Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5071

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
ak_16_2763_2764
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1418, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor uitbreiding woning op onjuiste gronden verleend; nieuwe bouwdeel niet aan te merken als een aanbouw of als een uitbouw; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2763 en Awb 16/2764

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] te Oldenzaal, verzoekers,

gemachtigde: H.A.M. Plegt,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Oldenzaal,

gemachtigde: mr. R. de Kamper.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde belanghebbende] (hierna te noemen: [naam 1] ) een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ ten behoeve van het uitbreiden van een woning op het perceel [adres 1] te Oldenzaal.

Bij besluit van 13 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Van verzoekers is [naam 2] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M. Ankone. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De in geding zijnde omgevingsvergunning betreft de uitbreiding van de woning van [naam 1] op het perceel [adres 1] te Oldenzaal. Verzoekers wonen op het naastgelegen perceel [adres 2] en zijn daarom belanghebbende bij de aan [naam 1] verleende omgevingsvergunning. Nu [naam 1] gestart is met de bouwwerkzaamheden en deze beoogt voort te zetten, hebben verzoekers een voldoende spoedeisend belang.

3. [naam 1] heeft op 13 april 2016 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van het uitbreiden van zijn woning aan de [adres 1] te Oldenzaal.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Meijbree-Haerbroek”. Het onderhavige perceel heeft de bestemming ‘Wonen’. Het bouwplan van [naam 1] voorziet in een uitbreiding van zijn woning aan de zij- en achterkant.

Verweerder heeft bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, besloten medewerking aan het bouwplan te verlenen door afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten 2°, van de Wabo.

4. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben

– kort samengevat – het volgende aangevoerd:

a. in de omgevingsvergunning wordt ten onrechte in het midden gelaten of er sprake is van een aanbouw of een uitbouw. Dit is onzorgvuldig nu het bestemmingsplan (artikel 1.1) wel onderscheid maakt tussen een aanbouw en een uitbouw;

b. het nieuwe bouwdeel kan niet als een aanbouw worden gekwalificeerd omdat het in architectonisch opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en niet, althans onvoldoende, kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw;

c. het nieuwe bouwdeel wordt tot op de zijdelingse perceelgrens gebouwd. Op grond van artikel 5.2.2, lid b, van de planregels dient de afstand van de woning tot de zijdelingse

perceelgrens minimaal 3 meter te bedragen.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2,1, eerste lid, onder c, van de Wabo slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd in met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

5.2

Op het perceel [adres 1] te Oldenzaal is het bestemmingsplan “Meijbree-Haerbroek” van toepassing en rust de bestemming ‘Wonen (W2)’.

Ingevolge artikel 5.1 van de bij het bestemmingsplan horende planvoorschriften zijn de op de plankaart voor ‘wonen’ aangewezen gronden bestemd voor woningen in maximaal twee bouwlagen.

5.3

Ingevolge artikel 5.2.2, onder g, gelden voor het bouwen van bijgebouwen, aan- en uitbouwen de volgende bepalingen:

“1. de bijgebouwen, aan- en uitbouwen dienen minimaal 2 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met dien verstande dat voor zover de bijgebouwen, aan- of uitbouwen voor of op gelijke hoogte met de achtergevel worden gebouwd deze uitsluitend aan een zijde van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd;

2. de hoogte en de goothoogte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen mogen maximaal bedragen:

a. 6,5 m respectievelijk 3 m over een afstand van:

- 15 m vanaf de voorgevel of het verlengde daarvan van het hoofdgebouw bij vrijstaande en

dubbele woningen;

12 m vanaf de voorgevel of het verlengde daarvan van het hoofdgebouw bij overige woningen;

b. 4,5 m respectievelijk 3 m in overige gevallen;

3. de dakhelling van bijgebouwen, aan- en uitbouwen mag maximaal 50° bedragen;

4. bij vrijstaande woningen mag aan de onbebouwde zijde van het hoofdgebouw uitsluitend een uitbouw worden gebouwd waarvoor de volgende bepalingen gelden:

- de uitbouw dient minimaal 2 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

- de afstand van de uitbouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens dient minimaal 2 m te bedragen;

- de breedte en de diepte van de uitbouw mogen maximaal 1,5 m respectievelijk 50% van de diepte van het hoofdgebouw bedragen;

- de hoogte van de uitbouw mag maximaal 3,5 m bedragen.”

5.4

Ingevolge de begripsbepalingen in artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder:

aanbouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

6. Verweerder heeft het bouwplan van [naam 1] aangemerkt als zowel een aanbouw als een uitbouw van de woning en heeft vervolgens het bouwplan getoetst aan de voor aan- en uitbouwen geldende planvoorschriften, opgenomen in artikel 5.2.2. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat het een aanbouw betreft omdat de uitbreiding een afzonderlijke ruimte is aan het bestaande hoofdgebouw, daarmee in directe verbinding staat en door de vorm en het materiaalgebruik architectonisch ondergeschikt is. Er is sprake van een uitbouw omdat de uitbreiding een vergroting is van een bestaande ruimte, aan het bestaande hoofdgebouw wordt gebouwd en door de vorm kan het onderscheiden worden van het hoofdgebouw en door de vorm en het materiaalgebruik is het voorts architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

7. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat verweerder integraal aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat, om het nieuwe bouwdeel als door de vorm onderscheiden en in architectonisch ondergeschikt te achten, het volgende van belang is geacht. Het nieuwe bouwdeel wordt in andere materialen en kleurstelling uitgevoerd. Het nieuwe bouwdeel heeft – in tegenstelling tot de bestaande woning – geen kap, loopt op de begane grond in de breedte verder door en heeft op de eerste verdieping een schuine wand. Het nieuwe bouwdeel wordt uitgevoerd in antraciet geverfd hout, heeft enkele verspringingen en loopt uit in een luifelrand met daarvoor een grote raampartij. Het bestaande hoofdgebouw betreft een klassiek woonhuis met bakstenen en een kap.

Het bestaande hoofdgebouw is 7.8 meter diep. Het nieuwe bouwdeel meet 6.6. meter tot aan het einde van de luifelrand en is op de begane grond 1,7 meter breder. Het nieuwe bouwdeel is lager en kleiner dan het bestaande hoofdgebouw, heeft een iets verlaagde glazen overgang van een meter en een luifelrand van een meter. Het nieuwe bouwdeel heeft een zelfstandige dakconstructie en hoewel de goothoogte aan één kant gelijk is aan het bestaande hoofdgebouw, loopt vanwege de glazen overgang de goot niet door. De commissie onderkent dat het nieuwe bouwdeel qua volume bijna even groot is als de bestaande woning, maar wat betreft de uiterlijke verschijningsvorm kan het duidelijk worden onderscheiden van het bestaande hoofdgebouw en is het tevens architectonisch onderschikt aan het bestaande hoofdgebouw.

8. De voorzieningenrechter is gelet op de overgelegde stukken, tekeningen en foto-impressies van oordeel dat het nieuwe bouwdeel niet is aan te merken als een aanbouw of als een uitbouw. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het nieuwe bouwdeel door de uiterlijke verschijningsvorm weliswaar kan worden onderscheiden van de bestaande woning, maar dat het nieuwe bouwdeel niet als architectonisch ondergeschikt is aan te merken. Voor dat oordeel acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat het nieuwe bouwdeel slechts iets minder diep is dat de bestaande woning (1,2 meter), maar 1,7 meter breder is en het volume van het bestaande bouwdeel nagenoeg gelijk is. Het nieuwe bouwdeel bevat, net als de woning twee verdiepingen, die geheel ten dienste staan aan de woonfunctie. Het enkele feit dat de kap van de bestaande woning maakt dat de bestaande woning iets hoger is, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Door de omvang, inhoud en uiterlijke verschijningsvorm is het nieuwe bouwdeel naar het oordeel van de rechtbank daarom niet als architectonisch ondergeschikt aan de bestaande woning aan te merken. Dat het nieuwe bouwdeel vanaf de straatzijde niet geheel zichtbaar is, maakt dat niet anders.

9. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een aanbouw of uitbouw, heeft verweerder het bouwplan van [naam 1] ten onrechte enkel getoetst aan artikel 5.2.2, onder g, van de planvoorschriften.

Hieruit volgt dat de verleende omgevingsvergunning op onjuiste gronden is verleend. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Het beroep daartegen is gegrond. Wat voor het overige is aangevoerd, blijft daarom buiten beschouwing.

Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekers te nemen. In het kader van deze heroverweging dient beoordeeld te worden of er een andere rechtsgrond voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning bestaat.

10. Omdat het beroep gegrond is en verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 30 juni 2016 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

11. Omdat het beroep gegrond is en een voorlopige voorziening wordt getroffen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder reiskosten ad € 25,74 te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van totaal € 336,00 aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van totaal

€ 1.513,74.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.