Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4747

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
C/08/180029 / HA ZA 15-645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil inzake een erfgrens. Vordering van eisers toegewezen ex artikel 3:105 BW (verkrijgende verjaring)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/180029 / HA ZA 15-645

Vonnis van 30 november 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats] , procederend met een toevoeging onder nummer 2FC4492

eisers,

advocaat mr. P.H. J . Nij Bijvank te Hardenberg,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J .T. Fuller te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 2] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van descente en van comparitie, gehouden op 18 april 2016

  • -

    de aanhouding van de zaak ten behoeve van minnelijk overleg.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sinds 30 mei 2002 zijn [eiser 1] c.s. eigenaar van de woning aan [adres 1] te [plaats] . In de akte van levering staat onder meer het volgende vermeld:

LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK

Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van koop en verkoop, van dertig januari tweeduizend twee aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

de woonboerderij met schuur, erf, tuin, ondergrond en verdere aanhorigheden, staande en gelegen [plaats] , [gemeente 2] , [adres 1] , kadastraal bekend als [gemeente 1] , sektie [X] nummer [X] geheel, groot twee en veertig aren en zeventig centiaren, en een op het terrein afgepaalde en aangeduide aaneengesloten gedeelten ter gezamenlijke grootte van ongeveer zeven en negentig aren en dertig centiaren of ter zodanige grootte als na kadastrale uitmeting mocht blijken van de percelen kadastraal bekend als [gemeente 1] , sektie [X] nummers [yyyy] en [zzzz] .

De verkochte perceelsgedeelten is op de aan deze akte te hechten situatieschets gearceerd aangegeven. Beide partijen hebben de situatieschets voor akkoord getekend. Gemelde situatieschets is niet bestemd om te worden ingeschreven in de openbare registers.

De situatieschets geeft slechts een globale aanduiding van de ligging van het verkochte gedeelte in het perceel. De afbakening op het terrein is bindend met betrekking tot de ligging van de nieuwe grenzen en de grootte.

De hiervoor genoemde percelen zijn thans gezamenlijk kadastraal bekend als [gemeente 1] , sectie [X] nummer [aaaa] .

2.2.

Sinds eind 2008 zijn [gedaagde 2] c.s. eigenaar van de woning aan [adres 2] te [plaats], staande en gelegen op het perceel kadastraal bekend als [gemeente 1] , sectie [X] nummer [bbbb] . Daarnaast zijn [gedaagde 2] c.s. eigenaar van het perceel kadastraal bekend als [gemeente 1] , sectie [X] nummer [cccc] . Dit perceel betreft een weiland dat grenst aan bedoeld perceel van [eiser 1] c.s. Op de aan de betreffende koopovereenkomst d.d. 18 en 22 september 2008 gehechte “Uittreksel Kadastrale Kaart” maakt de zogenaamde “trambaan” (zie hierna) onderdeel uit van het gearceerd weergegeven verkochte.

2.3.

In de loop van 2014 is tussen partijen een geschil ontstaan over de grens tussen hun percelen c.q. een strook grond van circa anderhalf tot twee meter breed – met daarop een bomenrij en een oude schuur – tussen de aan [eiser 1] c.s. toebehorende zandweg (ter plaatse geheten “de trambaan”) en het weiland van [gedaagde 2] c.s. (hierna: de strook grond, zie productie 3 bij dagvaarding). Op de strook grond hebben [gedaagde 2] c.s. een afrastering geplaatst.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) voor recht zal verklaren dat [eiser 1] c.s. door verkrijgende dan wel extinctieve verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond;

(2) de erfgrens zal bepalen tussen de percelen van [eiser 1] c.s. en [gedaagde 2] c.s. op de locatie als vermeld in randnummer 8 en 9 van de dagvaarding;

(3) [gedaagde 2] c.s. zal veroordelen tot – voor zover vereist – het verlenen van medewerking aan notariële vastlegging van de juridische erfgrens en inschrijving van die erfgrens in het kadaster, zulks bij overtreding van deze veroordeling op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,00 ineens en € 500,00 per dag, door [gedaagde 2] c.s. aan [eiser 1] c.s. te betalen, indien en zolang [gedaagde 2] c.s. na betekening van dit vonnis in strijd handelen met deze veroordeling;

(4) [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot het herstellen c.q. verplaatsen van de afrastering, zodanig dat deze komt te staan op de erfgrens zoals bedoeld in (2), met machtiging aan [eiser 1] c.s. om dit zelf te (laten) bewerkstelligen op kosten van [gedaagde 2] c.s. indien [gedaagde 2] c.s. niet binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoen;

(5) [gedaagde 2] c.s. zal verbieden om de strook grond, op wat voor wijze dan ook, in gebruik of bezit te hebben of te nemen, waaronder (maar niet uitsluitend) begrepen het (doen) verplaatsen van de afrastering of het (doen) snoeien van de bomen, zulks bij overtreding van dit verbod op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag – een gedeelte van een dag te zien als een dag – door [gedaagde 2] c.s. aan [eiser 1] c.s. te betalen, indien [gedaagde 2] c.s. na betekening van dit vonnis in strijd handelen met dit verbod;

(6) [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van € 131,00, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, tot een bedrag van € 199,00, waarbij betaling dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – indien voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten.

3.2.

[gedaagde 2] c.s. voeren gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan hun vorderingen leggen [eiser 1] c.s., samengevat, ten grondslag dat [gedaagde 2] c.s. jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door het plaatsen van een afrastering op de strook grond waardoor [gedaagde 2] c.s. inbreuk hebben gemaakt op hun eigendomsrecht, zoals dat blijkt uit de in rechtsoverweging 2.1 bedoelde akte, en zij dientengevolge schade hebben geleden of nog zullen lijden. [eiser 1] c.s. stellen dat zij in ieder geval door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. Daartoe voeren [eiser 1] c.s. aan dat zij en hun rechtsvoorgangers de strook grond gedurende een groot aantal jaren te goeder trouw in bezit hebben gehad. Zo stonden er altijd een aantal schuurtjes op de strook grond die eigendom waren van de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. Daarnaast heeft één van de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. in 1995 op de strook grond een bomenrij geplant die nadien ook altijd is onderhouden door (de rechtsvoorgangers van) [eiser 1] c.s. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben [eiser 1] c.s. onder meer een aantal (lucht)foto’s en schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . en [betrokkene 5] in het geding gebracht. Voorts vorderen [eiser 1] c.s. dat de rechtbank op grond van artikel 5:47 lid 1 BW de (juridische) erfgrens zal bepalen en dat deze erfgrens “in het kadaster” zal worden ingeschreven.

4.2.

[gedaagde 2] c.s. voeren als verweer dat de strook grond tot hun eigendom toebehoort. Volgens [gedaagde 2] c.s. blijkt dit uit gemelde koopovereenkomst d.d. 18 en 22 september 2008, kadastrale metingen en een (kadastrale) luchtfoto van de [gemeente 2] d.d. februari 2014. Voorts betwisten [gedaagde 2] c.s. dat [eiser 1] c.s. door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond, nu aan het bezitsvereiste niet is voldaan. In dit verband hebben [gedaagde 2] c.s. eveneens schriftelijke verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ingebracht.

4.3.

Kern van het geschil is wie eigenaar is van de strook grond en daarmee tevens van de daarop aanwezige bomen. Hoewel kadastrale gegevens van belang kunnen zijn voor de beoordeling van perceelgrenzen, zijn deze volgens vaste rechtspraak niet in alle gevallen van doorslaggevende betekenis. In de onderhavige zaak dient – gelet op het sub (1) gevorderde – in het bijzonder beoordeeld te worden of sprake is van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.

[eiser 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat zij sinds 2002 bezitter te goeder trouw zijn van de strook grond waardoor zij door verkrijgende verjaring eigenaar daarvan zijn geworden.

4.5.

Ingevolge artikel 3:99 lid 1 BW kan een goed door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren.

Nu onvoldoende zekerheid bestaat over het moment waarop [gedaagde 2] c.s. de gewraakte afrastering op de strook grond hebben geplaatst – volgens [gedaagde 2] c.s. is dat in 2008/2009 geweest, terwijl [eiser 1] c.s. stellen dat de plaatsing van de afrastering minder dan vijf jaar geleden is geweest – is de rechtbank vooralsnog (in ieder geval niet zonder nader feitenonderzoek, zoals door middel van getuigenverhoren) niet in staat om vast te stellen of [eiser 1] c.s. in 2012 door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond zijn geworden. Indien en voor zover de litigieuze plaatsing vóór juni 2012 heeft plaatsgehad, zou dat immers kunnen betekenen dat [eiser 1] c.s. het beweerdelijke bezit van (een deel van) de strook grond hebben verloren, terwijl verlies van bezit een lopende verjaring doet eindigen. Gelet hierop acht de rechtbank het op pragmatische gronden geïndiceerd om thans eerst te beoordelen of [eiser 1] c.s. zich terecht op het standpunt stellen dat zij in ieder geval door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond.

4.6.

Ingevolge artikel 3:105 BW kan eigendom van een goed worden verkregen indien de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Met andere woorden: indien een rechthebbende nalaat een eigendomsactie in te stellen binnen een bepaalde termijn, kan zijn recht daartoe verjaren. Op grond van artikel 3:306 BW verjaart de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit door verloop van 20 jaar. In dit kader heeft te gelden dat indien de verjaringstermijn onder oud recht (vóór 1992) is aangevangen, overgangsrecht van toepassing is. De verjaringstermijn onder oud recht was 30 jaar. Indien de termijn van 30 jaar op het moment van inwerkingtreding van het Nieuw BW (1 januari 1992) nog niet was verstreken, geldt dat het oude recht per 1 januari 1993 door het nieuwe recht (verjaringstermijn van 20 jaar) is vervangen.

4.7.

Beslissend is of en per wanneer (de rechtsvoorgangers van) [eiser 1] c.s. het bezit van de strook grond hebben gehad. Daarbij is van belang dat het bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3:109-117 BW, en de uiterlijke feiten/kenmerken.

Nu [eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat bedoelde verjaringstermijn in ieder geval in 1981 een aanvang heeft genomen, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van bezit van de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. van belang de betreffende feiten en omstandigheden in de periode vanaf 1981. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.8.

Op de door [eiser 1] c.s. overgelegde (lucht)foto’s uit 1981, 1993, 2002, 2003 en 2015 (zie productie 4a, 4b, 12, 13a, 13b, 15 en 17 bij dagvaarding) is te zien dat op de strook grond in ieder geval vanaf 1981 zich een aantal schuren bevond en dat de (oude) afrastering direct achter deze schuren liep. [eiser 1] c.s. hebben onweersproken gesteld dat deze schuren – die inmiddels op één na zijn afgebroken, van welke schuur tussen partijen niet in geschil is dat die eigendom is van [eiser 1] c.s. – in eigendom toebehoorden aan hun rechtsvoorgangers. Voorts hebben [gedaagde 2] c.s. niet betwist dat onder de strook grond kabels (elektriciteit en glasvezel) zijn gelegd ter zake waarvan in een notariële akte van 1994 (en ook in de akten daarvoor) ten laste van (de rechtsvoorgangers van) [eiser 1] c.s. zakelijke rechten zijn gevestigd. Evenmin is in geschil dat op de strook grond in 1995 een bomenrij door één van de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. is geplant en dat deze bomen nadien altijd door [eiser 1] c.s. en hun rechtsvoorgangers zijn onderhouden.

4.9.

Ten aanzien van het voorgaande hebben blijkens de door [eiser 1] c.s. ter gelegenheid van de descente in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (zonen van de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s.) verklaard: onze ouders hebben vanaf de jaren 60 tot 1994 gewoond op de boerderij die gevestigd was op [adres 1] . Op dit perceel hebben wij ook gewoond en wij kennen de situatie goed. Onze ouders hebben in 1994 de Boerderij verkocht aan [Z] . Bij de boerderij hoorde de trambaan waarlangs een aantal schuurtjes stonden en de berm van de trambaan tot aan de afrastering hoorde bij het grondstuk. De afrastering tussen onze grond en het land van [betrokkene 7] [rechtsvoorganger van [gedaagde 2] c.s., toevoeging rechtbank] was de erfgrens en deze liep ook achter de schuurtjes langs. In een van de schuurtjes langs de trambaan had mijn vader altijd zijn oude trekker staan.

In dezelfde zin heeft [Z] , voornoemd, eveneens ter gelegenheid van de descente schriftelijk het volgende verklaard: Ik heb inderdaad in 1995 bomen geplant in de berm tussen de trambaan en de afrastering tussen het land van mij en [betrokkene 7] . Deze afrastering was de erfgrens en daar is nooit een discussie over geweest. Ik heb ook nooit met [betrokkene 7] gesproken over de bomen of de erfgrens. De afrastering was de scheiding. De berm was naar mijn inschatting ruim 2 meter vanaf de weg en hoorde altijd bij de boerderij. Deze berm is altijd zo in gebruik geweest en ook door mij onderhouden [onderstreping van de rechtbank]. Langs de trambaan stonden verschillende schuurtjes waarvan ik er 1 afgebroken heb omdat deze bouwvallig was. Hierin stonden altijd landbouwwerktuigen. De erfafscheiding liep altijd al achter de schuurtjes langs.

Over de nog bestaande schuur heeft [betrokkene 1] , die in 2002 als makelaar van [Z] optrad, schriftelijk verklaard (productie 14 bij dagvaarding) dat het schuurtje op de foto in de bijlage daar toen al stond en toen ook al een oud schuurtje was. Gezien de staat van onderhoud en een mededeling van verkoper, moet het minimaal een jaar of 20 hebben gestaan. Verkoper heeft toen gemeld dat de afrastering die achter het schuurtje liep de erfgrens was en dat dit ook het geval was voor de grens achter de bomenrij [onderstreping van de rechtbank].

[betrokkene 2] (achterbuurman van [eiser 1] c.s.) heeft in gelijke zin schriftelijk verklaard (productie 16 bij dagvaarding) dat het schuurtje dat aan de trambaan staan op het terrein van de familie [eiser 1] staat er al zo lang ik mij kan herinneren en zeker al meer als 20 jaar. Dit schuurtje is altijd in gebruik geweest door de bewoners van dit perceel. De berm van trambaan werd is ook altijd door de bewoners gebruikt en vroeger stonden er ook nog meer schuurtjes. De bomenrij is geplant door een van de vorige bewoners en staat er al enkele tientallen jaren. Deze bomen en de berm tot aan de afrastering is altijd door de bewoners onderhouden zodat wij er goed langs konden. Er heeft altijd een afrastering gestaan tussen de berm van de trambaan en het weiland er naast [onderstreping van de rechtbank].

4.10.

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank met [eiser 1] c.s. tot geen andere conclusie dan dat de feitelijke situatie al sinds in ieder geval 1981 anders is dan de kadastrale gegevens aangeven (zie productie 5 bij dagvaarding). De (oorspronkelijke) afpaling/afrastering van de strook grond en het gebruik en onderhoud daarvan kunnen bezwaarlijk tot een andere conclusie leiden dan dat [eiser 1] c.s. en hun rechtsvoorgangers de strook grond vanaf in ieder geval 1981 in hun bezit hebben gehad. Dat [betrokkene 7] schriftelijk heeft verklaard (door [gedaagde 2] c.s. als productie in het geding gebracht ter gelegenheid van de descente) dat hij in 1995 niet zou hebben toegestaan dat [Z] door het planten van de bomen eigenaar werd van de strook grond, kan aan het voorgaande niet afdoen, nog daargelaten dat [Z] die beweerdelijke uitlating van [betrokkene 7] in gemelde schriftelijke verklaring betwist.

4.11.

Ten aanzien van de door [gedaagde 2] c.s. ingebrachte (kadastrale) luchtfoto van de [gemeente 2] hebben [eiser 1] c.s. terecht aangevoerd dat daaruit niet de feitelijke perceelgrens kan worden afgeleid en dat het kadaster bovendien geen rekening houdt met grenzen die door verjaring zijn ontstaan. Aan voormelde luchtfoto kan dus niet de door [gedaagde 2] c.s. gewenste waarde worden gehecht. Ditzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van [betrokkene 6] (bewoner [adres 3] ). [eiser 1] c.s. hebben terecht erop gewezen dat deze verklaring op een heel andere grens ziet, namelijk verderop. De trambaan loopt, gerekend vanaf het perceel van [gedaagde 2] c.s., verder door naar achteren. Daar grenst de trambaan aan het perceel van Verlinden en zijn verklaring ziet daarop.

4.12.

De rechtbank komt met toepassing van artikel 3:105 BW tot de slotsom dat het rechtsgevolg van verjaring aldus vanaf in ieder geval 2001 is ingetreden en [eiser 1] c.s. bijgevolg eigenaar zijn geworden van de litigieuze strook grond. Dit betekent dat het gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt, met dien verstande dat de erfgrens tussen de percelen van partijen zal worden bepaald conform de schematisch weergegeven stippellijn op de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde uittreksel kadastrale kaart, welke kaart als gewaarmerkt stuk aan het vonnis zal worden gehecht, waarbij de daadwerkelijke erfgrens is gelegen op circa 1 meter afstand (in zuidwestelijke richting) van de plaats waar de afrastering thans staat (conform noot 2 op p. 5 van de dagvaarding). Voorts begrijpt de rechtbank het gevorderde, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1 sub (3), aldus dat [gedaagde 2] c.s. zullen worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan notariële vastlegging van de juridische erfgrens, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers, een en ander als bedoeld in artikel 3:89 lid 1 BW. De rechtbank zal deze vordering dienovereenkomstig toewijzen. De gevorderde dwangsommen per dag zullen worden gemaximeerd.

4.13.

[gedaagde 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien aan [eiser 1] c.s. een toevoeging is verleend zijn de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (exclusief verschotten zoals informatiekosten) in debet gesteld. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding aan [eiser 1] c.s. in aanmerking. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 0,00

- informatiekosten (GBA) 7,00

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 989,00

4.14.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten zullen, op de hierna te melden wijze, eveneens worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser 1] c.s. door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond,

5.2.

bepaalt de erfgrens tussen de percelen van [eiser 1] c.s. en [gedaagde 2] c.s. conform de schematisch weergegeven stippellijn op de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde uittreksel kadastrale kaart, welke kaart als gewaarmerkt stuk aan dit vonnis is gehecht, waarbij de daadwerkelijke erfgrens is gelegen op circa 1 meter afstand (in zuidwestelijke richting) van de plaats waar de afrastering thans staat,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. tot – voor zover vereist – het verlenen van medewerking aan notariële vastlegging van de juridische erfgrens, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers, zulks bij overtreding van deze veroordeling op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens en € 500,00 per dag, door [gedaagde 2] c.s. aan [eiser 1] c.s. te betalen, indien en zolang [gedaagde 2] c.s. na betekening van dit vonnis in strijd handelen met deze veroordeling, met een maximum ten aanzien van laatstbedoelde dwangsom per dag van € 10.000,00,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk tot het herstellen c.q. verplaatsen van de afrastering, zodanig dat deze komt te staan op de erfgrens zoals bedoeld in 5.2, met machtiging aan [eiser 1] c.s. om dit zelf te (laten) bewerkstelligen op kosten van [gedaagde 2] c.s. indien [gedaagde 2] c.s. niet binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoen,

5.5.

verbiedt [gedaagde 2] c.s. om de strook grond, op wat voor wijze dan ook, in gebruik of bezit te hebben of te nemen, waaronder (maar niet uitsluitend) begrepen het (doen) verplaatsen van de afrastering of het (doen) snoeien van de bomen, zulks bij overtreding van dit verbod op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag – een gedeelte van een dag te zien als een dag – door [gedaagde 2] c.s. aan [eiser 1] c.s. te betalen, indien [gedaagde 2] c.s. na betekening van dit vonnis in strijd handelen met dit verbod, met een maximum ten aanzien van laatstbedoelde dwangsom per dag van € 20.000,00,

5.6.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 989,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 15 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2 tot en met 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2016.1

1 type: coll: