voor het geval de voorzieningenrechter de primaire vordering onder III niet zou

toewijzen, binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis een beslagvrije voet in de zin van artikel 475 d Rv vast te stellen en de beslagvrije voet over het reeds geïncasseerde loon van november 2016 te betalen aan [eiseres] op haar rekening met het nummer

[xxxx] t.n.v. [eiseres] . Zulks op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

meer subsidiair:

V. gebiedt, voor het geval dat de voorzieningenrechter de primaire en secundaire

vorderingen onder II, III en IV niet zou toewijzen, een beslagvrije voet in de zin van

artikel 475 d Rv vast te stellen voor het executoriale derdenbeslag op het loon van [eiseres] , ingaande per 1 december 2016. Zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom,

in alle gevallen:

VI. veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten ad € 131,- zonder betekening van

het in deze te wijzen vonnis c.q. ad € 199,- ingeval van betekening, te vermeerderen met de

wettelijke rente over alle kosten vanaf de vijftiende dag na de dag waarop het onderhavige vonnis wordt gewezen,

althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht.

4 De beoordeling

4.1.

Met de stelling van [eiseres] dat zij haar onderneming op korte termijn zal moeten staken indien de executie niet geschorst wordt, is het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven. [eiseres] is ontvankelijk in haar vorderingen.

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

[eiseres] stelt dat het te executeren vonnis van 4 oktober 2016 van de kantonrechter te Enschede op een juridische misslag berust. De kantonrechter heeft aan de door [gedaagde] ingenomen - en door de kantonrechter juist geachte - stelling dat de verklaring onjuist zou zijn, onterecht het gevolg verbonden dat [eiseres] daarmee zelf aansprakelijk zou zijn voor de gehele schuld van haar werknemer [A] .

4.4.

[gedaagde] betwist dat het te executeren vonnis van 4 oktober 2016 van de kantonrechter te Enschede op een juridische misslag berust. Het vonnis is correct en geheel in lijn met de wet. Het onderhavige kort geding moet worden aangemerkt als een verkapt appel, aldus [gedaagde] .

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] een (gerechtelijke) derdenverklaring heeft afgelegd. Gelet op de inhoud van de stellingen van partijen en de inhoud van de in het geding gebrachte stukken, constateert de voorzieningenrechter dat de procedure die [gedaagde] is gestart bij de kantonrechter - en die heeft geleid tot het tussenvonnis van

31 mei 2106 en het eindvonnis van 4 oktober 2016 -, dan ook moet worden aangemerkt als de zogenaamde betwistingsprocedure (of eigenlijke verklaringsprocedure) zoals geregeld in artikel 477a lid 2 Rv.

4.7.

Partijen twisten over wat het (juridische) gevolg moet zijn van het afleggen van een, zoals door de kantonrechter bij vonnis van 4 oktober 2016 geoordeeld, ondeugdelijke derdenverklaring.

4.8.

Artikel 477a lid 2 Rv luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

Indien de derde-beslagene wel (onderstreping voorzieningenrechter) een verklaring heeft afgelegd, is de executant bevoegd deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter (onderstreping voorzieningenrechter) aan de executant zal blijken toe te komen. (…)”.

4.9.

De kantonrechter overweegt - in die lijn - in haar tussenvonnis:

“Bestrijdt de beslaglegger ook deze verklaring, dan is het de rechter die vervolgens de juiste inhoud ervan vaststelt. (...).”.

4.10.

In het eindvonnis van 4 oktober 2016 oordeelt de kantonrechter evenwel dat, nu [eiseres] een ondeugdelijke verklaring heeft afgelegd, [eiseres] moet worden veroordeeld tot betaling van de bedragen waarvoor onder haar ten laste van [A] beslag is gelegd, als ware zij zelf de schuldenaar.

4.11.

De kantonrechter haakt daarmee in haar eindvonnis niet aan bij

artikel 477a lid 2 Rv, maar aan de (forse) sanctie van artikel 477a lid 1 Rv, dat ziet op het geval dat de derde-beslagene in gebreke blijft een verklaring te doen ( “Indien de derde-beslagene in gebreke blijft verklaring te doen, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar, (…)” . Lid 1 van artikel 477a Rv mist hier echter toepassing, nu in dit geval geen sprake is van ‘het niet doen’ van een verklaring, maar van ‘het doen’ van een verklaring (die ondeugdelijk is geoordeeld door de kantonrechter).

4.12.

Er is, afgezien van het antwoord op de vraag of de kantonrechter partijen niet (ontoelaatbaar) heeft verrast met haar einduitspraak (waarmee partijen, gelet op de overwegingen in het tussenvonnis, geen rekening behoefden te houden), naar het schijnt sprake van een juridische misslag in het vonnis van 4 oktober 2016. Het juridische gevolg dat de kantonrechter heeft verbonden aan de afgelegde, (inhoudelijk) ondeugdelijke, verklaring van [eiseres] , is niet in overeenstemming met de gevolgen die de wet verbindt aan een afgelegde, ondeugdelijke, verklaring.

4.13.

Gezien de aard van de juridische misslag is er in deze procedure geen sprake van een verkapt appel, zoals [gedaagde] meent.

4.14.

Hetgeen hiervoor is overwogen is van dien aard dat onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet aanvaardbaar is. In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter enkel de primaire vordering zoals gevorderd onder I. toewijsbaar.

De executie van het vonnis van de kantonrechter te Enschede op 4 oktober 2016 dient te worden geschorst.

4.15.

De overige vorderingen dienen aan de orde te komen in de reeds aangevangen appelprocedure en zijn voor de beoordeling afhankelijk van het oordeel van het Hof in die procedure.

4.16.

Voor het vaststellen van een beslagvrije voet, zoals door [eiseres] gevorderd, ziet de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding. [eiseres] heeft, na gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd gesteld dat het vaststellen van een beslagvrije voet noodzakelijk is. Uit de inhoud van de door [gedaagde] als productie 9 en 11 overgelegde (door [eiseres] zelf ingevulde) inkomensgegevens van [eiseres] , blijkt afdoende van neveninkomsten die de voor haar toepasselijke wettelijke norm van gehuwden overschrijden.

4.17.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.

4.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 81,41

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.185,41.

4.19.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel te Enschede van 4 oktober 2016 te schorsen en geschorst te houden totdat op het door [eiseres] daartegen ingestelde hoger beroep bij eindarrest is beslist,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.185,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.