Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4829

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
C/08/182643 / FA RK 16-359
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van vader ex art 1:253a BW afgewezen nu verzoek vermogensrechtelijke kwesties betreft. Geschillenregeling art 1:253a BW leent zich daar niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/182643 / FA RK 16-359

beschikking van de rechtbank in de rechtbank Overijssel d.d. 13 oktober 2016.

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. E.G. Blankestijn te Enschede,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 15 februari 2016;

- een op 2 maart 2016 binnengekomen brief van mr. Sabaroedin met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 3 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen:
- de ouders, beiden bijgestaan door hun advocaat,
- de heer J.J. de Vries, namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen

“de Raad”.

1.3.

Nadien heeft de rechtbank kennis genomen van:

- een op 6 juli 2016 binnengekomen brief van mr. Sabaroedin;

- een op 6 juli 2016 binnengekomen brief van mr. Bankestijn.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn op 18 augustus 2000 te Almelo met elkaar gehuwd. De vader en de moeder zijn de ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2000] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2002] ,

[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [2006] .

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

[minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2013 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op

8 januari 2014 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van deze beschikking een bedrag van € 2.061,62 bij te schrijven op de bankrekening van [minderjarige 1] .

3.2.

Volgens de vader heeft de moeder in 2013 en 2014 bedragen van de bankrekening van [minderjarige 1] opgenomen voor eigen gebruik. De vader is van mening dat de moeder gehouden is de opgenomen bedragen terug te storten op de rekening van [minderjarige 1] , maar de moeder is daartoe niet overgegaan. Nu de moeder niet bereid is vrijwillig de rekening van [minderjarige 1] aan te zuiveren, heeft de vader uit hoofde van de geschillenregeling ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) het onderhavige verzoek ingediend.

4 Het verweer

4.1.

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek aangezien er geen sprake is van een geschil tussen de ouders over de gezagsuitoefening. Daarnaast stelt zij dat zij de gelden destijds met instemming van de vader van de rekening van [minderjarige 1] heeft opgenomen en dat van een afspraak tot terugbetaling nimmer sprake is geweest. De moeder had het geld nodig om een snelle verhuizing van de echtelijke woning naar een huurwoning te bewerkstelligen.

5 De beoordeling

5.1.

Ter zitting op 3 maart 2016 is besproken dat er naast de financiële kwestie ook

problemen spelen ten aanzien van de omgangsregeling. De ouders hebben ter zitting

afgesproken dat zij zich gaan aanmelden bij het BRAM-project om daar afspraken ten

aanzien van onder meer de zorg- en contactregeling proberen te maken. Voorts is aan de

orde gekomen dat, mocht het project BRAM niet slagen, de Raad geen onderzoek zal gaan

doen, omdat er een financiële aanleiding is. De rechtbank heeft vervolgens iedere beslissing

aangehouden in afwachting van de uitkomsten van het zogenaamde BRAM-project.

5.2.

Gebleken is dat het BRAM-project niet is geslaagd. Nu de Raad geen onderzoek gaat

doen, zal de rechtbank een beslissing geven.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een geschil tussen de ouders over de gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW. Het gezag betreft (mede) het bewind over het vermogen van de minderjarige. Ouders hebben afgesproken dat het vermogen van [minderjarige 1] zou worden aangewend ter bestrijding van de kosten van de verhuizing na scheiding. In essentie betreft het geschil de vraag of er een vordering is ontstaan van [minderjarige 1] op degene het bedrag heeft verkregen dat van haar spaarrekening is gehaald. Dat betreft een vermogensrechtelijke kwestie tot de beantwoording waarvan de geschillenregeling van artikel 1:253a BW zich niet leent. Gelet hierop wordt het verzoek van de vader afgewezen.

De proceskosten

5.4.

Omdat de vader en de moeder gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van ouders de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst af het verzoek van de vader;

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. W.M.B. Elferink, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.