Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:5062

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/2068 en 16/2069
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlening omzettingsvergunning kamerverhuur te Deventer; te beperkte invulling gegeven aan de belangenafweging; beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/2068 en 16/2069

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

wonende te Deventer, eiseres 1,

[eiseres 2] ,

wonende te Deventer, eiseres 2,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.H. Hutten-Bekemeijer.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde partij een omzettingsvergunning verleend voor het pand [adres] Deventer.

Bij besluit van 11 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard. Eiseressen hebben daartegen ieder voor zich beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016.

Eiseres 1 is verschenen. Eiseres 2 is eveneens verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is niet verschenen.

Ter zitting zijn beide beroepen gevoegd behandeld.

Overwegingen

1. De derde partij is eigenaar van de woning op het perceel [adres] Deventer. Op 5 januari 2016 heeft de derde partij voor dit pand een aanvraag omzettingsvergunning kamerverhuur bij verweerder ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag is door diverse omwonenden, waaronder eiseressen, een zienswijze ingediend.

Op 4 maart 2016 heeft verweerder het primaire besluit genomen, waartegen eiseres 2 op 6 april 2016 bezwaar heeft gemaakt. Eiseres 1 heeft op 12 april 2016 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft de bezwaren ter advisering aan de algemene bezwaarschriftencommissie voorgelegd. Deze heeft verweerder op 28 juni 2016 geadviseerd het primaire besluit in stand te laten, waarna verweerder conform heeft beslist.

2. In artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is - samengevat - bepaald dat het verboden is een woonruimte zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

In de Huisvestingsverordening Deventer 2015 (de Verordening) heeft de gemeenteraad de kaders voor de vergunningverlening opgenomen.

In artikel 2.2, eerste lid, van de verordening is bepaald dat de omzettingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van het college het met de omzetting gediende belang groter is dan het belang van het behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad.

In het tweede lid is bepaald dat het college rekening houdt met de belasting van het woon- en leefmilieu en een evenwichtige spreiding van kamerverhuurpanden.

Ingevolge het derde lid wordt de omzettingsvergunning in elk geval geweigerd indien verlening ertoe zal leiden dat meer dan 7,5% van de tot bewoning bestemde gebouwen met dezelfde postcode wordt gebruikt als kamerverhuurpand.

In artikel 2.5. zijn de weigeringsgronden opgenomen. Zo kan de vergunning worden geweigerd indien het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de omzetting gediende belang en dat belang niet kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning. Ook kan de vergunning worden geweigerd indien het verlenen ervan zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het pand.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

In de toelichting bij de Verordening is opgenomen dat in artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening is aangegeven in welke gevallen het college een omzettingsvergunning verleent. Het uitgangspunt is dat een gebruiksverandering alleen iets in de weg mag worden gelegd, wanneer het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad opweegt tegen het met de omzetting gediende belang. De toelichting voegt daar aan toe dat het toetsingscriterium, zoals dat in artikel 31 (rechtbank: lees 21) van de Huisvestingswet is voorgeschreven is: ‘behoud of samenstelling’ van de woonruimtevoorraad.

Leefbaarheid kan daarbij een rol spelen. Negatieve effecten op de omgeving dienen daarbij te worden beperkt. Het college moet steeds rekening houden met de belasting van het woon- en leefmilieu en een evenwichtige spreiding van kamerverhuurpanden.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het met de omzetting gediende belang heeft opgevat als het belang van de vergunninghouder. Volgens verweerder is het belang van de vergunninghouder gegeven nu deze een aanvraag voor een omzettingsvergunning heeft ingediend. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder desgevraagd opgemerkt dat het belang van de derde partij financieel of commercieel kan zijn. Ook kan het belang van de derde partij het huisvesten van studenten zijn, zo is namens verweerder gesteld. Daar heeft verweerder evenwel geen onderzoek naar gedaan.

Bij de afweging als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening, moet het college rekening houden met de belasting van het woon- en leefmilieu en een evenwichtige spreiding van kamerverhuurpanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij die beoordeling heeft beperkt tot het antwoord op de vraag of verlening ertoe zal leiden dat meer dan 7,5% van de (kort gezegd) woningen met dezelfde postcode wordt gebruikt als kamerverhuurpand. Nu die vraag ontkennend is beantwoord, is verweerder van oordeel dat de vergunning kan worden verleend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, zoals eiseressen hebben gesteld, op deze wijze toetsende, een te beperkte invulling gegeven aan de belangenafweging die op grond van de Verordening dient te worden gemaakt. Niet alleen is niet helder geworden wat het met de omzetting gediende belang is, maar evenmin waarom dat belang zwaarder moet wegen dan dat van het behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de in het tweede lid van artikel 2.2 genoemde belangen kunnen worden teruggebracht tot een toets aan de ‘postcodenorm’ uit het derde lid. Zoals door gemachtigde van verweerder ter zitting ook is bevestigd, is ‘postcodenorm’ niet het enige criterium. In de besluitvorming heeft verweerder daar evenwel geen blijk van gegeven. Zulks klemt eens te meer, nu de derde partij in de woning 8 kamers wil realiseren. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat gebruik is gemaakt van de in artikel 2.2, vierde lid, van de Verordening opgenomen bevoegdheid om nadere voorschriften te stellen. Daarom is het aantal kamer vastgesteld op maximaal 8. De rechtbank overweegt dat van een uitdrukkelijke afweging op dit punt niet is gebleken. In de aanvraag heeft de derde partij te kennen gegeven 5 of 6 kamers te willen realiseren. Omdat de aanvraag op dit punt onduidelijk was heeft verweerder de derde partij om aanvullende gegevens gevraagd. Deze heeft verweerder laten weten dat de aanvraag betrekking had op 8 kamers. In het primaire besluit heeft verweerder dit aantal zonder nadere afweging overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank was voor een afweging op dit punt aanleiding, aangezien de woning van de derde partij een tussenwoning is, gelegen tussen de woningen waar eiseressen wonen. Het toelaten van 8 kamers kan een flinke impact hebben op het woon- en leefklimaat van eiseressen. Het enkele betoog van verweerder dat op voorhand niet kan worden gezegd dat concrete signalen zijn dat er overlast zal ontstaan is daartoe onvoldoende.

Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven en dat de daartegen ingestelde beroepen gegrond dienen te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, aangezien thans niet met zekerheid is te stellen hoe de belangenafweging zal uitvallen. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiseressen dienen te beslissen.

4. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die eiseres 2 in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Eiseres 1 heeft zich niet laten bijstaan door een professionele gemachtigde, zodat in haar geval een veroordeling in de proceskosten niet aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiseressen te beslissen, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eiseres 1 vergoedt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eiseres 2 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 tot een bedrag van € 992,-- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.