Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:469

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
C/08/181420 / KG ZA 16-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil; gedeeltelijk opheffing executoriaal derdenbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/181420 / KG ZA 16-18

Vonnis in kort geding van

in de zaak van

1. de besloten vennootschap

[X] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap

[Y] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eisende partijen in conventie, hierna gezamenlijk te noemen [X] ,

verwerende partijen in reconventie,

advocaat: mr. F. Hoff te Enschede,

tegen

[Z] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie, hierna te noemen [Z] ,

eisende partij in reconventie,

advocaat: mr. H. Dijks te Enschede.

1 De procedure

In conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding inclusief producties,

- de akte wijziging c.q. vermeerdering eis,

- de brief van 20 januari 2016 houdende aankondiging eis in reconventie, inclusief producties,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota’s van [X] ,

- de pleitnota van [Z] .

1.2.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

In conventie en in reconventie

2 De feiten

2.1.

[Z] is op 1 januari 2014 als directeur in loondienst getreden bij [X] . Per 1 maart 2014 was [Z] als statutair directeur in dienst van [X] en per 1 april 2014 volgde de benoeming van [Z] tot eveneens statutair directeur van de [Y] . Daarvoor werd een aanvullende arbeidsovereenkomst door partijen getekend met daarin onder meer, voor zover hier van belang, de navolgende bepaling:

“Ingeval van ontslag van de directeur zonder dat zijn oorzaak vindt in het handelen of nalaten van de directeur zal de directeur, ingaande de datum van zijn ontslag, nog gedurende twaalf maanden worden doorbetaald conform de op het moment van ontslag geldende salaris- en pensioenafspraken.”

2.2.

[X] heeft [Z] ontslagen, waarna [Z] een verzoekschrift ex artikel 2:241 jo 7:686a lid 3 BW heeft ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van

4 december 2015 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld:

“De beslissing

De rechtbank:

I. Vernietigt het door de [Y] op 24 juli 2015 aan [Z] gegeven ontslag als statutair directeur.

II. Vernietigt het door [X] op 24 juli 2015 aan [Z] gegeven ontslag als directeur van [X] .

III. Veroordeelt de [Y] en [X] hoofdelijk, des dat de een betalend de andere zal zijn bevrijd, tot betaling aan [Z] van:

a. de hem toekomende uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende salarissom,
b. het nog openstaande vakantiegeld,
c. de bijdrage in de pensioenverzekering en de vergoeding van niet genoten vakantiedagen
over de periode tot aan 1 december 2015,
d. alsmede de uit artikel 4 van de aanvullende arbeidsovereenkomst voortvloeiende som
gelijk aan 12 maandsalarissen vermeerderd met de pensioenafspraken.

IV. Veroordeelt [X] en de [Y] hoofdelijk, des dat de een betalende de andere zal zijn bevrijd tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [Z] die worden begroot op € 1.533,- aan verschotten en € 2.842,- (2 x tarief V.) aan salaris van de advocaat.

V. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.”

2.3.

De raadsman van [Z] heeft op 7 december 2015 [X] verzocht om binnen 48 uur tot betaling over te gaan van het achterstallig salaris over de maand november 2015 met ook de reguliere afrekening van het dienstverband ter zake van vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen en voorts werd [X] verzocht om over te gaan tot betaling van 12 maanden cum annexis. Tevens werd mededeling gedaan van het feit dat de dienstauto van [Z] ter afhaling gereed stond.

2.4.

Op 11 december 2015 heeft [Z] voormelde beschikking doen laten betekenen en bevel tot betaling gedaan van:

Salaris november € 7.500,00

Vakantiegeld € PM

12x maandsalaris € 90.000,00

Vakantiegeld € 7.200,00

Bijdrage pensioenverzekering € 12.500,00

Vakantiedagen € PM

Proces-kosten € 4.375,00

Nasalaris € 205,00

Kosten van dit exploot € 102,25

Totaal te vorderen € 121.882,25

2.5.

[X] heeft [Z] te kennen gegeven dat de beschikking van

4 december 2015 niet uitvoerbaarheid bij voorraad is verklaard en verzocht de executie te staken. Dit heeft [Z] de executie niet doen staken.

2.6.

[Z] heeft zijn dienstauto op 14 december 2015 ingeleverd. Hierna is [X] overgegaan tot uitbetaling aan [Z] van het salaris, vakantiegeld en niet-opgenomen vakantiedagen tot 1 december 2015.

2.7.

[Z] heeft de rechtbank op 18 december 2015 verzocht om de beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [X] heeft bij brief van 22 december 2015 bezwaar gemaakt tegen vorenstaand verzoek. De rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2015 het dictum verbeterd en deze alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8.

[Z] heeft op of omstreeks 21 december 2015 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de Rabobank Twente Oost, hierna te noemen Rabobank. Het beslag heeft doel getroffen en ten gevolge van deze beslaglegging kan [X] niet meer over haar tegoeden bij de Rabobank beschikken.

2.9.

[X] heeft [Z] middels haar advocaat gesommeerd om een totaalbedrag van € 15.611,12 te vermeerderen met de wettelijke rente aan haar terug te betalen, welk bedrag ziet op een drietal declaraties van Dijksleijssen Advocaten B.V. die in opdracht van [Z] zijn betaald van de bankrekening van [X] .

2.10.

[X] heeft op 13 januari 2016 een tweede specificatie van de beeindigingsvergoeding aan [Z] doen toekomen, nu haar gebleken was dat de eerste door haar opgestelde specificatie, daterend van 31 december 2015, niet juist bleek.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[X] vordert – kort samengevat en na eiswijziging - dat de voorzieningenrechter - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - [Z] zal veroordelen zich met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis te onthouden van iedere vorm (van voortzetting) van de executie van de beschikkingen van 4 en 24 december 2015, alsmede ter zake de gevorderde uitbetaling van 30 vakantiedagen, wettelijke verhoging(en) en contractuele bonus, althans de executie daarvan te staken en gestaakt te houden, [Z] voorts te veroordelen de ten laste van [X] gelegde executoriale derdenbeslagen op de bankrekeningen bij de Rabobank op te heffen, althans te schorsen, voor zover het een bedrag van € 50.000,- te boven gaat, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede [Z] te gebieden zijn ritten-administratie aan [X] ter hand te stellen, al het vorenstaande op straffe van verbeurte van een dwangsom en voorts [Z] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.675,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 15.611,12 vanaf 15 januari 2016, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot, met veroordeling van [Z] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

[Z] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

In reconventie

3.3.

[Z] vordert – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – [X] zal veroordelen om aan [Z] een correcte en volledige bruto/netto-specificatie te verstrekken (op straffe van verbeurte van een dwangsom) aan de hand van het te hanteren fiscale schijventarief 2016 met de navolgende bedragen:

- 12 x € 7.500,00 € 90.000,00

- vakantietoeslag 8% € 7.200,00

- 30 vakantiedagen € 10.384,00

- wettelijke verhoging over eindafrekening € 6.315,49

- wettelijke rente tot 21 januari 2016 € 324,17

Totaal € 114.223,66 bruto

- wettelijke rente vanaf 21 januari 2016 P.M.

Totaal € 114.223,66 bruto + P.M.

met hoofdelijke veroordeling van [X] tot betaling aan [Z] van voornoemde bedragen, alsmede een hoofdelijke veroordeling van [X] tot betaling aan [Z] van het bedrag van € 17.459,42, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van [X] in de kosten van reconventie.

3.4.

[X] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4 De beoordeling

In conventie

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde.

executiegeschil

4.2.

Het onderhavige geschil is een executiegeschil. Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van het beslag bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of [Z] de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of hij bij gebruikmaking van deze bevoegdheid misbruik maakt van recht. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Partijen verschillen van niet van mening over het antwoord op de vraag of [Z] de bevoegdheid tot executie toekomt. Wel stelt [X] dat [Z] zich schuldig maakt aan onrechtmatig handelen c.q. onrechtmatige executie, dan wel misbruik van recht, door de executie voort te zetten ten aanzien van reeds door [X] betaalde vorderingen zoals toegewezen onder punt III sub a. tot en met c. van het dictum van de beschikking van 4 december 2015. [X] heeft daartoe ook een salarisspecificatie van de maand november, waaruit ook de afrekening van de niet-genoten vakantiedagen en vakantiegeld blijkt, overgelegd, alsmede een bankafschrift waaruit de betaling aan [Z] blijkt. De inhoud hiervan is onbetwist.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat een exploot van beslaglegging ontbreekt, zodat onduidelijk is waarvoor het beslag exact is gelegd. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat [X] een betalingsbewijs heeft overgelegd van hetgeen waartoe [X] veroordeeld was conform punt III sub a. tot en met c. van het dictum van de beschikking van 4 december 2015, zodat ten aanzien hiervan [Z] aldus executie dient te staken en het beslag dient te worden opgeheven ter hoogte van dit bedrag. Ten aanzien van de wettelijke verhoging waarop [Z] aanspraak maakt vanwege de volgens [Z] te late betaling van voornoemd bedrag overweegt de voorzieningenrechter dat die grondslag niet volgt uit de beschikking van 4 december 2015, zodat [Z] ook de executie hiervan dient te staken. Dit laat uiteraard onverlet dat [Z] wellicht een vordering heeft op [X] ten dien aanzien, maar dat gaat het bestek van onderhavig kort gedingprocedure te buiten.

4.5.

[X] stelt voorts dat [Z] misbruik van recht maakt door beslag te leggen op basis van de bruto bedragen. Ten aanzien hiervan overweegt de voorzieningenrechter dat de door [X] overgelegde specificaties dateren van datum na beslaglegging, zodat [Z] ook niet anders kon dan beslag leggen op basis van die bedragen. Dit neemt echter niet weg dat [Z] uiteraard geen aanspraak kan maken op enig brutobedrag, maar het netto-equivalent hiervan. Zulks wordt ook door [Z] erkend.

4.6.

Ten aanzien van de juistheid van het bedrag waar [Z] op basis van de beschikking van 4 december 2015 nog recht op heeft merkt de voorzieningenrechter als volgt op. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het netto-equivalent waar [Z] nog recht op heeft, meer specifiek stelt [Z] dat de door [X] overgelegde specificatie ten aanzien van de beëindigingsvergoeding niet juist zou zijn. Om die reden vordert [Z] in reconventie ook afgifte van een nieuwe specificatie. Deze vordering zal worden afgewezen, hetgeen hierna in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 nader zal worden uitgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de laatste bruto/netto specificatie zoals door [X] juist lijkt te zijn en dat om die reden uitgegaan moet worden van een netto beëindigingsvergoeding van € 46.656,--. Voorts heeft [Z] vervolgens nog recht op betaling van een pensioenbijdrage van € 12.500,--, proceskosten ad € 4.375,--, € 205,-- aan nasalaris en € 102,25 explootkosten. Derhalve in totaal een bedrag van € 63.838,25.

4.7.

[X] stelt zich vervolgens op het standpunt dat op dat bedrag in mindering dient te worden gebracht een bedrag van € 16.675,40, bestaande uit een bedrag van € 15.611,12 aan betaalde declaraties van DijksLeijsen advocaten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag alsmede buitengerechtelijke kosten en vordert ook betaling van [Z] van dit bedrag. Deze facturen zien volgens [X] op advisering van [Z] in privé, zodat deze ten onrechte ten laste van de rekening van [X] zijn gebracht. [Z] stelt daarentegen dat hij op basis van de statuten van [X] zich in het kader van zijn voorgenomen ontslag mocht laten adviseren om een advies uit te laten brengen in het belang van [X] . De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het betoog van [Z] dat dit nogal dun is en het belang van [Z] voorop heeft gestaan, niet [X] .

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt dat het door [X] gevorderde voorschot dient te worden afgewezen. Het betreft immers een geldvordering, waarvoor door de Hoge Raad in bestendige rechtspraak drie criteria zijn ontwikkeld waaraan het gevorderde dient te zijn voldaan. Deze criteria hebben achtereenvolgens betrekking op de spoedeisendheid van de vordering, de aannemelijkheid dat de rechter in een bodemprocedure redelijkerwijs (tenminste een deel van) de vordering zal toewijzen en het restitutierisico. Reeds bij het eerste criterium faalt de vordering van [X] op dit punt. Niet aannemelijk is geworden dat [X] een dermate spoedeisend belang heeft dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is. [X] heeft ten aanzien van de spoedeisendheid van die geldvordering namelijk niets, dan wel onvoldoende gesteld. Dat is onvoldoende om ook het spoedeisend belang van de geldvordering aan te nemen. Van een financiële noodsituatie is evenmin gebleken. Dat de verschuldigdheid wel aannemelijk is, maakt het vorenstaande niet anders. De vordering tot betaling zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel, dat [Z] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid door aanspraak te maken op hogere bedragen dan waar hij recht op heeft en [X] hinder ondervindt omdat zij niet over haar geldelijke tegoeden kan beschikken. Om die reden zal de voorzieningenrechter het beslag opheffen voor zover het een bedrag van € 63.838,25 te boven gaat en dient [Z] verdere executie op grond van de beschikkingen van 4 en 24 december 2015 te staken, nu het door hem gelegde executoriale derdenbeslag zijn resterende vordering dekt.

4.10.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de vordering van [X] tot overlegging van de rittenadministratie van [Z] dient te worden afgewezen. Nu [Z] een vrijwaring heeft getekend, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom [Z] ook dient over te gaan tot overlegging van zijn rittenadministratie.

In reconventie

4.11.

De vordering tot het overleggen van een bruto/netto specificatie volgens het schijventarief 2016 dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden afgewezen. Terecht heeft [X] zich op het standpunt gesteld dat de beëindigingsvergoeding zoals deze volgt uit artikel 4 van de tussen partijen gesloten aanvullende arbeidsovereenkomst in 2015 aan [Z] is toegekend, en dat dat het peilmoment is waarmee qua fiscaliteit rekenschap dient te worden gehouden en niet het moment van uitbetaling. De door [X] als productie 13 bij dagvaarding overgelegde specificatie van de beëindigingsvergoeding lijkt aldus correct te zijn.

4.12.

De stelling van [Z] dat [X] heeft nagelaten de niet-opgenomen vakantiedagen (zijnde 30 per jaar) in de beëindigingsvergoeding te hebben meegenomen waardoor voornoemde specificatie eveneens onjuist zou zijn wordt ook verworpen. Uit de beschikking van 4 december 2015 blijkt niet dat de kantonrechter die post heeft meegenomen nu [Z] een specifieke vordering hiertoe had opgenomen en slechts is toegewezen ‘de uit artikel 4 van de aanvullende arbeidsovereenkomst voortvloeiende som gelijk aan 12 maandsalarissen vermeerderd met de pensioenafspraken’. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat, gelet op deze formulering, een aanspraak op niet-genoten vakantiedagen ook helemaal niet in de rede ligt. Het betreft immers een beëindigingsvergoeding en het dienstverband is per 1 december 2015 beëindigd waarbij de nog openstaande vakantiedagen zijn afgerekend. Op welke grondslag een vordering tot betaling van 30 niet opgenomen vakantiedagen wordt gebaseerd kan niet worden ingezien.

4.13.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de vordering van [Z] tot betaling van € 114.223,66 bruto dient te worden afgewezen, nu [Z] immers reeds beschikt over een executoriale titel ten aanzien van de beëindigingsvergoeding. Daarenboven geldt dat, wat betreft de vordering van [Z] tot betaling van de wettelijke verhoging over de eindafrekening, alsmede de vordering tot betaling van de wettelijke rente, deze vorderingen te discutabel zijn om op basis hiervan reeds in kort geding een voorschot toe te wijzen. Voorts geldt dat, zoals hiervoor ook overwogen ten aanzien van de geldvordering van

[X] , het spoedeisend belang onvoldoende blijkt en ten aanzien hiervan ook onvoldoende is gesteld. [Z] beschikt evenzo reeds over een executoriale titel ten aanzien van het bedrag van € 17.459,42, zodat ook deze vordering voor afwijzing gereed ligt.

In conventie en in reconventie

4.14

[Z] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

5.1.

heft op het door [Z] op of omstreeks 21 december 2015 ten laste van

[X] gelegde executoriale derdenbeslag voor zover dit het bedrag van

€ 63.838,25 te boven gaat,

5.2.

bepaalt dat [Z] verdere executie op grond van de beschikkingen van

4 en 24 december 2015 dient te staken,

5.3.

veroordeelt [Z] in de kosten van dit geding in conventie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [X] begroot op € 2.023,08 aan verschotten en € 816,- aan salaris van de advocaat,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde,

In reconventie

5.5.

wijst af de vorderingen,

5.6.

veroordeelt [Z] in de kosten van dit geding in reconventie, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 527,00,

In conventie en in reconventie

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.