Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4748

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
08.770022-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zicht schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een patiënte/cliënte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2017-0022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770022-16

Datum vonnis: 29 november 2016

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 november 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en/of zorg had toevertrouwd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te Deventer, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, (telkens) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door voornoemde [slachtoffer] zich één of meermalen (volledig) te laten ontkleden en/of (vervolgens) één of meermalen zijn penis in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer] te brengen/duwen.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling

5.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdachte

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het tenlastegelegde vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daartoe stelt de raadsvrouw primair dat er geen sprake meer was van een behandelrelatie op het moment dat de seksuele relatie tussen haar cliënt en [slachtoffer] begon/gaande was en dat afhankelijkheid van [slachtoffer] ontbrak binnen deze seksuele relatie. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat haar cliënt van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad op het misbruik maken van zijn positie waardoor niet bewezen kan worden dat hij strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.2

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is onder meer in het leven geroepen om de patiënt of cliënt te beschermen tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, NJ 2004/78).

Niet ter discussie staat dat aangeefster en verdachte in de periode 16 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 een behandelrelatie én - al dan niet nadat deze relatie zou zijn beëindigd - een seksuele relatie hebben gehad. Ook staat niet ter discussie dat verdachte meermalen zijn penis in de mond, vagina en anus van aangeefster heeft gebracht/geduwd. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan vastgesteld worden dat aangeefster

- achteraf - een andere beleving heeft gehad van de mate van vrijwilligheid en afhankelijkheid ten tijde van de seksuele relatie, terwijl verdachte van mening is dat de seksuele relatie tussen twee personen met een hulpverlenersachtergrond, is ontstaan op grond van wederzijdse aantrekkingskracht, nadat uitvoerig is gesproken over het beëindigen van de behandelrelatie.

Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van ontucht in de zin van artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3 Sr dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of de behandelrelatie tussen verdachte en aangeefster op het moment dat de seksuele relatie begon, (formeel) beëindigd was.

Als dit niet het geval zou zijn geweest, rechtvaardigt dit het oordeel dat er (in beginsel) sprake is geweest van ontucht in de zin van artikel 249 Sr.

Verdachte heeft ten aanzien van de therapiesessies op respectievelijk 16 februari 2015,

2 maart 2015, 5 maart 2015, 11 maart 2015 en 12 maart 2015 facturen opgemaakt, die zijn voldaan door aangeefster. Verdachte heeft verklaard ook een factuur voor de therapiesessie van 18 maart 2015 te hebben opgemaakt, maar deze niet aan aangeefster te hebben gegeven omdat op die dag, drie kwartier tot een uur ná het beëindigen van de behandelrelatie, de seksuele relatie is begonnen. Naar eigen zeggen vond verdachte het niet meer kunnen om de factuur te geven. Aangeefster heeft verklaard dat ze op 18 maart 2015 voor het eerst seks heeft gehad met verdachte en dat verdachte vervolgens zou hebben gezegd dat zij de therapie niet meer hoefde te betalen, omdat het voor hem dan niet strafbaar zou zijn en dat, als ze iets met hem wilde bespreken, ze dat tijdens de seks kon doen. Dit maakt dat er een discrepantie bestaat tussen de verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte wat betreft de al dan niet formele beëindiging van de behandelrelatie, waardoor de rechtbank niet zonder meer kan vaststellen of hiervan sprake is geweest.

Dat de rechtbank niet zonder meer kan vaststellen of de behandelrelatie al dan niet formeel is beëindigd, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Mocht de behandelrelatie namelijk formeel beëindigd zijn, dan rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat er geen sprake is geweest van ontucht in de zin van artikel 249 Sr. Integendeel, als uitgangspunt heeft namelijk te gelden dat - zelfs al is de behandelrelatie tussen aangeefster en verdachte formeel beëindigd - er nog sprake kan zijn van ontucht in bovengenoemde zin en dat zolang sprake is van een verhouding hulpverlener en patiënt of cliënt, sprake is van (een vorm van) afhankelijkheid van de hulpverlener. De rechtbank dient daarom vervolgens de vraag te beantwoorden of de afhankelijkheid samenhangend met de hulpvraag een rol speelde bij de seksuele handelingen waardoor er feitelijk nog sprake was van (enige mate van) afhankelijkheid die op een hulpverleningsrelatie kan worden teruggevoerd. Er is alleen dan geen sprake van “ontucht plegen” wanneer de behandelrelatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997/485).

De rechtbank acht voldoende bewijs aanwezig voor het oordeel dat de behandelrelatie feitelijk gezien wél is voortgezet ten tijde van de seksuele relatie en verwerpt daarmee het verweer van verdachte dat alles wat in de seksuele relatie op hulpverlener en cliënt gebied is voorgevallen, zich afspeelde tussen twee geliefden die gelijkwaardig aan elkaar zijn. Het feit dat aangeefster de opleiding SPW heeft gevolgd en ten tijde van de behandeling werkzaam was in de hulpverlening maakt niet dat sprake was van gelijkwaardigheid, omdat aangeefster met een hulpvraag als cliënt in behandeling kwam bij verdachte die in een professionele setting zijn rol als therapeut uitoefende. De afhankelijkheid is ontstaan op het moment dat aangeefster voor haar hulpvraag in behandeling kwam bij verdachte en is naar het oordeel van de rechtbank blijven bestaan ten tijde van de seksuele relatie nu uit het dossier blijkt dat ten tijde van de seksuele relatie meerdere keren is gesproken over therapie vóór tijdens of na de seks. Dat de behandel- en seksuele relatie zeer met elkaar verweven waren blijkt ook uit het volgende e-mailbericht dat door verdachte op 21 maart 2015 naar aangeefster is verstuurd: ‘Het is toen in de laatste sessie dat ik op je zat je je benen zo speels heen en weer trappelde en dat ik je kietelde en vooral toen je handen naar je kutje en borsten wilden dat ik voelde dat we eigenlijk gewoon met voorspel bezig waren.’

Dat er tijdens de seksuele relatie een behandelrelatie is geweest tussen verdachte en aangeefster maakt dat er in beginsel sprake is geweest van een vorm van afhankelijkheid die gevolgen kán hebben voor ‘de vrijwilligheid’ van de seksuele relatie.

Voor de beoordeling van de vraag of de afhankelijkheidsrelatie – die in beginsel als gegeven moet worden aangemerkt – in dit geval afwezig zou zijn, of dat de hulpverleningsrelatie een rol speelde in de seksuele handelingen, is het onderwerp van de therapie relevant. De afhankelijkheidsrelatie manifesteert zich namelijk op het terrein waar de hulpverlening plaatsvindt. De afhankelijkheid moet worden gezien als een die direct voortvloeit uit de specifieke behandelrelatie. Van belang daarbij is in hoeverre de omstandigheden dat de cliënt of patiënt problemen heeft die hem afhankelijk maken van de hulpverlener - op een manier die een seksuele relatie ontuchtig doen zijn - bij de hulpverlener bekend zijn dan wel verondersteld mocht worden dat deze bij hem bekend zijn.

Beoordeeld moet worden met welke hulpvraag aangeefster bij verdachte is gekomen en of deze ook het onderwerp (problematiek op het gebied van) seksualiteit besloeg. Aangeefster en verdachte verschillen hierover van mening. Aangeefster heeft verklaard dat ze bij verdachte kwam voor hulp (onder andere) omdat ze moeite had met intimiteit, zich emotioneel niet kon geven, om uit te zoeken wat er mis was met de relatie tussen haar en haar toenmalige partner en omdat ze de dingen wilde verwerken die in het verleden waren gebeurd. Volgens verdachte besloeg de hulpvraag van aangeefster niet (problematiek op het gebied van) seksualiteit omdat ze de problemen uit het verleden al verwerkt zou hebben en deze niet wilde bespreken. Volgens verdachte staat de hulpvraag beschreven op borden waarvan een fotokopie als bijlage A aan de pleitnotitie is gehecht.

De rechtbank gaat ervan uit dat hetgeen in het schema op pagina 159 van het dossier, of hetgeen is opgenomen op de borden welke in fotokopie zijn gehecht aan de pleitnotitie, de hulpvraag omschrijft waar de behandeling op zag. Een foto van het schema op pagina 159 van het dossier is op de telefoon van aangeefster aangetroffen, terwijl de borden waar de verdachte op doelt niet zijn gedateerd en pas in een zeer laat stadium door de verdediging zijn ingebracht. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld wanneer deze borden zijn opgemaakt en of aangeefster bekend is met de inhoud van de borden, wat de betrouwbaarheid van deze borden ter discussie stelt. De rechtbank gaat wat betreft de vaststelling van de hulpvraag dan ook uit van hetgeen in het schema op pagina 159 staat vermeld en hetgeen aangeefster heeft verklaard. Daarbij speelt mee dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij al ten tijde van de eerste vijf therapiesessies ervan op de hoogte was dat aangeefster vroeger misbruikt was en seksueel tekort kwam bij haar partner. Ook is toen een de aangeefster betreffend psychiatrisch rapport besproken, waaruit blijkt dat bij aangeefster sprake was van een stoornis in de seksuele beleving. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank van oordeel is dat seksualiteit ook onderdeel was van de hulpvraag.

Daarnaast moet beoordeeld worden of de hulpverleningsrelatie een rol speelde binnen de seksuele relatie. Dat dit het geval is blijkt onder meer uit de volgende e-mailberichten die door verdachte en aangeefster over en weer zijn verstuurd:

Aangeefster:

‘Ik heb het wel nodig dat er ook ruimte is om mijn onzekerheden te bespreken maar die geef je me wel he.. Het is natuurlijk niet voor niks dat ik weer hulp ben gaan zoeken. (…) Tja ik weet dus echt niet of ik last heb van dat misbruik, nu voelt het in elk geval niet zo en ja ik word er geil van, helemaal als ik merk dat het jou ook geil maakt als ik erover vertel. (…) Oké dat is ook de beste manier he. therapie terwijl je me afneukt. (…) ondertussen ben ik ook gewoon je cliënt he met al haar issues. (…) de therapie bij jou is de beste therapie ooit. (…) Fijn ook het half uurtje therapie. (…) Kunnen we morgen ook een beetje therapie doen trouwens? (…)

Verdachte:

‘En engel therapie heb je zeker nodig en dat doen we dus ook. (…) Ik kan niet anders dan kwaad zijn dat je misbruikt bent en zo ontspoord bent. Dat moeten we allemaal genezen lieveling en dat gaan we doen. Dat je me vermijdt als je me mist is dat vermijdende hechting waar we het over hadden. Daar zullen we nog aan werken lieveling. (…) Liefje natuurlijk heb je therapie nodig en dat moeten we dus echt ook doen. (…) We zullen ook veel therapie doen terwijl ik je neuk. Je kunt dan praten terwijl je op mijn pik rijdt. (…) Vandaag krijg je gewoon weer sekstherapie. (…) Dus voortaan pijpen als betaling en volgespoten worden over het bureau. Je betaalt in natura als een lief beroepshoertje. (…) we doen elke keer therapie voortaan hoor schatje. (…) Liefste we doen eerst therapie en dan als [naam] weg is paal ik je af.’

Het verweer van verdachte dat alles wat in de seksuele relatie te maken heeft gehad met de verhouding hulpverlener en patiënt of cliënt bezien moet worden binnen het kader van een spelsituatie, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Tijdens de seksuele relatie is meermalen naar voren gekomen dat aangeefster hulp nodig had op seksueel gebied en dat ze verdachtes handelwijze volledige vertrouwde omdat hij de professional was. Dit blijkt onder meer uit de volgende e-mail die aangeefster naar verdachte heeft gestuurd: ‘Het is gewoon de beste therapie voor mij om weer opnieuw misbruikt en verkracht te worden (…) En jij bent therapeut dus jij weet wat wel en niet goed voor me is en daar vertrouw ik helemaal op.’

Nu de hulpvraag ook (problematiek op het gebied van) seksualiteit betrof en de hulpverleningsrelatie een rol speelde binnen de seksuele relatie, staat vast dat verdachte er weet van had dat aangeefster problemen had die haar afhankelijk van hem maakten op een manier die de seksuele relatie ontuchtig deed zijn.

Verdachte heeft verklaard geen opzet te hebben gehad op het misbruik maken van zijn positie omdat hij hopeloos verliefd was en aangeefster zag als sterke vrouw en gelijkwaardige partner. De rechtbank is van oordeel dat verdachte - in hoedanigheid van hulpverlener - zich willens en wetens bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen ontuchtig zou zijn en dat hij dat gevolg op de koop heeft toegenomen. Uit het volgende e-mailbericht blijkt dat verdachte op de hoogte was van het risico en dat hij ondanks dit besef toch het risico heeft genomen: ‘Daarom wil ik je en besloot ik je te nemen. Dat is van mijn kant een risico.’ Dit blijkt tevens uit de door verdachte afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris inhoudende: ‘Ik heb mij enorm vergist in haar problematiek. Ik gaf haar het voordeel van de twijfel.’

Gelet op het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in de periode van 16 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 16 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te Deventer, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, telkens ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, door meermalen zijn penis in de mond en vagina en anus van die [slachtoffer] te brengen/duwen.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 249 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting, onderbouwd door overlegging van een aantal gepubliceerde artikelen, verklaard dat hij op werkgebied in het verleden vaker te maken heeft gehad met misbruikte vrouwen. Met deze voorgeschiedenis in het achterhoofd is het extra kwalijk te constateren dat verdachte misbruik heeft gemaakt van een cliënt die worstelde met een door misbruik overschaduwde voorgeschiedenis. Een voorgeschiedenis waarvan aangeefster verdachte in het kader van therapie deelgenoot heeft gemaakt zodat hij zich, mede gezien zijn ervaring op dit gebied, van de kwetsbaarheid van aangeefster bewust moet zijn geweest. Als hulpverlener mocht van hem worden verwacht dat hij afstand bewaarde, juist in een therapiesituatie waarin intieme gevoelens worden geuit en waarin aangeefster, zo blijkt ook wel uit het dossier, naar verdachte ook (verliefdheids)gevoelens heeft gehad en getoond.

Bij haar oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 12 oktober 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een verdachte betreffend PJ-rapport opgesteld door dr. TH.A.M. Deenen, klinisch psycholoog en gerechtelijk deskundige d.d. 17 september 2016 en een reclasseringsadvies, opgesteld door J.H.A. Hakvoort, reclasseringswerker, d.d. 14 september 2016.

Ten aanzien van de hoogte en modaliteit van de straf neemt de rechtbank in overweging dat verdachte heeft aangegeven zeer geschrokken te zijn van de tegen hem aangebrachte strafzaak, waaruit de rechtbank de indruk heeft gekregen dat verdachte, die first offender is, niet nogmaals tot dergelijke feiten zal komen. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel zij een vrijheidsstraf passend en geboden acht, deze in grotendeels voorwaardelijke vorm en met een lange proeftijd kan worden opgelegd. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, zijn volgens de rechtbank niet aanwezig.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk

met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te [woonplaats], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 15.434,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- € 375,00 in nota gebrachte behandelingen;

- € 59,16 reiskosten;

- € 15.000,00 immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 434,16 aan materiële schade en de immateriële schade - voor zover deze post discussie zou oproepen of door de rechtbank te hoog wordt geacht - te matigen tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en is mitsdien van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering voor wat betreft de materiële schadeposten ontvankelijk en dient zij in haar vordering voor wat betreft de immateriële schadepost niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure oplevert. Dit deel van de vordering kan nog wel bij de burgerlijke rechter aangebracht worden.

In totaal zal de rechtbank het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 434,16, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is aangevangen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of nog zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 434,16 (zegge vierhonderd vierendertig euro en zestien cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 434,16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 8 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in haar vordering.

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Smit, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. G. Edelenbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.

Buiten staat

Mr. G. Edelenbos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.