Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4979

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
08/996129-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in strafzaak Eurocommerce (onderzoek Kirishima). Verdachte D (echtgenote van verdachte A) is vrijgesproken van faillissementsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/996129-13

Datum vonnis: 16 december 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte D] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1958 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 oktober 2015, 18 april 2016, 9 november 2016, 14 november 2016, 16 november 2016, 18 november 2016, 21 november 2016 en 2 december 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door verdachte (hierna: mevr. [verdachte D] ) en haar raadslieden, mr. F.H.H. Sijbers, mw. mr. F. Ahlers en mr. R. de Bree, allen advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat mevr. [verdachte D] :

feit 1.

- primairin de periode van 4 november 2011 tot en met 19 december 2011 feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan Jachtstaete BV, de [stichting] en Eurocommerce Holding BV (hierna: EC Holding BV) terzake het plegen van bedrieglijke bankbreuk;

- subsidiairis dit tenlastegelegd als samen met [verdachte A] (hierna: [verdachte A] ), Jachtstaete BV, [stichting] en EC Holding BV plegen van bedrieglijke bankbreuk;

- meer subsidiairis dit tenlastegelegd als medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

- nog meer subsidiairis dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan [stichting] terzake medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] , Jachtstaete BV en EC Holding BV;

- meest subsidiairis dit tenlastegelegd als samen met [stichting] en Jachtstaete BV opzettelijk witwassen van een geldbedrag van € 2.500.000,--, althans het feitelijk leiding/opdracht geven aan de [stichting] terzake het opzettelijk witwassen van een geldbedrag van € 2.500.000,--.

feit 2.

- primair: in de periode van 30 december 2010 tot en met 9 oktober 2013 samen met [verdachte A] bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd;

- subsidiairis dit tenlastegelegd als medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

- meer subsidiairis dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan [stichting] terzake medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het samen met [verdachte A] en de [stichting] plegen van gewoontewitwassen en/of het feitelijk leiding/opdracht geven aan de [stichting] terzake het plegen van gewoontewitwassen.

feit 3.

- primairin de periode van 1 december 2011 tot en met 5 maart 2014 samen met [verdachte A] , EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd;

- subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV terzake het plegen van bedrieglijke bankbreuk;

meer subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door EC Holding BV en [verdachte A] ;

- nog meer subsidiairis dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding geven aan [bedrijf verdachte D] BV terzake medeplichtigheid bij/aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door EC Holding BV en [verdachte A] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

Jachtstaete B.V. en/of de [stichting] en/of Eurocommerce Holding B.V.

(verder te noemen EC Holding) in of omstreeks de periode van 04 november 2011

tot en met 19 december 2011, in ieder geval in of omstreeks de periode van 01

januari 2011 tot en met 31 januari 2013 in de gemeente(n) Deventer en/of

Lochem en/of Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met

elkaar en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen,

althans ieder voor zich of alleen, terwijl zij, Jachtstaete B.V. (verder te

noemen Jachtstaete) bij vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 augustus 2012

en/of EC Holding bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012,

in staat van faillissement is/zijn verklaard, (telkens) ter bedrieglijke

verkorting van de rechten van diens/hun (Jachtstaete en/of EC Holding)

schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van Jachtstaete en/of EC Holding of

op een tijdstip waarop Jachtstaete en/of EC Holding en/of verdachte en/of

zijn/haar mededader(s) wist(en) dat het/de faillissement(en) niet kon(den)

worden voorkomen, één of meer van de schuldeisers van Jachtstaete en/of EC

Holding op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft vervreemd,

immers heeft/hebben Jachtstaete en/of de [stichting] en/of EC Holding

en/of hun/haar mededader(s) -onverplicht en/of zonder tegenprestatie- een

geldbedrag van EUR 2.500.000 vanaf haar (Jachtstaete's) bankrekening

overgeboekt/gestort en/of doen overboeken/storten op een bankrekening van de

[stichting] (proces-verbaal bijlage D-035) en/of (vervolgens op of

omstreeks 19 december 2011) door geboekt/doorgestort en/of doen

doorboeken/doorstorten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat

(proces-verbaal bijlage D-040), welke betaling(en) in de administratie van EC

Holding zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953) privé aan EC Holding en niet als een

terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete

tengevolge waarvan dit bedrag het vermogen van Jachtstaete heeft verlaten,

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

(zaaksdossier 3-PV)

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

zij,

in of omstreeks de periode van 04 november 2011 tot en met 19 december

2011, in ieder geval in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en

met 31 januari 2013 in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of Arnhem

en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte A] (geb.

[geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] .) en/of Jachtstaete B.V. en/of de

[stichting] en/of Eurocommerce Holding B.V. (verder te noemen EC

Holding) en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen,

althans alleen, terwijl Jachtstaete B.V. (verder te noemen Jachtstaete) bij

vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 augustus 2012 en/of EC Holding bij

vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van

faillissement is/zijn verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van diens/hun (Jachtstaete en/of EC Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van Jachtstaete en/of EC Holding of

op een tijdstip waarop Jachtstaete en/of EC Holding en/of verdachte en/of

haar/hun mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden

voorkomen, één of meer van de schuldeisers van Jachtstaete en/of EC Holding op

enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) -onverplicht en/of

zonder tegenprestatie- een geldbedrag van EUR 2.500.000 vanaf de bankrekening

van Jachtstaete overgeboekt/gestort en/of doen overboeken/storten op de

bankrekening van de [stichting] (proces-verbaal bijlage D-035)en/of

(vervolgens op of omstreeks 19 december 2011) door geboekt/doorgestort en/of

doen doorboeken/doorstorten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat

(proces-verbaal bijlage D-040), welke betaling(en) in de administratie van EC

Holding zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van die

[verdachte A] privé aan EC Holding en niet als een terugbetaling van de schuld van

de [stichting] aan Jachtstaete tengevolge waarvan dit bedrag het

vermogen van Jachtstaete heeft verlaten;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] .) en/of

Jachtstaete B.V. (hierna te noemen Jachtstaete) en/of de [stichting]

en/of Eurocommerce Holding B.V. (hierna te noemen EC Holding in of omstreeks

de periode van 04 november 2011 tot en met 19 december 2011, in ieder geval in

of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 31 januari 2013 in de

gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of Arnhem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met elkaar en/of met één of meer (andere) natuurlijke

en/of rechtspersonen, althans ieder voor zich of alleen, terwijl Jachtstaete

bij vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 augustus 2012 en/of EC Holding bij

vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van

faillissement is/zijn verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van diens/hun (Jachtstaete en/of EC Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het/de faillissement(en) van Jachtstaete en/of EC

Holding of op een tijdstip waarop Jachtstaete en/of EC Holding en/of verdachte

en/of zijn/haar/hun mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon

worden voorkomen, één of meer van de schuldeisers van Jachtstaete en/of EC

Holding op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben [verdachte A] . en/of Jachtstaete en/of de [stichting]

en/of EC Holding en/of zijn mededader(s) -onverplicht en/of zonder

tegenprestatie- een geldbedrag van EUR 2.500.000 vanaf Jachtstaete's

bankrekening overgeboekt/gestort en/of doen overboeken/storten op een

bankrekening van de [stichting] (proces-verbaal bijlage D-035) en/of

(vervolgens) op of omstreeks 19 december 2011) door geboekt/doorgestort en/of

doen doorboeken/doorstorten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat

(proces-verbaal bijlage D-040), welke betaling(en) in de administratie van EC

Holding zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953) privé aan EC Holding en niet als een

terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete

tengevolge waarvan dit bedrag het vermogen vasn Jachtstaete heeft verlaten,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door de bankrekening(en) van Jachtstaete B.V. en/of de [stichting]

en/of enige (andere) bankrekening voor overboeking(en) en

storting(en) ter beschikking te (doen) stellen en/of door het/de

geldbedrag(en) te (doen) overboeken/storten op een (andere) bankrekening;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] .) en/of

Jachtstaete B.V. (verder te noemen Jachtstaete) en/of Eurocommerce Holding

B.V. (verder te noemen EC Holding) in of omstreeks de periode van 04 november

2011 tot en met 19 december 2011, in ieder geval in of omstreeks de periode

van 01 januari 2011 tot en met 31 januari 2013 in de gemeente(n) Deventer

en/of Lochem en/of Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met elkaar en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans ieder voor zich of alleen, terwijl Jachtstaete B.V.

bij vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 augustus 2012 en/of EC Holding bij

vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van

faillissement is/zijn verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van diens (Jachtstaete en/of EC Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van Jachtstaete en/of EC Holding of

op een tijdstip waarop Jachtstaete en/of EC Holding en/of verdachte en/of

zijn/haar/hun mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden

voorkomen, één of meer van de schuldeisers van Jachtstaete en/of EC Holding op

enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben [verdachte A] . en/of Jachtstaete en/of EC Holding en/of

zijn/haar/hun mededader(s) -onverplicht en/of zonder tegenprestatie- een

geldbedrag van EUR 2.500.000 vanaf haar (Jachtstaete's) bankrekening

overgeboekt/gestort en/of doen overboeken/storten op een bankrekening van de

[stichting] (proces-verbaal bijlage D-035) en/of (vervolgens) op of

omstreeks 19 december 2011) door geboekt/doorgestort en/of doen

doorboeken/doorstorten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat

(proces-verbaal bijlage D-040), welke betaling(en) in de administratie van EC

Holding zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953) privé aan EC Holding en niet als een

terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete

tengevolge waarvan dit bedrag het vermogen van Jachtstaete heeft verlaten,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf de [stichting] tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk

behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft door een bankrekening(en) van haar, [stichting]

, en/of enige (andere) bankrekening voor overboeking(en) en

storting(en) ter beschikking te (doen) stellen en/of door het/de

geldbedrag(en) te (doen) overboeken/storten op een (andere) bankrekening,

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

art 341 ahf/ond b ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, meest subsidiair, terzake dat

zij,

op of omstreeks 04 november 2011, in ieder geval in de periode van 01

januari 2011 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente(n) Deventer en/of

Lochem en/of (elders) in Nederland en/of in Europa, tezamen en in vereniging

met Jachtstaete B.V. en/of de [stichting] en/of met enig (andere)

natuurlijke en/of rechtspersoon, althans alleen,

a.

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, was

of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000,

voorhanden had, terwijl zij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk

- afkomstig was uit het misdrijf bedrieglijke bankbreuk, immers is dat

geldbedrag van EUR 2.500.000 -onverplicht- overgeboekt/gestort vanaf een

bankrekening van Jachtstaete B.V. op een bankrekening van de [stichting]

, en/of (vervolgens) doorgeboekt/doorgestort op een bankrekening van

[bedrijf] Notariaat, en/of

b.

een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, heeft verworven,

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een

voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, gebruik heeft gemaakt,

door dat geldbedrag van EUR 2.500.000 nadat het was ontvangen op de

bankrekening van de [stichting] over te boeken/storten en/of te doen

overboeken/storten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat,

terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden, dat

[stichting] op of omstreeks 04 november 2011, in ieder geval in de

periode van 01 januari 2011 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente(n)

Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland en/of in Europa, tezamen en

in vereniging met Jachtstaete B.V. en/of met enig (andere) natuurlijke en/of

rechtspersoon, althans alleen,

a.

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, was

of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000,

voorhanden had, terwijl zij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk

- afkomstig was uit het misdrijf bedrieglijke bankbreuk, immers is dat

geldbedrag van EUR 2.500.000 -onverplicht- overgeboekt/gestort vanaf een

bankrekening van Jachtstaete B.V. op een bankrekening van de [stichting]

, en/of (vervolgens) doorgeboekt/doorgestort op een bankrekening van

[bedrijf] Notariaat, en/of

b.

een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, heeft verworven,

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een

voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000, gebruik heeft gemaakt,

door dat geldbedrag van EUR 2.500.000 nadat het was ontvangen op de

bankrekening van de [stichting] over te boeken/storten en/of te doen

overboeken/storten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat,

terwijl de [stichting] wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven danwel aan

welke bovenomschgreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen

met een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

2.

zij,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december

2010 tot en met 09 oktober 2013, althans in de periode van 30 december 2010

tot en met 17 juli 2014 in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2]

1953, verder te noemen [verdachte A] ) en/of met één of meer (andere)

natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl deze [verdachte A] . bij

vonnis van de Rechtbank Zutphen van 27 november 2012, in staat van

faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van diens schuldeiser(s):

a. lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan die boedel heeft onttrokken, en/of

b. ter gelegenheid van het faillissement van die [verdachte A] of op een tijdstip

waarop zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat faillissement

niet kon worden voorkomen, één of meer van die [verdachte A] schuldeisers op enige

wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c. enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben verdachte en/of [verdachte A] en/of haar (andere) mededader(s)

-zakelijk omschreven-:

*** op of omstreeks 30 december 2010, althans op een tijdstip in genoemde

periode -onverplicht en/of zonder (geldige) titel en/of (ver) beneden de

waarde in het economisch verkeer- de woning aan de [adres]

voor EUR 1 verkocht en/of doen verkopen aan de [stichting]

(proces-verbaal bijlage D-054), en/of

*** op of omstreeks 23 december 2011, althans in de bovengenoemde periode

-onverplicht en/of zonder (geldige) titel- een geldbedrag van EUR 2.500.000

(proces-verbaal bijlage D-097) en/of op 26 januari 2012, althans in de

genoemde periode een geldbedrag van EUR 2.000.000 (proces-verbaal bijlage

D-544) overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten vanaf de privérekening

van die [verdachte A] op een bankrekening van de [stichting] , en/of

*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode -onverplicht en/of zonder

(geldige) titel- één of meer geldbedragen (tot een totaal van EUR 1.080.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten naar/op een bankrekening van

haar, [verdachte D] , (proces-verbaal bijlagen D-545, D-546, D-574, D-575 en D-576),

en/of

*** op of omstreeks 29 december 2011, althans in bovengenoemde periode een

geldbedrag van EUR 250.000 contant van een bankrekening van die [verdachte A]

opgenomen en/of doen opnemen;

(zaaksdossier 4-PV)

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] ) op één of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 09

oktober 2013, althans in de periode van 30 december 2010 tot en met 17 juli

2014 in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans alleen, terwijl deze [verdachte A] . bij vonnis van de

Rechtbank Zutphen van 27 november 2012, in staat van faillissement is

verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van diens

schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan die boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van die [verdachte A] of op een tijdstip

waarop zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat faillissement

niet kon worden voorkomen, één of meer van die [verdachte A] schuldeisers op enige

wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben die [verdachte A] en/of zijn mededader(s) -zakelijk

omschreven-:

*** op of omstreeks 30 december 2010, althans op een tijdstip in genoemde

periode -onverplicht en/of zonder (geldige) titel en/of (ver) beneden de

waarde in het economisch verkeer- de woning aan de [adres]

voor EUR 1 verkocht en/of doen verkopen aan de [stichting]

(proces-verbaal bijlage D-054), en/of

*** op of omstreeks 23 december 2011, althans in de bovengenoemde periode

-onverplicht en/of zonder (geldige) titel- een geldbedrag van EUR 2.500.000

(proces-verbaal bijlage D-097) en/of op 26 januari 2012, althans in de

genoemde periode een geldbedrag van EUR 2.000.000 (proces-verbaal bijlage

D-544) overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten vanaf de privérekening

van die [verdachte A] op een bankrekening van de [stichting] , en/of

*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode -onverplicht en/of zonder

(geldige) titel- één of meer geldbedragen (tot een totaal van EUR 1.080.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten naar/op een bankrekening van

haar, [verdachte D] , (proces-verbaal bijlagen D-545, D-546, D-574, D-575 en D-576),

en/of

*** op of omstreeks 29 december 2011, althans in bovengenoemde periode een

geldbedrag van EUR 250.000 contant van een bankrekening van die [verdachte A]

opgenomen en/of doen opnemen,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door haar, [verdachte D] en/of de bankrekening(en) van de [stichting]

en/of enige (andere) bankrekening voor overboeking(en) en storting(en)

ter beschikking te (doen) stellen en/of door het/de geldbedrag(en) te (doen)

overboeken/storten op een (andere) bankrekening;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

[verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] ) op één of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 09

oktober 2013, althans in de periode van 30 december 2010 tot en met 17 juli

2014 in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans alleen, terwijl deze [verdachte A] . bij vonnis van de

Rechtbank Zutphen van 27 november 2012, in staat van faillissement is

verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van diens

schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan die boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van die [verdachte A] of op een tijdstip

waarop zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat faillissement

niet kon worden voorkomen, één of meer van die [verdachte A] schuldeisers op enige

wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft

vervreemd,

immers heeft/hebben die [verdachte A] en/of zijn mededader(s) -zakelijk

omschreven-:

*** op of omstreeks 30 december 2010, althans op een tijdstip in genoemde

periode -onverplicht en/of zonder (geldige) titel en/of (ver) beneden de

waarde in het economisch verkeer- de woning aan de [adres]

voor EUR 1 verkocht en/of doen verkopen aan de [stichting]

(proces-verbaal bijlage D-054), en/of

*** op of omstreeks 23 december 2011, althans in de bovengenoemde periode

-onverplicht en/of zonder (geldige) titel- een geldbedrag van EUR 2.500.000

(proces-verbaal bijlage D-097) en/of op 26 januari 2012, althans in de

genoemde periode een geldbedrag van EUR 2.000.000 (proces-verbaal bijlage

D-544) overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten vanaf de privérekening

van die [verdachte A] op een bankrekening van de [stichting] , en/of

*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode -onverplicht en/of zonder

(geldige) titel- één of meer geldbedragen (tot een totaal van EUR 1.080.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten naar/op een bankrekening van

haar, [verdachte D] , (proces-verbaal bijlagen D-545, D-546, D-574, D-575 en D-576),

en/of

*** op of omstreeks 29 december 2011, althans in bovengenoemde periode een

geldbedrag van EUR 250.000 contant van een bankrekening van die [verdachte A]

opgenomen en/of doen opnemen,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf de [stichting] tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk

behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft door haar, [stichting] , bankrekening(en)

en/of enige (andere) bankrekening voor overboeking(en) en storting(en) ter

beschikking te (doen) stellen,

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

zij,

in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 09 oktober

2013, althans in de periode van 30 december 2010 tot en met 17 juli 2014, in

de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland en/of in

Europa, tezamen en in vereniging met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder

te noemen [verdachte A] ) en/of de [stichting] en/of met enig (andere)

natuurlijke en/of rechtspersoon, althans alleen, van het plegen van witwassen

een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s):

a.

van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of

een geldbedrag van EUR 200.000 en/of één of meer geldbedragen tot een totaal

van ongeveer EUR 1.080.000, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats,

de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten

een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of een geldbedrag van EUR 2.000.000 en/of

één of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 1.080.000, was of

wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000

en/of een geldbedrag van EUR 2.000.000 en/of één of meer geldbedragen tot een

van ongeveer 1.080.000 -onverplicht en/of zonder (geldige) titel-

overgeboekt/gestort vanaf (een) bankrekening(en) op een bankrekening van de

[stichting] en/of een bankrekening van haar, [verdachte D] , en/of

b.

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of een

geldbedrag van EUR 2.000.000 en/of één of meer geldbedragen tot een totaal

van ongeveer EUR 1.080.000, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of

omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR

2.500.000 en/of een geldbedrag van EUR 2.000.000 en/of één of meer

geldbedragen tot een totaal van ongeveer EUR 1.080.000, gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat/die

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf,

door onverplicht en/of zonder (geldige) titel -zakelijk omschreven-

*** op of omstreeks 13 juli 2012 op het RABO bankrekeningnummer [rekeningnummer 1]

t.n.v. [verdachte D] een geldbedrag van EUR 750.000 te ontvangen vanaf

ABN-AMRO bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal

bijlage D-576), en/of

*** op of omstreeks 06 februari 2012 op het RABO bankrekeningnummer

[rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte D] een geldbedrag van EUR 200.000 te

ontvangen vanaf Van Lansschot bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] t.n.v.

[verdachte A] (proces-verbaal bijlage D-545), en/of

*** op of omstreeks 31 mei 2012 op het ING bankrekening nummer [rekeningnummer 5]

t.n.v. [verdachte D] een geldbedrag van EUR 20.000 te ontvangen vanaf

ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal

bijlage D-575), en/of

*** op of omstreeks 16 augustus 2012 op het ING bankrekeningnummer

[rekeningnummer 5] t.n.v. [verdachte D] een geldbedrag van 75.000 te ontvangen

vanaf Van Lansschot bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte A]

(proces-verbaal bijlage D546), en/of

*** op of omstreeks 03 mei 2012 op het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer 5]

t.n.v. [verdachte D] een geldbedrag van EUR 35.000 te ontvangen vanaf

ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal

bijlage D-574), en/of

*** op of omstreeks 23 december 2011 op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 6]

t.n.v. de [stichting] een geldbedrag van EUR 2.500.000 te ontvangen

vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal bijlage

D-097), en/of

*** op of omstreeks 16 januari 2012 op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 6]

t.n.v. de [stichting] een geldbedrag van EUR 2.000.000 te ontvangen

vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal bijlage

D-544);

EN/OF

[stichting] in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met

09 oktober 2013, althans in de periode van 30 december 2010 tot en met 17

juli 2014, in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in

Nederland en/of in Europa, tezamen en in vereniging met [verdachte A] (geb.

[geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] ) en/of met enig (andere) natuurlijke

en/of rechtspersoon, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte

heeft gemaakt,

immers heeft/hebben de [stichting] en/of haar mededader(s) -zakelijk

omschreven-:

a.

van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of

een geldbedrag van EUR 2.000.000, de werkelijke aard, de herkomst, de

vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld,

althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en),

te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of een geldbedrag van EUR

2.000.000, was of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten een geldbedrag

van EUR 2.500.000 en/of een geldbedrag van EUR 2.000.000 -onverplicht en/of

zonder (geldige) titel- overgeboekt/gestort vanaf (een) bankrekening(en) op

een bankrekening van de [stichting] , en/of

b.

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 2.500.000 en/of een

geldbedrag van EUR 2.000.000, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of

omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR

2.500.000 en/of een geldbedrag van EUR 2.000.000, gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

door onverplicht en/of zonder (geldige) titel -zakelijk omschreven-

*** op of omstreeks 23 december 2011 op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 6]

t.n.v. de [stichting] een geldbedrag van EUR 2.500.000 te ontvangen

vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal bijlage

D-097), en/of

*** op of omstreeks 16 januari 2012 op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 6]

t.n.v. de [stichting] een geldbedrag van EUR 2.000.000 te ontvangen

vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte A] (proces-verbaal bijlage

D-544);

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

zij,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december

2011 tot en met 05 maart 2014, in ieder geval in de periode van 01 januari

2010 tot en met 05 maart 2014 in de gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2]

1953 verder te noemen [verdachte A] ) en/of Eurocommerce Holding B.V. (verder

te noemen EC Holding) en/of met [bedrijf verdachte D] B.V. (verder te noemen [bedrijf verdachte D] ) en/of

met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen,

terwijl EC Holding bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli

2012, in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke

verkorting van de rechten van diens (EC Holding) schuldeiser(s):

- lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

- ter gelegenheid van het/de faillissement(en) van EC Holding of op een

tijdstip waarop verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat het/die

faillissement(en) niet kon worden voorkomen, één of meer van de schuldeisers

van EC Holding op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

- enig goed hetzij om niet en/of hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde

heeft vervreemd,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) -zakelijk omschreven-:

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een geldleningsovereenkomst,

gedateerd 04 januari 2011 (zie proces-verbaal bijlage D-231) opgemaakt en/of

doen opmaken waarin staat vermeld dat EC Holding -zonder zakelijk belang en/of

zonder zekerheden- een lening verstrekt aan [bedrijf verdachte D] ter hoogte van EUR

2.050.000, en/of

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een pandrechtsovereenkomst/

zakelijke borgtocht, gedateerd en/of getekend op 03 januari 2011 (zie

proces-verbaal bijlage D-235) opgemaakt en/of doen opmaken en/of ondertekend

en/of doen ondertekenen, waarin -onder meer- staat vermeld dat EC Holding aan

[bedrijf verdachte D] een geldlening verstrekt van EUR 2.050.000 en/of dat [verdachte A] erkent

een schuld aan haar verdachte [verdachte D] te hebben van EUR 2.050.000 gebaseerd

op een overeenkomst "VVHV" (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden)

blijkens de daarop geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28 september 2009

en/of dat [verdachte A] erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig

conform afspraak te hebben betaald aan haar, [verdachte D] en/of dat EC Holding een

pandrecht/zakelijke borgtocht verleent voor een bedrag van EUR 2.050.000 aan

haar, [verdachte D] en/of dat indien [verdachte A] zijn verplichtingen aan haar,

[verdachte D] niet voor 01 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013

het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen en/of na uitoefening

van het pandrecht/zakelijke borgtocht EC Holding een vordering ad EUR

2.050.000 heeft op [verdachte A] , en/of

*** op of omstreeks 04 januari 2011, althans op een tijdstip in bovengenoemde

periode van de (bank)rekening van EC Holding het geldbedrag van EUR 2.050.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten op de (bank)rekening van

[bedrijf verdachte D] (proces-verbaal bijlage D-236) met de omschrijving "overboeking";;

(zaaksdossier 5-PV)

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

Eurocommerce Holding B.V. (verder te noemen EC Holding) en/of [bedrijf verdachte D] B.V.

(verder te noemen [bedrijf verdachte D] ) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de

periode van 01 december 2011 tot en met 05 maart 2014, in ieder geval in de

periode van 01 januari 2010 tot en met 05 maart 2014, in de gemeente(n)

Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging

met elkaar en/of met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A]

) en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans

ieder voor zich of alleen, terwijl zij, EC Holding, bij vonnis van de

Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van faillissement is

verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar (EC

Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van EC Holding of op een tijdstip

waarop EC Holding en/of verdachte en/of zijn/haar mededader(s) wist(en) dat

het/de faillissement(en) niet kon(den) worden voorkomen, één of meer van de

schuldeisers van EC Holding -op enige wijze heeft bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde,

heeft/hebben vervreemd,

immers heeft/hebben EC Holding en/of [bedrijf verdachte D] en/of haar/hun mededader(s)

-zakelijk omschreven-:

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode middels een

geldleningsovereenkomst, gedateerd 04 januari 2011 (zie proces-verbaal bijlage

D-231) opgemaakt en/of doen opmaken waarin EC Holding -zonder zakelijk belang

en/of zonder zekerheden- een lening verstrekt aan [bedrijf verdachte D] ter hoogte van EUR

2.050.000, en/of

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een pandrechtsovereenkomst/

zakelijk borgtocht, gedateerd en/of getekend op 03 januari 2011 (zie

proces-verbaal bijlage D-235) opgesteld en/of doen opstellen waarin -onder

meer- staat vermeld dat EC Holding aan [bedrijf verdachte D] een geldlening verstrekt van EUR

2.050.000, en/of dat [verdachte A] erkent een schuld aan [verdachte D] (verder

te noemen [verdachte D] ) te hebben van EUR 2.050.000 gebaseerd op een overeenkomst

"VVHV" (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden) blijkens de daarop

geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28 september 2009 en/of dat [verdachte A]

erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig conform afspraak te

hebben betaald aan [verdachte D] en/of dat EC Holding een pandrecht/zakelijke

borgtocht verleent voor een bedrag van EUR 2.050.000 aan [verdachte D] en/of dat

indien [verdachte A] zijn verplichtingen aan [verdachte D] niet voor 01 december 2013

nakomt automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijk borgtocht zal

worden ingeroepen en/of na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht

EC Holding een vordering ad EUR 2.050.000 heeft op [verdachte A] , en/of

*** op of omstreeks 04 januari 2011, althans op een tijdstip in bovengenoemde

periode van de rekening van EC Holding het geldbedrag van EUR 2.050.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten op de rekening van [bedrijf verdachte D]

(proces-verbaal bijlage D-236) met de omschrijving "overboeking",

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

Eurocommerce Holding B.V. (verder te noemen EC Holding) en/of [verdachte A]

(geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] ) op één of meer tijdstippen in

of omstreeks de periode van 01 december 2011 tot en met 05 maart 2014, in

ieder geval in de periode van 01 januari 2010 tot en met 05 maart 2014, in de

gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met elkaar en/of met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te

noemen [verdachte A] ) en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans ieder voor zich of alleen, terwijl zij, EC Holding,

bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van

faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van haar (EC Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van EC Holding of op een tijdstip

waarop EC Holding en/of verdachte en/of zijn/haar mededader(s) wist(en) dat

het/de faillissement(en) niet kon(den) worden voorkomen, één of meer van de

schuldeisers van EC Holding -op enige wijze heeft bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde,

heeft/hebben vervreemd,

immers heeft/hebben EC Holding en/of [verdachte A] . en/of haar/zijn/hun

mededader(s) -zakelijk omschreven-:

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode middels een

geldleningsovereenkomst, gedateerd 04 januari 2011 (zie proces-verbaal

bijlage D-231) opgemaakt en/of doen opmaken waarin EC Holding -zonder

zakelijk belang en/of zonder zekerheden- een lening verstrekt aan [bedrijf verdachte D] B.V.

(verder te noemen [bedrijf verdachte D] ) ter hoogte van EUR 2.050.000, en/of

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een

pandrechtsovereenkomst/zakelijk borgtocht, gedateerd en/of getekend op 03

januari 2011 (zie proces-verbaal bijlage D-235) opgesteld en/of doen

opstellen waarin -onder meer- staat vermeld dat EC Holding aan [bedrijf verdachte D] een

geldlening verstrekt van EUR 2.050.000, en/of dat [verdachte A] erkent een schuld

aan [verdachte D] (verder te noemen [verdachte D] ) te hebben van EUR 2.050.000

gebaseerd op een overeenkomst "VVHV" (Verrekening Verleden Huwelijkse

Voorwaarden) blijkens de daarop geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28

september 2009 en/of dat [verdachte A] erkent de in die VVHV afgesproken bedragen

niet tijdig conform afspraak te hebben betaald aan [verdachte D] en/of dat EC

Holding een pandrecht/zakelijke borgtocht verleent voor een bedrag van EUR

2.050.000 aan [verdachte D] en/of dat indien [verdachte A] zijn verplichtingen aan

[verdachte D] niet voor 01 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013

het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen en/of na uitoefening

van het pandrecht/zakelijke borgtocht EC Holding een vordering ad EUR

2.050.000 heeft op [verdachte A] , en/of

*** op of omstreeks 04 januari 2011, althans op een tijdstip in bovengenoemde

periode van de rekening van EC Holding het geldbedrag van EUR 2.050.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten op de rekening van [bedrijf verdachte D]

(proces-verbaal bijlage D-236) met de omschrijving "overboeking",

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door een bankrekening(en) van [bedrijf verdachte D] en/of enige (andere)

bankrekening voor overboeking(en) en storting(en) ter beschikking te (doen)

stellen;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

Eurocommerce Holding B.V. (verder te noemen EC Holding) en/of [verdachte A]

(geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te noemen [verdachte A] ) op één of meer tijdstippen in

of omstreeks de periode van 01 december 2011 tot en met 05 maart 2014, in

ieder geval in de periode van 01 januari 2010 tot en met 05 maart 2014, in de

gemeente(n) Deventer en/of Lochem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met elkaar en/of met [verdachte A] (geb. [geboortedatum 2] 1953, verder te

noemen [verdachte A] ) en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans ieder voor zich of alleen, terwijl zij, EC Holding,

bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012, in staat van

faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van haar (EC Holding) schuldeiser(s):

a.

lasten (heeft) verdicht en/of (een) bate(n) niet (heeft) verantwoord en/of

(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, en/of

b.

ter gelegenheid van het faillissement van EC Holding of op een tijdstip

waarop EC Holding en/of verdachte en/of zijn/haar mededader(s) wist(en) dat

het/de faillissement(en) niet kon(den) worden voorkomen, één of meer van de

schuldeisers van EC Holding -op enige wijze heeft bevoordeeld, en/of

c.

enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde,

heeft/hebben vervreemd,

immers heeft/hebben EC Holding en/of [verdachte A] . en/of haar/zijn/hun

mededader(s) -zakelijk omschreven-:

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode middels een

geldleningsovereenkomst, gedateerd 04 januari 2011 (zie proces-verbaal

bijlage D-231) opgemaakt en/of doen opmaken waarin EC Holding -zonder

zakelijk belang en/of zonder zekerheden- een lening verstrekt aan [bedrijf verdachte D] B.V.

(verder te noemen [bedrijf verdachte D] )ter hoogte van EUR 2.050.000, en/of

*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een

pandrechtsovereenkomst/zakelijk borgtocht, gedateerd en/of getekend op 03

januari 2011 (zie proces-verbaal bijlage D-235) opgesteld en/of doen

opstellen waarin -onder meer- staat vermeld dat EC Holding aan [bedrijf verdachte D] een

geldlening verstrekt van EUR 2.050.000, en/of dat [verdachte A] erkent een schuld

aan [verdachte D] (verder te noemen [verdachte D] ) te hebben van EUR 2.050.000

gebaseerd op een overeenkomst "VVHV" (Verrekening Verleden Huwelijkse

Voorwaarden) blijkens de daarop geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28

september 2009 en/of dat [verdachte A] erkent de in die VVHV afgesproken bedragen

niet tijdig conform afspraak te hebben betaald aan [verdachte D] en/of dat EC

Holding een pandrecht/zakelijke borgtocht verleent voor een bedrag van EUR

2.050.000 aan [verdachte D] en/of dat indien [verdachte A] zijn verplichtingen aan

[verdachte D] niet voor 01 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013

het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen en/of na uitoefening

van het pandrecht/zakelijke borgtocht EC Holding een vordering ad EUR

2.050.000 heeft op [verdachte A] , en/of

*** op of omstreeks 04 januari 2011, althans op een tijdstip in bovengenoemde

periode van de rekening van EC Holding het geldbedrag van EUR 2.050.000

overgemaakt/gestort en/of doen overmaken/storten op de rekening van [bedrijf verdachte D]

(proces-verbaal bijlage D-236) met de omschrijving "overboeking",

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf [bedrijf verdachte D] tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door haar, [bedrijf verdachte D] bankrekening en/of enige (andere) bankrekening

voor overboeking(en) en storting(en) ter beschikking te (doen) stellen,

tot het plegen van welke(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al

dan niet tezamen met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met

een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven.

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat mevr. [verdachte D] voor de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen met hoofdelijke veroordeling van mevr. [verdachte D] .

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat mevr. [verdachte D] de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat mevr. [verdachte D] het ten laste gelegde heeft begaan.

5.1

De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

[Familie]

Mevr. [verdachte D] is op [datum 1] 1979 getrouwd met [verdachte A] . Uit dit huwelijk is op [geboortedatum 3] 1982 [verdachte B] (hierna: [verdachte B] ) geboren en is op [geboortedatum 4] 1985 [verdachte C] (hierna: [verdachte C] ) geboren.

Eurocommerce

[verdachte A] is van 6 maart 1995 tot 7 juni 2012 als gevolmachtigd directeur alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder geweest van Ferdinand Stinger Holding BV. De aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV zijn sinds 30 november 2006 ondergebracht in de Stichting Administratiekantoor Ferdinand Stinger Holding en gecertificeerd.

[verdachte A] is gerechtigd tot 50% van de certificaten van de aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV in deze stichting. [verdachte B] en [verdachte C] zijn vanaf 30 november 2006 via een gezamenlijke holding en hun eigen vennootschappen ieder voor 25% gerechtigd tot de certificaten van de aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV in deze stichting.

[verdachte A] is voorzitter van het bestuur van genoemde stichting en heeft daarin drie stemmen; [verdachte B] en [verdachte C] hebben daarin ieder één stem.

Ferdinand Stinger Holding BV had alle aandelen van Eurocommerce Holding BV (hierna: EC Holding BV) in haar bezit en was van 23 december 2002 tot 7 juni 2012 als gevolmachtigd directeur alleen/ zelfstandig bevoegd bestuurder van EC Holding BV.

EC Holding BV bezat alle aandelen van onder meer Eurocommerce Projectontwikkeling BV (hierna: EC Projectontwikkeling BV) en van Eurocommerce Recreatie BV (hierna: EC Recreatie BV). EC Holding BV was als directeur alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van EC Projectontwikkeling BV en EC Recreatie BV.

[verdachte A] heeft verklaard dat hij in 1972 bij Eurocommerce is gekomen en in 1974 directeur is geworden.

In ieder geval vanaf 30 november 2006 lag de eindverantwoordelijkheid van de gang van zaken binnen de EC-vennootschappen bij hem. [verdachte A] is in de ten laste gelegde perioden de man geweest die binnen de EC-groep aan de touwtjes trok en in alle opzichten de man was die het voor het zeggen had.

Aan Ferdinand Stinger Holding BV, EC Holding BV en EC Projectontwikkeling BV is met ingang van 21 mei 2012 voorlopig surseance van betaling verleend door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Deze voorlopige surseances zijn bij beschikkingen van 12 juli 2012 ingetrokken.

Ferdinand Stinger Holding BV, EC Holding BV, EC Projectontwikkeling BV en EC Recreatie BV zijn met ingang van 12 juli 2012 in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

[verdachte A] is met ingang van 27 november 2012 door de rechtbank Zutphen in staat van faillissement verklaard.

5.2

Feit 1.

Onder feit 1 van parketnummer is aan mevr. [verdachte D] ten laste gelegd dat zij:

- primair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan Jachtstaete BV, de [stichting] en EC Holding BV terzake van bedrieglijke bankbreuk door Jachtstaete BV en EC Holding BV door op 4 november 2011 (onverplicht en/of zonder tegenprestatie) € 2.500.000,-- over te boeken van de bankrekening van Jachtstaete BV naar de bankrekening van de [stichting] en vervolgens op 19 december 2011 dat geldbedrag door te storten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat, welke betalingen in de administratie van EC Holding BV zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] in privé aan EC Holding BV en niet als een terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete, ten gevolge waarvan dit bedrag het vermogen van Jachtstaete en/of EC Holding BV heeft verlaten;

- subsidiair: tezamen en in vereniging met [verdachte A] , Jachtstaete BV, de [stichting] en EC Holding BV genoemde bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd;

- meer subsidiair: medeplichtig is geweest bij/ aan bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

- nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de [stichting] terzake van medeplichtigheid aan/bij bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

- meest subsidiair: feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan de [stichting] ter zake van het opzettelijk witwassen van een geldbedrag van € 2.500.000,--, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan de [stichting] ter zake van het opzettelijk witwassen van een geldbedrag van € 2.500.000,--.

5.2.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard en heeft daartoe zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. Mevr. [verdachte D] is in haar hoedanigheid van (mede)bestuurder van de [stichting] mede verantwoordelijk te stellen voor de aan [verdachte A] ten laste gelegde feiten waarin die stichting een rol speelde. De stichting was een instrument voor de ten laste gelegde wederrechtelijk gepleegde onttrekkingen aan de boedel en mevr. [verdachte D] heeft daaraan samen met haar man in bewuste en nauwe samenwerking vorm en inhoud gegeven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat mevr. [verdachte D] van dit feit wordt vrijgesproken en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat geen sprake was van een berispelijke rol van mevr. [verdachte D] . De handelingen ter zake van de ten laste gelegde overboekingen leveren geen strafbare feiten op en als dit wel zo zou zijn, dan blijkt niet dat mevr. [verdachte D] daarvan wetenschap had. Het dossier bevat geen bewijs waaruit kan worden afgeleid dat mevr. [verdachte D] op het moment van de ten laste gelegde handelingen, wetenschap had van een naderend faillissement van de EC-vennootschappen of [verdachte A] in privé.

5.2.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De feitelijke gang van zaken

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.

Ferdinand Stinger Holding BV, de topholding van de EC-groep, bezat 97,5% van de aandelen in Jachtstaete BV. De andere 2,5% van de aandelen waren in handen van [verdachte A] . Jachtstaete BV was een Financiële Holding Beheersmaatschappij. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel was [naam 1] van 3 juli 2001 tot 13 juni 2012 directeur van Jachtstaete BV.

Jachtstaete BV is met ingang van 14 augustus 2012 in staat van faillissement verklaard.

De [stichting] is op 15 december 2010 opgericht. Deze stichting heeft onder meer ten doel het beheren, bewaren en in stand houden van het vermogen van de [Familie] . De bestuurders van de stichting zijn [verdachte A] en mevr. [verdachte D] .

Op 4 november 2011 is een bedrag van € 2.500.000,-- overgeboekt van de bankrekening van Jachtstaete BV naar de bankrekening van de [stichting] . [verdachte A] heeft verklaard dat dit een tijdelijke storting was om beslaglegging te voorkomen.

In de notulen van de Algemene Vergadering van de [stichting] van 2 november 2011, waarbij [verdachte A] als secretaris/notulist, mevr. [verdachte D] als voorzitter en hun beide kinderen als ‘erfgenaam en later in rechten tredende’ aanwezig waren, is opgenomen:

Besluit 1.

De Stichting stemt ermee in dat € 2,5 miljoen (zegge: tweemiljoenvijfhonderdduizend euro) van Jachtstaete BV (dochter van Eurocommerce c.s.) tijdelijk gestald wordt bij de Stichting. Er zal geen renteverrekening plaatsvinden. Het geld behoort toe aan Eurocommerce c.s.

Besluit 2.

Op eerste verzoek van Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s. zal de Stichting de gelden aan Eurocommerce c.s. dan wel een nader door Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s. te bepalen entiteit overmaken of voldoen in de vorm van een betaling dan wel aanbetaling in opdracht van of namens Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s..

Besluit 3.

De Stichting zal de gelden niet (tijdelijk) aanwenden voor andere doeleinden en uitsluitend op de gelden passen als een “goed huisvader”. De Stichting heeft kennis genomen van het doel waarom de gelden aan de Stichting zijn toevertrouwd. De gelden die Jachtstaete BV in opdracht van Eurocommerce c.s. aan de Stichting heeft overgemaakt behoren toe aan Eurocommerce c.s..

Besluit 4.

Vóór of uiterlijk op 31 december 2011 zal de Stichting de gelden aan Eurocommerce c.s. terugbetalen. (…)”

[verdachte A] heeft verklaard dat hij deze notulen heeft opgemaakt.

Op 19 december 2011 is door de [stichting] een bedrag van € 2.500.000,-- overgeboekt op de rekening van [bedrijf] Notariaat, in verband met de aankoop van de kantoorpanden Hercules en Meander door EC Projectontwikkeling BV.

De curator in het faillissement van Jachtstaete BV heeft aangifte gedaan van onttrekking aan die BV van het bedrag van € 2.500.000,-- door [verdachte A] , op een moment dat hij redelijkerwijs rekening moest houden met het faillissement van Jachtstaete BV. Bij onderzoek in de administratie van EC zou de curator zijn gebleken dat in december 2011 in de rekening-courant verhouding met [verdachte A] een bedrag van € 6.000.000,-- (waar de onttrokken € 2.500.000,--- deel van uitmaakte) credit is geboekt, met als omschrijving ‘ [bedrijf] notarissen’.

Het oordeel van de rechtbank

De kern van het onder feit 1 aan mevr. [verdachte D] ten laste gelegde is dat de doorbetaling van de € 2.500.000,-- door de [stichting] aan [bedrijf] Notariaat boekhoudkundig verwerkt is als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] privé aan EC Holding BV en niet als een terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete BV. [verdachte A] zou daardoor voor dat bedrag van € 2.500.000,-- bevoordeeld zijn.

Het hoofd van de administratie van EC, [naam 2] , heeft schriftelijk verklaard dat hij uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor de boekhouding van onder meer EC Holding BV. Vóór het definitief maken van de jaarrekening werden alle kruisposten of boekingen van tijdelijke aard door hem en de directie besproken en kregen deze een definitieve status, aldus [naam 2] . Hij stelt niet verantwoordelijk te zijn voor het opstellen van de jaarrekening 2011. Het dossier bevat een handgeschreven aantekening waarop staat geschreven dat de doorbetaling aan [bedrijf] Notariaat als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] aan EC Holding BV is geboekt. [naam 2] heeft omtrent de handgeschreven aantekening verklaard dat hij niet bij de boeking betrokken is geweest en daar ook geen kennis van had. Hem is ook niet duidelijk wanneer en door wie de boeking zou zijn gedaan. Ook overigens heeft de rechtbank op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet kunnen vaststellen wie de aantekening gemaakt heeft, wanneer de aantekening gemaakt is, waar die aantekening precies is aangetroffen en wat de status van de aantekening is.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet bewezen kan worden verklaard dat de betaling van € 2.500.000,-- aan [bedrijf] Notariaat op 19 december 2011 in de administratie van EC Holding BV verwerkt is als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] , zodat de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk in geen van de aan mevr. [verdachte D] verweten deelnemingsvarianten bewezen kan worden verklaard. De bedrieglijke bankbreuk zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair en subsidiair is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen. Nu niet bewezen is dat de € 2.500.000,-- afkomstig is uit het misdrijf bedrieglijke bankbreuk dan wel enig ander misdrijf, kunnen de onder feit 1 meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde witwasvarianten van dat bedrag evenmin bewezen worden verklaard.

Conclusie

De rechtbank zal mevr. [verdachte D] vrijspreken van hetgeen aan haar onder feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd.

5.3

Feit 2

Onder feit 2 is aan mevr. [verdachte D] ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging met [verdachte A] bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd in zijn privé faillissement door onverplicht en zonder (geldige) titel:

( a) op 30 december 2010 ver beneden de waarde in het economisch verkeer de woning aan de Veldhofstraat 36A te Gorssel voor € 1,-- te verkopen aan [stichting] ;

( b) op 23 december 2011 € 2.500.000,-- en op 26 januari 2012 € 2.000.000,-- over te maken van de privérekening bankrekening van [verdachte A] op een bankrekening van de [stichting] ;

( c) in de periode van 13 juli 2011 tot en met 16 augustus 2012 in totaal € 1.080.000,-- over te maken naar een bankrekening van [verdachte D] ;

( d) op 29 december 2011 € 250.000,-- contant op te nemen van de privé bankrekening van [verdachte A] ;

- subsidiair: medeplichtig is geweest aan/bij genoemde bedrieglijke bankbreuk door [verdachte A] ;

- meer subsidiair : feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan [stichting] ter zake van medeplichtigheid aan/bij genoemde bedrieglijke bankbreuk gepleegd door [verdachte A] ;

- nog meer subsidiair: tezamen en in vereniging met [verdachte A] en de [stichting] gewoontewitwassen heeft gepleegd;

en/of feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan de [stichting] ter zake van het plegen van gewoontewitwassen.

5.3.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de overgeboekte geldbedragen in het zicht van het faillissement van [verdachte A] aan diens vermogen onttrokken zijn. Aan de overboekingen zou een tussen [verdachte A] en mevr. [verdachte D] op 28 september 2009 overeengekomen Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden (hierna: VVHV) ten grondslag hebben gelegen, maar het dossier bevat meerdere aanwijzingen dat de VVHV is geantedateerd. Bovendien heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 juni 2016 geoordeeld dat de VVHV nietig is omdat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden ten onrechte niet ter goedkeuring aan de rechtbank is voorgelegd. Daarmee vervalt de rechtsgrond aan de overboekingen. Maar ook als de VVHV rechtsgeldig en niet geantedateerd zou zijn is volgens de officier van justitie sprake van faillissementsfraude, omdat in dat geval een specifieke crediteur, zijnde mevr. [verdachte D] , bevoordeeld is in de wetenschap dat een faillissement van [verdachte A] niet kon worden voorkomen (art. 341 sub a onder 3º Sr). De opname in contanten van € 250.000,-- had als reden dat dit geldbedrag veilig gesteld en verborgen diende te worden, nadat [verdachte A] op 15 november 2011 tegenover de Rabobank en de FGH bank had bekend valsheden in geschrift te hebben gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat op het moment van de verschillende overboekingen geen sprake was van een voor mevr. [verdachte D] voorzienbaar faillissement van [verdachte A] , zodat bedrieglijke bankbreuk niet aan de orde kan zijn. Bovendien hebben de overboekingen plaatsgevonden in het kader van de VVHV. Partijen gingen er destijds van uit dat die VVHV rechtsgeldig was, zodat gevolg moest worden gegeven aan de daarin gemaakte afspraken. [verdachte A] en mevr. [verdachte D] wisten niet dat de VVHV geen rechtsgeldige titel vormde voor de transacties, zodat er geen sprake is van opzet in het verband van artikel 341 Sr.

5.3.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De feitelijke gang van zaken

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.

Met betrekking tot de VVHV

[verdachte A] is op [datum 1] 1979 getrouwd met mevr. [verdachte D] . Op [datum 2] 1979 hebben zij huwelijkse voorwaarden laten vastleggen, onder meer inhoudende dat elke huwelijksgoederen-gemeenschap is uitgesloten. In de huwelijkse voorwaarden is geen periodiek verrekenbeding opgenomen.

Vervolgens zijn in de VVHV, met dagtekening 28 september 2009, afspraken vastgelegd tussen [verdachte A] en mevr. [verdachte D] over de verdeling van het vermogen. In dit door [verdachte A] , mevr. [verdachte D] en hun beide kinderen ondertekende document staat onder meer:

artikel 5: Indachtig bovenstaande bepalingen wordt het te verrekenen bedrag aan overgespaarde inkomsten vastgesteld op € 10.000.000,-- (zegge: tien miljoen euro). Voornoemde besparing is in de vorm van vermogensaanwas en zal worden uitgekeerd aan de vrouw. Derhalve is de man verschuldigd aan de vrouw € 10.000.000,-- (zegge: tien miljoen euro). Het te verrekenen bedrag zal worden betaald, in nader overeen te komen termijnen, vóór 31 december 2012.

In een document, gedateerd 14 oktober 2009, is het betalingsschema opgenomen dat bij de VVHV hoort. In dit document staat onder meer:

Uitvoering betalingen zoals overeengekomen in de VVHV d.d. 28 september 2009 (Artikel 5).

De vervaldata zijn:

- Vóór of uiterlijk op 31 december 2009 € 2.000.000,--

30 juni 2010 € 2.000.000,--

31 december 2010 € 2.000.000,--

30 juni 2011 € 2.000.000,--

31 december2011 € 1.000.000,--

30 juni 2012 € 500.000,--

31 december 2012 € 500.000,--

Bovenstaande bedragen respectievelijk betalingsmomenten kunnen eerder worden voldaan; nimmer later dan de vervaldata die vermeld staan.

Met betrekking tot de overboekingen en de contante opname

Op 23 december 2011 is een bedrag van € 2.500.000,-- overgemaakt van de privé bankrekening van [verdachte A] naar de bankrekening van de [stichting] . Vervolgens is op 26 januari 2012 een bedrag van € 2.000.000,-- van de privérekening van [verdachte A] op een bankrekening van de [stichting] overgemaakt.

Daarnaast zijn de volgende geldbedragen van de privérekening van [verdachte A] op een bankrekening van [verdachte D] overgemaakt:

- op 13 juli 2011 € 750.000,--

- op 6 februari 2012 € 200.000,--

- op 3 mei 2012 € 35.000,--

- op 31 mei 2012 € 20.000,--

- op 16 augustus 2012 € 75.000,--.

Op 29 december 2011 is een bedrag van € 250.000,-- contant opgenomen van een privé bankrekening van [verdachte A] . Het bedrag is uitbetaald in coupures van € 500,--.

Met betrekking tot het faillissement van de EC-groep en [verdachte A] privé

Op 5 maart 2012 heeft de advocaat van Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV het faillissement aangevraagd van EC Projectontwikkeling BV. De behandeling van het faillissementsverzoek is een aantal malen op verzoek van de advocaat aangehouden, laatstelijk tot 24 april 2012.

In de maanden maart en april 2012 hebben er onderhandelingen over een herstructurering van EC plaatsgevonden tussen [verdachte A] en een aantal banken, vertegenwoordigd door de heer [naam 3] van de Rabobank. Nadat zijn toenmalige raadsman bij brief d.d. 19 april 2012 het herstructureringsplan van EC namens [verdachte A] had verworpen en een tegenvoorstel had gedaan, heeft genoemde [naam 3] bij brief van 23 april 2012 dat tegenvoorstel verworpen en [verdachte A] tot 25 april 2012, 17.00 uur de tijd gegeven om alsnog akkoord te gaan met het herstructureringsplan.

[verdachte A] is niet alsnog akkoord gegaan maar heeft vervolgens surseance van betaling aangevraagd bij de rechtbank, die met ingang van 21 mei 2012 verleend is.

Vervolgens is op 12 juli 2012 EC Holding BV in staat van faillissement verklaard. Het faillissement van [verdachte A] privé is aangevraagd door de curatoren van EC en uitgesproken op 27 november 2012.

Volgens het eerste faillissementsverslag bedroeg de schuldpositie van [verdachte A] op de datum van faillissement:

- lening Ferdinand Stinger Holding BV € 28.383.272,--

- rekening courant Ferdinand Stinger Holding BV € 17.557.181,--

- te betalen rente tot 30-09-20 12, begroot op € 2.276.768,--

- fiscale claim € 12.460.687,--

€ 60.677.908,--

Tegenover deze schulden stonden circa € 20.000.000,-- aan bezittingen.

Het oordeel van de rechtbank

Aan mevr. [verdachte D] is onder feit 2 ten laste gelegd – zakelijk weergegeven – dat zij samen met [verdachte A] betrokken is geweest bij het doen van onttrekkingen aan het privé faillissement van [verdachte A] als bedoeld in art. 341 sub a, onder 1º Sr. Daarbij komt de vraag op of de ten laste gelegde rechtshandelingen verricht zijn ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. De rechtbank zal eerst op deze vraag ingaan.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat de in art. 341 Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan. Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid.

De rechtbank overweegt verder dat voor het bewijs van opzet de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels, feiten van algemene bekendheid etc. van belang zijn. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard (gewild).

Voorzienbaarheid van het faillissement van de EC-vennootschappen en van [verdachte A] privé voor [verdachte A]

De rechtbank heeft in de zaak tegen [verdachte A] geoordeeld dat er vanaf 15 november 2011 een aanmerkelijke kans bestond op een faillissement van de EC-groep, en in het verlengde daarvan van [verdachte A] in privé. Met name de gevolgen van de vastgoedcrisis voor de EC-groep, de afbouw van de kredietstelling door de ABN Amrobank en de bekentenis van [verdachte A] aan de Rabobank en FGH bank dat hij belangrijke documenten valselijk had opgemaakt leiden tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte A] zich vanaf 15 november 2011 bewust is geweest van die aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep en van hemzelf in privé, en die kans ook heeft aanvaard.

Van transacties die voor deze datum zijn gepleegd, kan niet bewezen verklaard worden dat [verdachte A] ten tijde van de overboekingen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op benadeling van de schuldeisers van EC en, in het verlengde daarvan, van hemzelf en daardoor strafbaar heeft gehandeld, laat staan dat aan mevr. [verdachte D] in dit verband een strafbaar verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank mevr. [verdachte D] vrij zal spreken van de onder feit 2 ten laste gelegde transacties die zijn verricht vóór 15 november 2011, te weten:

- de overdracht van de woning op 30 december 2010;

- de overboeking van € 750.000,-- op 13 juli 2011 van de privérekening van [verdachte A] naar een bankrekening van mevr. [verdachte D] .

Voorzienbaarheid van het faillissement van de EC-vennootschappen en van [verdachte A] privé voor mevr. [verdachte D]

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat mevr. [verdachte D] op de hoogte was van de aanmerkelijke kans op het faillissement van de EC-vennootschappen en in het verlengde daarvan van [verdachte A] privé op de tijdstippen waarop de onder feit 2 aan haar verweten gedragingen zijn verricht. Er bestond op het moment van de ten laste gelegde rechtshandelingen weliswaar een aanmerkelijke kans op het faillissement van de EC-vennootschappen en van [verdachte A] , maar de rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat mevr. [verdachte D] op de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde data, op de hoogte was van die aanmerkelijke kans, laat staan dat zij deze kans bewust aanvaard heeft. De kennis en wetenschap van [verdachte A] over het financiële reilen en zeilen van de EC-vennootschappen kan, anders dan de officier van justitie stelt, naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aan mevr. [verdachte D] worden toegerekend. Het dossier bevat geen bewijs voor deze stelling. Haar enkele betrokkenheid bij de ten laste gelegde handelingen is daarvoor onvoldoende. Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte A] het EC-concern leidde als ware het een eenmanszaak. Hij trok aan de touwtjes en nam de (financiële) beslissingen. Dat hij zijn echtgenote daarin betrok of daarover raadpleegde, wordt door beiden ontkend en blijkt niet uit het dossier. Evenmin blijkt uit het dossier dat mevr. [verdachte D] op de hoogte was van het financiële reilen en zeilen van de EC-vennootschappen.

Met betrekking tot de overboekingen van 31 mei 2012 en 16 augustus 2012 van de privérekening van [verdachte A] naar de bankrekening van mevr. [verdachte D] overweegt de rechtbank nog in het bijzonder als volgt. De overboeking van 31 mei 2012 is verricht na het verlenen van de surseance van betaling op 21 mei 2012. De overboeking van 16 augustus 2012 is verricht na het faillissement van EC Holding BV op 12 juli 2012, maar vóór het faillissement van [verdachte A] privé op 27 november 2012. Mevr. [verdachte D] heeft verklaard dat zij vanaf de datum waarop de surseance van betaling werd verleend op de hoogte raakte van de financiële problemen van het EC-concern. De rechtbank heeft echter in het dossier onvoldoende bewijs aangetroffen dat mevr. [verdachte D] op de hoogte was van de schuld die [verdachte A] in rekening-courant had aan EC Holding BV én dat zijn privévermogen volstrekt onvoldoende was om deze schuld af te lossen, waardoor zijn privéfaillissement onafwendbaar was. Reden waarom naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van deze overboekingen niet bewezen kan worden dat zij zijn verricht terwijl mevr. [verdachte D] op de hoogte was van een aanmerkelijke kans op het faillissement van [verdachte A] privé en dat zij deze kans bewust aanvaard heeft.

Witwassen

Met betrekking tot het onder feit 2 nog meer subsidiair en cumulatief alternatief ten laste gelegde (gewoonte)witwassen overweegt de rechtbank als volgt. De periode van de witwasverdenking strekt zich uit tot 17 juli 2014, aldus ruim na het intreden van de faillissementen van de EC vennootschappen en [verdachte A] privé. De huiszoekingen zijn verricht op 9 oktober 2013, zodat verdedigd kan worden dat mevr. [verdachte D] zich vanaf dat moment had moeten realiseren dat haar echtgenoot onderwerp van strafrechtelijk onderzoek was en in het verlengde daarvan dat hij zich in het verleden schuldig zou kunnen hebben gemaakt aan een misdrijf. Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde witwasvarianten is echter vereist dat mevr. [verdachte D] gebruik heeft gemaakt van de van [verdachte A] ontvangen geldbedragen, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen (zoals onder feit 2 ten laste gelegd) van misdrijf afkomstig waren. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat mevr. [verdachte D] vanaf 9 oktober 2013 gebruik heeft gemaakt van van [verdachte A] ontvangen geldbedragen, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze afkomstig waren uit het misdrijf bedrieglijke bankbreuk gepleegd door [verdachte A] . De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat van een aantal van die overboekingen is vastgesteld dat zij zijn verricht vóór 15 november 2011, dus op een moment dat nog geen sprake was van de aanmerkelijke kans op faillissement.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat de subsidiair en de cumulatief alternatieve witwasvarianten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Conclusie

De rechtbank zal mevr. [verdachte D] vrijspreken van hetgeen haar onder feit 2 primair, subsidiair, nog meer subsidiair en cumulatief alternatief is ten laste gelegd.

5.4

Feit 3

Onder feit 3 is aan mevr. [verdachte D] ten laste gelegd dat zij, zakelijk weergegeven,

- primair: tezamen en in vereniging met [verdachte A] en EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd in het faillissement van EC Holding BV door:

  • -

    het opmaken van een geldleningsovereenkomst met een looptijd van 3 jaren tussen EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV voor een bedrag van € 2.050.000,-- gedateerd 4 januari 2011, in welke overeenkomst geen zekerheden worden gesteld;

  • -

    het opmaken van een pandrechtovereenkomst, gedateerd 3 januari 2011, in welke overeenkomst wordt vermeld:

- dat EC Holding BV aan [bedrijf verdachte D] BV een geldlening verstrekt van € 2.050.000,--;

- dat [verdachte A] erkent een schuld aan mevr. [verdachte D] te hebben van € 2.050.000,-- gebaseerd op een overeenkomst “VVHV” (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden), blijkens de daarop geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28 september 2009;

- dat [verdachte A] erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig conform afspraak te hebben betaald aan mevr. [verdachte D] ;

- dat EC Holding BV onzakelijk/onverplicht een pandrecht/zakelijke borgtocht voor de gestelde schuld van verdachte aan mevr. [verdachte D] verleent voor een bedrag van € 2.050.000,-- aan mevr. [verdachte D] , inhoudende dat indien [verdachte A] zijn verplichtingen aan mevr. [verdachte D] niet vóór 1 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijke borgtocht zal worden ingeroepen, waardoor na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht EC Holding een vordering ad € 2.050.000,-- heeft op [verdachte A] ;

 het op 4 januari 2011, dus veel eerder dan verplicht, door EC Holding BV aan [bedrijf verdachte D] BV overmaken van € 2.050.000,--,

welke drie feiten er – tezamen en in onderling verband bezien – toe hebben geleid dat een bedrag van € 2.050.000,-- aan het vermogen van EC Holding BV is onttrokken;

- subsidiair feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV ter zake het plegen van bedrieglijke bankbreuk;

- meer subsidiair medeplichtig is geweest aan/ bij EC Holding BV en [verdachte A] ter zake het plegen van bedrieglijke bankbreuk;

- nog meer subsidiair: feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan [bedrijf verdachte D] BV ter zake van medeplichtigheid bij/ aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door EC Holding BV.

5.4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd.

5.4.2

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feitelijke gang van zaken

[bedrijf verdachte D] BV is een vennootschap waarvan mevr. [verdachte D] directeur enig aandeelhouder is. Feitelijke activiteiten zijn het beleggen van gelden.

Op 4 januari 2011 heeft EC Holding BV aan [bedrijf verdachte D] BV een geldlening verstrekt voor een bedrag van € 2.050.000,--. Hiervan is een geldleningsovereenkomst opgemaakt. Op 4 januari 2011 is het door EC Holding BV uitgeleende bedrag overgemaakt naar [bedrijf verdachte D] BV. [bedrijf verdachte D] BV heeft van dit overgemaakte geld effecten gekocht. De lening heeft een looptijd van 3 jaren en er zijn geen zekerheden gesteld.

Op 3 januari 2011 is een pandrechtovereenkomst/zakelijke borgtocht gesloten waarbij het volgende is overeengekomen:

- EC Holding BV leent € 2.050.000,-- aan [bedrijf verdachte D] BV;

- [verdachte A] erkent een schuld aan mevr. [verdachte D] te hebben van € 2.050.000.--, gebaseerd op een tussen beiden gesloten overeenkomst “Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden”, gedateerd 28 september 2009;

- [verdachte A] erkent niet tijdig de afgesproken bedragen te hebben betaald aan mevr. [verdachte D] ;

- EC Holding BV verleent een pandrecht/zakelijke borgtocht voor € 2.050.000,-- aan mevr. [verdachte D] ;

- indien [verdachte A] zijn verplichtingen tegenover mevr. [verdachte D] niet vóór 1 december 2013 nakomt zal automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijke borgtocht worden ingeroepen;

- na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht heeft EC Holding BV een vordering op [verdachte A] van € 2.050.000,--.

[verdachte A] is op 27 november 2012 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is aangevraagd door de curatoren van de EC-groep op basis van het feit dat [verdachte A] een schuld aan de EC-groep had van circa € 45.000.000,-- terwijl hier nauwelijks bezittingen tegenover stonden. [verdachte A] heeft in zijn aangifte Inkomstenbelasting per 1 januari 2011 een negatief vermogen van ca. € 25.000.000,-- aangegeven. Dit is exclusief de aandelen in de EC-groep. Deze aandelen hadden op dat moment onder andere vanwege de banken- en vastgoedcrisis geen waarde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft beslist dat niet eerder dan vanaf 15 november 2011 een aanmerkelijke kans bestond op het faillissement van de EC-groep. Vanaf die datum kunnen handelingen ten nadele van de boedel van EC Holding BV mogelijk als bedrieglijke bankbreuk aangemerkt worden, omdat deze zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’.

De onder feit 3 genoemde (rechts)handelingen hebben alle plaatsgevonden op 3 respectievelijk

4 januari 2011, dus ruim vóór 15 november 2011. Dit betekent dat het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ niet bewezen kan worden.

Conclusie

De rechtbank zal mevr. [verdachte D] vrijspreken van het onder feit 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste gelegde.

5.5

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan mevr. [verdachte D] :

  • -

    onder feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair,

  • -

    onder feit 2 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en cumulatief/ alternatief en

  • -

    onder feit 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair is tenlastegelegd,

zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De schade van benadeelden

6.1

De vordering van de benadeelde partij

De Coöperatieve Rabobank u.a. te Utrecht heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van [verdachte D] tot betaling van € 2.050.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade betreft materiële schade. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk nu mevr. [verdachte D] ter zake van feit 3, zijnde het feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat mevr. [verdachte D] het onder:

- feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair,

- feit 2 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en cumulatief/alternatief en

- onder feit 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank u.a., gezeteld te Utrecht, niet ontvankelijk is in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2016.