Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4984

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
5399148 \ HA VERZ 16-125
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ontbinding met toekenning van billijke vergoeding van € 65.000,= wegens verwijtbaarheid werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1427
AR 2016/3864
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5399148 \ HA VERZ 16-125

Beschikking van de kantonrechter van 14 december 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen werkgever,

advocaat: mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen werknemer,

advocaat: mr. A.H.J. Cornelissen te Huissen.

1 De procedure

1.1.

Werkgever heeft een verzoek ingediend met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Werknemer heeft een verweerschrift met tegenverzoeken ingediend.

1.2.

Op 30 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    Werkgever, vertegenwoordig door de heer [A] , bijgestaan door mr. Geeraths, voornoemd,

  • -

    Werknemer, in persoon, bijgestaan door mr. Cornelissen, voornoemd.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting heeft Werkgever bij brieven van 27 september en 14 oktober 2016 nog stukken overgelegd. Mr. Geeraths heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen (verder) ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

Werknemer, geboren op [1959] , is op 1 januari 2015 in dienst getreden bij werkgever in de functie van financieel directeur, laatstelijk tegen een (bruto)salaris van

€ 8.500,00 per maand.

In de op 6 januari 2015 door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd) is - voorzover van belang - het volgende bepaald:

“Artikel 1 Aard dienstverband en proeftijd

De werknemer treedt met ingang van 01 januari 2015 voor bepaalde tijd in dienst bij werkgever.

De werknemer is aangenomen voor de periode van 01 januari 2015 tot 01 augustus 2015 met een proeftijd van één maand.

Een dienstverband voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege door het verstrijken van de afgesproken termijn.

Bij functioneren naar wederzijdse tevredenheid en ongewijzigde bedrijfsomstandigheden is het de intentie van de werkgever om de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Hiertoe zal een half jaar na indiensttreding een evaluatiegesprek plaatsvinden.”

2.2.

Na 1 augustus 2015 is de arbeidsovereenkomst voortgezet.

2.3.

In een gesprek op 29 augustus 2016 heeft werkgever aan werknemer meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 20 september 2016 zou eindigen en is werknemer de toegang tot zijn werk ontzegd.

2.4.

Bij brief van 6 september 2016 heeft werknemer meegedeeld niet in te stemmen met de beëindiging van het dienstverband en evenmin akkoord te zijn met een schorsing of op non-actiefstelling. Werknemer heeft werkgever gesommeerd hem uiterlijk op 12 september 2016 toe te laten tot zijn werkzaamheden als financieel directeur.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek

3.1.1.

Werkgever verzoekt dat de kantonrechter:

Primair:

zal bepalen dat de arbeidsovereenkomst van werknemer van rechtswege is geëindigd op 30 september 2016;

Subsidiair:

de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden op een zo kort mogelijke termijn op grond van wijziging van omstandigheden, zulks zonder toekenning van enige transactievergoeding of billijkheidsvergoeding;

Meer subsidiair;

Een zodanige beschikking zal wijzen als de kantonrechter in goede justitie vermeend te behoren.

3.1.2.

Aan het primaire verzoek legt werkgever ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd twee maal stilzwijgend is verlengd en daarmee van rechtswege eindigde per 30 september 2016.

3.1.3.

Aan het subsidiaire verzoek legt werkgever ten grondslag dat werknemer regelmatig fouten maakte en dat hij niet van toegevoegde waarde was voor het concern van werkgever. Daarnaast handelde werknemer regelmatig buiten de algemeen directeur om. Zo heeft hij bij het bestellen van auto’s voor werkgever ook een auto voor zichzelf besteld. Ook is hij namens werkgever een overeenkomst aangegaan met een derde partij die betrekking had op de exploitatie van een visvijver op het terrein van werkgever. Daarnaast is tussen partijen een conflict ontstaan over de aanschaf van een keuken door de zoon van werknemer bij een van de dochterondernemingen van werkgever. Verder heeft werknemer ter afwikkeling van de verplichtingen met huurders van de Koperen Hoogte afspraken gemaakt die ertoe leidden dat werkgever een vergoeding van ruimt € 70.000,00 diende te voldoen. Voorts heeft werknemer een derde partij ingehuurd ter vervanging van de boekhouder en het laten voorkomen alsof hij zelf de werkzaamheden had verricht die de ingehuurde partij had verricht.

Voornoemde feiten en omstandigheden hebben er volgens werkgever toe geleid dat zij het vertrouwen in werknemer is kwijtgeraakt. De arbeidsverhouding is daardoor dermate verstoord geraakt, dat van haar als werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.

Het verweer en het tegenverzoek

3.2.1.

Werknemer verweert zich tegen het verzoek. Van een beëindiging van rechtswege kan geen sprake zijn. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is, aldus werknemer, per 1 augustus 2015 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit hebben partijen mondeling besproken en is ook vastgelegd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Partijen hebben deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op voorspraak van de algemeen directeur niet ondertekend, maar bezegeld met een handdruk en de woorden van de algemeen directeur, “een man een man een woord een woord”.

Ook de subsidiair verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe voert werknemer aan dat de door werkgever ten aanzien van de ontbinding naar voren gebrachte gronden voornamelijk aspecten aanvoert die betrekking hebben op het functioneren van werknemer, terwijl werkgever werknemer niet van dit (gestelde) disfunctioneren in kennis heeft gesteld en hem evenmin in de gelegenheid heeft gesteld dit functioneren te verbeteren. Ten aanzien van de door werkgever genoemde incidenten aangaande de bestelde auto, de afspraken met huurders, de keuken van de zoon van werknemer en de afspraken over de visvijver geldt dat de beschuldigingen van werkgever ongefundeerd en niet onderbouwd zijn. De verzoeken van werkgever dienen daarom, aldus werknemer, te worden afgewezen.

3.2.2.

In de zaak van het tegenverzoek verzoekt werknemer - samengevat - dat de kantonrechter:

  1. de opzegging van werkgever zal vernietigen,

  2. werkgever zal veroordelen werknemer tot de bedongen werkzaamheden toe te laten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat werkgever niet aan de beschikking voldoet met een maximum van € 50.000,00,

  3. werkgever zal veroordelen tot betaling aan werknemer van het salaris vanaf 1 oktober tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, vakantietoeslag vanaf 1 juni 2016, opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het hiervoor genoemde salaris, wettelijke rente over salaris, vakantietoeslag en vakantiedagen, een vergoeding voor gemis privégebruik auto en mobiele telefoon, te vermeerderen met wettelijke rente alsmede buitengerechtelijke kosten.

Voor het geval het subsidiaire verzoek van werkgever wordt toegewezen, werkgever, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen aan werknemer te betalen een billijke vergoeding van € 73.880,00 bruto, door werkgever te voldoen uiterlijk binnen veertien dagen na rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband.

3.3.

De reactie op het tegenverzoek

Werkgever heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

van het verzoek

4.1.

Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 1 augustus 2015 is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.2.

Gelet op hetgeen partijen daarover ter zitting naar voren hebben gebracht staat vast dat partijen in de zomer van 2015 hebben gesproken over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst en dat werkgever zich daarbij heeft uitgesproken voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vaststaat voorts dat met het oog daarop ook een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is opgemaakt en aan werknemer is verstrekt. De werkzaamheden zijn na 1 augustus 2015 voortgezet.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat de opgemaakte arbeidsovereenkomst niet door partijen is ondertekend doet aan het voorgaande niet af. De door werkgever ter zitting naar voren gebrachte stelling dat niet hij, maar werknemer heeft geweigerd de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te ondertekenen omdat werknemer het niet eens was met de pensioenregeling, is door werknemer betwist en door werkgever op geen enkele wijze onderbouwd, zodat deze stelling zal worden gepasseerd.

Dit betekent dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen en een beëindiging van rechtswege op 30 september 2016 niet aan de orde is. Het primaire verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.4.

Vervolgens is aan de orde het subsidiaire verzoek van werkgever. In dat kader staat ter beoordeling of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan de werknemer een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

4.5.

Gesteld noch gebleken is dat een opzegverbod van toepassing is.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

4.7.

Werkgever voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het verlies van vertrouwen in werknemer waardoor de arbeidsverhouding dermate verstoord is geraakt dat het van haar als werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat de door werkgever in het verzoekschrift naar voren gebrachte omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren. Een groot deel van de door werkgever naar voren gebrachte omstandigheden betreft onvrede met het functioneren van werknemer. Nog afgezien van de omstandigheid dat een deel van de door werkgever gegeven voorbeelden niet geconcretiseerd en onderbouwd is, geldt dat gesteld noch gebleken is dat werknemer van dit gebrek in zijn functioneren in kennis is gesteld en de gelegenheid heeft gekregen zijn functioneren te verbeteren. Het door werkgever gestelde disfunctioneren van werknemer kan hiermee niet als grond voor ontslag gelden en evenmin onder de noemer ‘verlies van vertrouwen’ onder de grond ‘verstoorde arbeidsverhouding’ worden ‘geschoven’.

4.9.

Door werkgever is voorts gewezen op een aantal situaties die ertoe hebben geleid dat zij haar vertrouwen in werknemer is kwijtgeraakt. Het gaat hier om:

  • -

    het bestellen van een auto voor werknemer zonder toestemming van werkgever

  • -

    het buiten werkgever om treffen van een regeling met de huurders van de Koperen Hoogte,

  • -

    het buiten werkgever om aangaan van een overeenkomst aangaande een visvijver,

  • -

    het inhuren van een boekhouder en de pogingen werkgever te laten geloven dat werknemer de werkzaamheden zelf had verricht,

  • -

    het conflict over de (betaling van) de door de zoon van werknemer bij werkgever bestelde keuken.

4.10.

Voor al deze situaties geldt dat werkgever zijn stellingen dat werknemer daarin laakbaar heeft gehandeld onvoldoende heeft onderbouwd.

Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt niet dat werknemer een auto voor zichzelf heeft besteld. werkgever heeft ter zitting ook erkend dat hij (uiteindelijk) zelf heeft getekend voor de bestelling van de auto. Dit geldt ook voor de getroffen regeling met de huurders van de Koperen Hoogte. Nergens blijkt uit, dat werknemer in deze kwestie buiten medeweten van werkgever heeft gehandeld, terwijl ook deze - op schrift gestelde - regeling door werkgever zelf is ondertekend. Hoewel de overeenkomst met betrekking tot de visvijver niet is ondertekend door werkgever maar door werknemer, geldt ook in deze kwestie dat werkgever niet heeft onderbouwd dat werknemer bij ondertekening daarvan zonder instemming van werkgever handelde. Werkgever heeft zich in haar relatie tot de wederpartij bij die overeenkomst nimmer beroepen op onbevoegde vertegenwoordiging, terwijl ook nergens uit blijkt, dat werknemer ooit is aangesproken op het onbevoegdelijk vertegenwoordigen van de vennootschap.

Ten aanzien van het inhuren van een derde ter vervanging van de boekhouder tijdens vakanties geldt evenzeer dat niet is onderbouwd dat werkgever niet op de hoogte was van deze vervanging en dat werknemer heeft getracht werkgever te laten geloven alsof hij en niet de ingehuurde derde de werkzaamheden had verricht. De verklaring van de ingehuurde derde - die schrijft dat hem door werknemer werd verzocht de opgestelde liquiditeitsoverzichten aan werknemer te mailen waarna hij deze zou doorsturen naar de heer werkgever omdat werkgever er problemen mee zou hebben dat de derde deze werkzaamheden zou uitvoeren - is hiertoe onvoldoende. Uit deze verklaring blijkt immers geenszins dat werknemer de liquiditeitsoverzichten (daadwerkelijk) onder zijn eigen naam heeft doorgestuurd aan werkgever.

Ook de omstandigheden die hebben geleid tot het conflict over de keuken zijn dermate vaag gebleven dat een gebrek aan vertrouwen hierop niet gebaseerd kon worden.

4.11.

Tijdens de mondelinge behandeling is voor de kantonrechter echter duidelijk geworden dat de verhouding tussen partijen na het gesprek op 29 augustus 2016 onherstelbaar is verslechterd.

Enerzijds voelt werknemer zich door de algemeen directeur van werkgever gegriefd, doordat deze hem op 29 augustus 2016 “als een donderslag bij heldere hemel” ontslag heeft aangezegd, zonder dat hij daarvoor ooit in kritische zin op zijn functioneren was aangesproken.

Anderzijds is de algemeen directeur zichtbaar in zijn wiek geschoten, doordat werknemer op vileine wijze in het verweerschrift een kwestie heeft aangeroerd, waarmee een bepaalde suggestie in het leven is geroepen, welke niet nader zal worden onderzocht (en welke suggestie dus zal blijven bestaan), omdat die kwestie niet of slechts zeer zijdelings van belang is in deze zaak.

Gezien de aard van de functie die werknemer als financieel directeur binnen het concern van werkgever heeft, en het gegeven dat een financieel directeur in de top van een concern nauw met de algemeen directeur moet kunnen samenwerken, komt de kantonrechter tot de conclusie dat er inmiddels sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat deze een redelijke grond voor ontbinding oplevert zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

4.12.

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn nog mogelijk is.

4.13.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van werkgever zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 februari 2017.

4.14.

De kantonrechter ziet aanleiding om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.10 is overwegen heeft werkgever werknemer op 29 augustus 2016 zonder redelijke grond met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Hiermee is de arbeidsrelatie op scherp gesteld en is de positie van werknemer als financieel directeur binnen het concern van werkgever ernstig geschaad. Werkgever heeft hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld. Ook de daaropvolgende verdergaande escalatie valt werkgever te verwijten. Uit hetgeen tijdens de zitting van de zijde van werkgever over de onder 4.11 genoemde kwestie is verklaard, kan worden vastgesteld dat werkgever zich met medeweten van de algemeen directeur heeft ingelaten met een financieringsconstructie, waardoor een voor werkgever kennelijk compromitterende situatie in het leven is geroepen. Dat deze constructie door werknemer in de procedure wordt betrokken moet daarmee voor risico blijven van werkgever, die bovendien ook de aanleiding heeft gegeven voor het voeren van deze procedure. Of werknemer bij de financieringsconstructie een actieve rol heeft vervuld doet daarbij niet ter zake. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het ontstaan van de onwerkbare situatie in ernstige mate te wijten is aan het handelen van werkgever.

4.15.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever, dan dient werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van werkgever.

Buiten de niet onderbouwde stelling dat de financiële situatie van werkgever een billijke vergoeding als door werknemer verzocht niet toelaat, heeft werkgever enkel naar voren gebracht dat de lengte van het dienstverband geen vergoeding rechtvaardigt. Nu niet is onderbouwd dat de financiële positie van werkgever aan het toekennen van een billijke vergoeding in de weg staat zal de kantonrechter deze stelling van werkgever passeren. Ook de - geringe - lengte van het dienstverband staat, zoals hiervoor al overwogen, niet in de weg aan de toekenning van een billijke vergoeding.

In de billijke vergoeding zal de kantonrechter de ernst van het aan werkgever te maken verwijt tot uitdrukking brengen, waarbij enerzijds de hoogte van het bedrag voldoende prikkel moet geven om dergelijk met goed werkgeverschap strijdig handelen in de toekomst te voorkomen, terwijl het bedrag anderzijds voor werknemer ook genoegdoening moet kunnen geven voor de situatie van werkloosheid waarin hij zo plotseling is komen te verkeren.

Daarbij is voor de kantonrechter relevant dat werkgever het ontslag als een donderslag bij heldere hemel en, voor zover is komen vast te staan, zonder noemenswaardige aanleiding aan werknemer heeft aangezegd. Dit heeft een diffamerende werking op werknemer, die daardoor ook een tamelijk riante inkomstenpost moet gaan missen en in een onzekere positie op de arbeidsmarkt komt te verkeren. Dat de rechtspositie van werknemer, als gevolg van het korte dienstverband, nauwelijks enige compensatie biedt voor zijn inkomensterugval als gevolg van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, speelt geen rechtstreekse rol bij de vaststelling van de billijke vergoeding, maar het bepaalt wel mede het immateriële leed waarvoor de billijke vergoeding een zekere genoegdoening moet geven.

De kantonrechter ziet al met al aanleiding de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 65.000,00 bruto.

4.16.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal werkgever gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

4.17.

De proceskosten komen voor rekening van werkgever, omdat zij grotendeels in het ongelijk is gesteld. Ook indien werkgever het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van werknemer moeten betalen. De proceskosten van werknemer worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van werknemer.

van het tegenverzoek

4.18.

Aangezien van een opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is (geweest), is het verzoek de opzegging door werkgever te vernietigen niet-ontvankelijk.

Voor zover werknemer bij wijze van tegenverzoek heeft gevraagd om toekenning van een billijke vergoeding, behoeft dit verzoek niet te worden behandeld, omdat daarop al is beslist in de zaak van het verzoek.

4.19.

Werknemer heeft (verder) verzocht om betaling van een aantal salarisposten. De kantonrechter overweegt dat die vorderingen door de werknemer op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kunnen worden ingediend in deze verzoekschriftprocedure, omdat het gaat om vorderingen die voldoende verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.20.

Bij de beoordeling van de door de werknemer gedane verzoeken gaat de kantonrechter steeds uit van een salaris van € 8.500,00 bruto per maand, zoals door werkgever naar voren is gebracht. Dit is immers het salaris dat in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, terwijl werknemer niet gesteld heeft, of anderszins is gebleken, dat dit bedrag onjuist is.

4.21.

Over de vordering(en) van werknemer wordt het volgende overwogen.

  • -

    Werknemer vordert het salaris over de maanden oktober en november en voorts voor iedere maand vanaf 1 december 2016 tot het moment waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, met de wettelijke rente.
    Werkgever heeft alleen verweer gevoerd met betrekking tot het salaris over de maand oktober, door te stellen dat werkgever over deze maand een aanzeggingsvergoeding heeft voldaan gelijk aan een maandsalaris, waarop de belastingafdracht is ingehouden, alsmede een bedrag voor het oneigenlijk gebruik van de bedrijfseigendommen.
    De kantonrechter zal deze vordering toewijzen, waarbij de ten onrechte aan werknemer uitgekeerde aanzeggingsvergoeding kan worden verrekend met het salaris over de maand oktober. Een geldige reden om een bedrag in te houden voor het - overigens niet nader geconcretiseerde - oneigenlijk gebruik van de bedrijfseigendommen ziet de kantonrechter niet, zodat hij daaraan zal voorbij gaan.

  • -

    Werknemer vordert verder de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW van 50% over de maanden oktober en november.
    Werkgever heeft alleen verweer gevoerd met betrekking tot de wettelijke verhoging over de maand november 2016, die volgens haar niet kan worden toegewezen, omdat het salaris uiterlijk de 24e van de maand moet worden voldaan, zodat werkgever op de dag van de zitting (30 november 2016) nog maar 5 dagen te laat was en derhalve enkel over de vijfde dag een percentage van 5% verschuldigd is, te weten een bedrag van € 427,70.
    Werknemer is hier tijdens de zitting niet meer op teruggekomen, zodat het verweer zal worden gehonoreerd, met dien verstande dat de vordering voor wat betreft de maand oktober geheel zal worden toegewezen en voor wat betreft de maand november tot een bedrag van € 427,00.

  • -

    Werknemer vordert verder de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het salaris vanaf 1 december 2016 en de vakantietoeslag.
    De kantonrechter zal de vordering voor dit onderdeel afwijzen, nu ten tijde van het nemen van deze beslissing onvoldoende vaststaat dat werknemer op die wettelijke verhoging ook daadwerkelijk aanspraak kan maken.

  • -

    Werknemer vordert voorts vakantietoeslag van 8% over het salaris van € 8.500,00 bruto per maand vanaf 1 juni 2016 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente, waarop in mindering kan komen een bedrag van € 2.736,32 dat werkgever ten titel van vakantietoeslag heeft betaald.
    Werkgever heeft hiertegen geen, althans onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd, zodat dit onderdeel van de vordering voor toewijzing vatbaar is.

  • -

    Werknemer vordert voorts een bedrag van € 4.262,32 aan opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, vermeerderd met de geldelijke waarde (€ 426,23) van 2,08 vakantiedagen per maand tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, verminderd met een bedrag van € 1.965,60 bruto dat door werkgever reeds is betaald.
    Werkgever heeft zich tegen dit onderdeel van de vorderingen verweerd door te stellen dat de vakantieaanspraken al integraal aan werknemer zijn voldaan, zodat de vordering voor zover moet worden afgewezen.
    Werknemer is hier tijdens de behandeling op de zitting van 30 november 2016 niet meer op teruggekomen, zodat de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

  • -

    Werknemer vordert voorts een geldelijke vergoeding van € 1.129,00 wegens het gemis van het privégebruik van de auto over de maanden oktober en november 2016, alsmede een geldelijke vergoeding van € 100,00 voor het gebruik van de mobiele telefoon over dezelfde maanden. Ook vordert werknemer een vergoeding van € 564,58 per maand voor het privégebruik van de bedrijfsauto en een vergoeding van € 50,00 per maand voor het gebruik van de mobiele telefoon vanaf 1 december tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente.
    Zonder concreet en specifiek verweer te voeren, heeft werkgever geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
    De kantonrechter zal dit onderdeel van de vorderingen toewijzen, nu daartegen geen, althans onvoldoende gemotiveerd verweer is gevoerd en de vordering op dit punt geenszins onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

  • -

    Tenslotte vordert werknemer een bedrag van € 1.425,00 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat in opdracht van werknemer daadwerkelijk incassoactiviteiten zijn verricht.

  • -

    Voor zover werknemer wettelijke rente heeft gevorderd, maar ten tijde van deze beslissing onvoldoende is komen vast te staan dat die wettelijke rente daadwerkelijk is verschuldigd of de vordering dienaangaande onvoldoende bepaald is, zal de kantonrechter die vordering afwijzen.

4.22.

De conclusie is dat de vorderingen van werknemer deels voor toewijzing in aanmerking komen.

4.23.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter beslist op het verzoek:

5.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen werkgever het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 28 december 2016;

Voor het geval werkgever het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

5.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2017;

5.3.

veroordeelt werkgever om aan werknemer een billijke vergoeding te betalen van € 65.000,00 bruto;

5.4.

veroordeelt werkgever tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van werknemer tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

Voor het geval werkgever het verzoek binnen die termijn intrekt:

5.7.

veroordeelt werkgever tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van werknemer tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

5.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De kantonrechter beslist op het tegenverzoek:

5.9.

veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van:

a. a) een bedrag van € 17.000,00 bruto aan salaris over de maanden oktober en november 2016 (met verrekening van een bedrag dat werkgever als aanzeggingsvergoeding heeft betaald);

b) het salaris van € 8.500,00 bruto per maand, vanaf 1 december 2016 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd;

c) vakantietoeslag van 8% over het salaris van € 8.500,00 bruto per maand vanaf 1 juni 2016 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, minus een bedrag van € 2.736,32 bruto dat werkgever reeds heeft voldaan;

d) -

e) een bedrag van (de som van € 4.250,00 en € 427,00 is) € 4.677,00 aan wettelijke verhoging over het maandsalaris van oktober en november 2016;

f) -

g) -

h) een bedrag van € 1.129,16 aan vergoeding wegens gemis van het privégebruik van de auto over de maanden oktober en november 2016;

i. i) een bedrag van € 564,58 per maand vanaf 1 december 2016 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, wegens gemis van het privégebruik van de auto;

j) een bedrag van € 100,00 netto, aan vergoeding van het privégebruik van de mobiele telefoon over de maanden oktober en november 2016;

k) een bedrag van € 50,00 netto per maand vanaf 1 december 2016 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, aan vergoeding van het privégebruik van de mobiele telefoon;

l) -

m) -

5.10.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.11.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.12.

wijst af wat werknemer meer of anders heeft gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.