Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4680

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
4969757 CV 16-2725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Onderhuurder (café-exploitant) verwerft eigendom van het gehuurde en wordt zo hoofdverhuurder van huurder/onderverhuurder (brouwerij). Daarop volgende poging om de in de onderhuurovereenkomst opgenomen exclusieve drankafnameverplichting te vernietigen wegens strijd met artikel 6 Mededingingswet strandt. Tevens beoordeling van de door de hoofdverhuurder/exploitant voorgestane beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst. Gestelde slechte bedrijfsvoering door huurder/onderverhuurder noch gesteld dringend persoonlijk eigen gebruik door hoofdverhuurder/exploitant kunnen de beëindigingsvordering dragen, maar de uitkomst van de daarop volgende afweging van de belangen wel. Volgt vaststelling van het tijdstip waarop de hoofdhuurovereenkomst eindigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2017/11
WR 2017/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 4969757 CV 16-2725

Vonnis van 8 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen: ‘ [eiser] ’,

gemachtigde: R.G. Meester, advocaat te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap GROLSCHE BIERBROUWERIJ NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij, hierna te noemen: ‘Grolsch’,

gemachtigde: mr. A. Prascevic, advocaat te Enschede.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 30 maart 2016, met producties,

- de conclusie van antwoord d.d. 7 juni 2016, met producties,

- de conclusie van repliek d.d. 2 augustus 2016, met producties,

- de conclusie van dupliek d.d. 27 september 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Grolsch heeft met ingang van 1 januari 2008 van de maatschap Bonestroo & Bonestroo gehuurd de bedrijfsruimte met terras, staande en gelegen te Kampen aan de Oudestraat 218-220, bestemd voor het gebruik als horecabedrijf (hierna: het gehuurde). De daartoe op 14 maart 2008 gesloten huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren, met mogelijkheid tot verlenging daarvan voor een gelijke periode.

2.2.

Grolsch heeft met ingang van 1 januari 2008 het gehuurde onderverhuurd aan [eiser] , met als bestemming gebruik als bierspecialiteiten café. De daartoe op 14 maart 2008 gesloten onderhuurovereenkomst is aangegaan voor de vijf jaren, onder bepaling dat bij gebrek aan tijdige opzegging de overeenkomst wordt voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaren.

2.3.

[eiser] heeft ten behoeve van de overname van het in het gehuurde gedreven horecabedrijf een financiering afgesloten bij de Fortis Bank ter grootte van € 200.000,00. Grolsch heeft zich in dat verband garant jegens Fortis gesteld.

2.4.

[eiser] exploiteert sinds aanvang van de onderhuurovereenkomst in het gehuurde een horecabedrijf onder de naam “De Stomme van Campen” (hierna: de onderneming).

2.5.

In artikel 6 “Drankenafname” van de onderhuurovereenkomst is bepaald, voor zover van belang:

1. Onderhuurder verklaart geen enkele afnameverplichting te hebben tegenover een andere brouwerij, producent of leverancier van dranken, welke aan de uitvoering van deze overeenkomst door onderhuurder in de weg staat.

2. Onderhuurder staat er tegenover onderverhuurster voor in dat zolang deze onderverhuurovereenkomst duurt, eventuele verlenging(en) daaronder begrepen, te rekenen vanaf 1 januari 2008, in het gehuurde met inbegrip van aanhorigheden:

van de in lid 3 van dit artikel, alsmede van de in de aan deze overeenkomst gehechte assortimentslijsten bedoelde contractsgoederen, uitsluitend de aangewezen contractsgoederen zullen worden verkocht, verstrekt of in voorraad gehouden, welke geleverd zijn door Grolsch danwel door een Grolsch aan te wijzen leverancier.

(…)

3. De in lid 2 van dit artikel bedoelde biersoorten en biermerken zijn:

(…)

4. Indien de in lid 2 van dit artikel bedoelde horeca-exploitatie met de ruimten van een aangrenzend pand mocht worden uitgebreid, geldt het bepaalde in lid 2 van dit artikel (…) tevens ten aanzien van de ruimten van het betreffende aangrenzende pand.

5. Voor iedere overtreding van de in de artikel(…) 6 (…) van deze overeenkomst omschreven verplichtingen verbeurt onderhuurder ten behoeve van onderverhuurster een (…) boete van € 1.000,-- (…) en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt € 100,-- (…), dit onverminderd het recht van onderverhuurster om nakoming van bedoelde verplichtingen en/of (…) schadevergoeding te vorderen.

2.6.

In 2009 heeft [eiser] te maken gehad met een liquiditeitstekort, waarop hij achter kwam met de betaling aan Fortis van rente en aflossing. Grolsch heeft daarop in april 2009 aan [eiser] een bedrag van € 3.049,77 voorgeschoten, onder meer ter voorkoming van het opeisen van de gehele hoofdsom en het aanspreken van Grolsch als garant.

2.7.

In 2010 verkeerde [eiser] met zijn onderneming in financiële problemen, in welk verband de belastingdienst beslag had gelegd op de inventaris van de onderneming en Fortis Grolsch onder borg had aangesproken. Daarop is in december 2010 met zijn schuldeisers, waaronder Grolsch, een schuldenakkoord bereikt. De schuld aan Grolsch is omgezet in een lening van € 20.000,00, te vermeerderen met rente, welk bedrag met rente Grolsch in tien jaarlijkse termijnen aan [eiser] zou kwijtschelden, telkens per 1 januari van ieder jaar, ingaande 2011. Grolsch heeft daarbij [eiser] voorts een opbouwlening verstrekt van € 60.000,00, uit te betalen in vijf jaarlijkse termijnen van € 12.000,00. [eiser] heeft ter zekerheid van een en ander aan Grolsch een pandrecht verleend op onder meer de inventaris van de onderneming.

2.8.

De exploitatie van [eiser] ’s onderneming is (in ieder geval) in de jaren 2014 en 2015 winstgevend geweest. Behoudens de lening van (oorspronkelijk) € 20.000,00 heeft [eiser] inmiddels de financieringen van Fortis en Grolsch afgelost.

2.9.

Sinds 30 maart 2015 heeft [eiser] het eigendom van het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt. [eiser] is aldus in de positie getreden van verhuurder van Grolsch.

2.10.

Per brief van 10 juli 2015 heeft de door [eiser] ingeschakelde gemachtigde aan Grolsch medegedeeld dat partijen vergeefs hebben overlegd over aanpassing van de leveringscondities voor van Grolsch af te nemen dranken, dat [eiser] feitelijk wordt beperkt in de mededinging, dat de exclusieve afnameovereenkomst in strijd is met de Europese mededingingsregels en dat de nietigheid van die bepaling wordt ingeroepen, althans wordt vernietigd. Deze brief besluit met de mededeling dat het [eiser] bijgevolg vrijstaat om per direct haar dranken elders in te kopen. Grolsch heeft daar afwijzend op geantwoord.

2.11.

Per brief van 6 november 2015 heeft [eiser] ’s gemachtigde de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2018. Daaraan is ten grondslag gelegd dringend eigen gebruik, bestaande uit het bouwkundig verbinden van het gehuurde met een achtergelegen perceel, en voorts slechte bedrijfsvoering van Grolsch, bestaande uit het niet leveren van dranken tegen marktconforme condities en het vasthouden aan de afnameverplichting, zulks in strijd met de mededingingsregels. Tot slot is daartoe aangevoerd dat de belangen van [eiser] bij beëindiging van de huurovereenkomst dienen te prevaleren boven de belangen van Grolsch bij voortzetting daarvan. [eiser] heeft Grolsch daarop verzocht binnen zes weken te bevestigen of Grolsch instemt met een beëindiging van de huurovereenkomst. Grolsch heeft niet ingestemd.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter:

I. voor recht verklaart dat de in de onderhuurovereenkomst in artikel 6 opgenomen exclusieve drankafnameverplichting nietig is, althans artikel 6 vernietigt, althans voor recht verklaart dat het aan [eiser] is te bepalen van welke leveranciers hij dranken zal betrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;

II. het tijdstip waarop de (hoofd)huurovereenkomst eindigt, vaststelt op 1 januari 2018;

III. Grolsch veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde uiterlijk per 1 januari 2018;

een en ander onder veroordeling van Grolsch in de proceskosten.

3.2.

Het verweer

Grolsch concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering, onder veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

De door [eiser] ingestelde vordering ziet deels (sub II. en III.) op de huurovereenkomst en deels (sub I.) op de onderhuurovereenkomst. Eén van de voor de vorderingen sub II. en sub III. aangevoerde gronden ziet echter op wat met vordering sub I. aan de orde is gesteld. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding om eerst het debat van partijen over de door [eiser] gelaakte bepaling in de onderhuurovereenkomst te beoordelen.

nietig beding in onderhuurovereenkomst?

4.2.

Laatstbedoeld debat gaat om het volgende. Grolsch huurt vanaf 1 januari 2008 bedrijfsruimte in een pand in de oude binnenstad van Kampen, welke ruimte al langere tijd in gebruik is als horecabedrijf, met name als café. Grolsch verhuurt deze ruimte onder aan [eiser] die feitelijk het café drijft. Onderdeel van die onderhuurovereenkomst is een exclusief afnamebeding dat [eiser] verplicht uitsluitend met naam en toenaam genoemde bierspecialiteiten en biermerken van of op aanwijzing van Grolsch te betrekken. Dit betekent dat [eiser] alleen bieren van Grolsch of aan haar gelieerde ondernemingen mag schenken in het café. De prijzen van de af te nemen dranken zijn vooraf bepaald. De duur van de afnameverplichting is verbonden aan die van de onderhuurovereenkomst en bedraagt eveneens initieel vijf jaren.

4.3.

[eiser] stelt dat het exclusieve drankafnamebeding in strijd is met artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) onderscheidenlijk de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Grolsch betwist dat bedoeld artikel strijdt met het mededingingsrecht en verweert zich tegen voornoemde stelling voorts met (onder meer) een beroep op artikel 5 lid 2 Verordening 330/2010 ((PbEU 2010 L102; hierna: de Groepsvrijstelling), welke verordening door het verstrijken van de ter zake bepaalde overgangstermijn per 31 mei 2011 van kracht geworden is op voor 31 mei 2010 geldende overeenkomsten.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat de interstatelijke handel door artikel 6 van de onderhuurovereenkomst kan worden beïnvloed. Het gaat in deze procedure dus uitsluitend over mededinging op de Nederlandse markt. Gelet daarop zal de kantonrechter het beroep op strijd met het mededingingsrecht dan ook toetsen aan de Mededingingswet en niet ook aan artikel 101 VWEU, waarbij overigens zij aangetekend dat volgens de memorie van toelichting de Mededingingswet niet strenger en niet soepeler dient te zijn dan de Europese regelgeving. Ingevolge artikel 1 Mw moeten de in artikel 6 Mw gebruikte begrippen ook hetzelfde worden verstaan als de gelijkluidende begrippen in art. 101 VWEU. In zoverre komt de op artikel 101 VWEU gevormde jurisprudentie wel belang toe.

4.5.

Aan de vraag of de in artikel 6 van de huurovereenkomst opgenomen exclusieve drankafnameverplichting onder het bereik van de Groepsvaststelling valt, gaat vooraf het antwoord op de vraag of genoemd beding strijdig is met artikel 6 Mw.

4.5.1.

Daarbij wordt voorop gezet dat gesteld noch gebleken is dat artikel 6 Mw op grond van artikel 7 Mw niet voor genoemd exclusief drankafnamebeding geldt.

4.5.2.

Artikel 6, eerste lid, Mw verbiedt - samengevat - overeenkomsten tussen ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

4.5.3.

[eiser] heeft primair aangevoerd dat het beding de strekking heeft de mededinging te beperken. Het begrip mededingingsbeperkende ‘strekking’ dient echter restrictief te worden uitgelegd (vergelijk Hof van Justitie EU 26 november 2015 (ECLI:EU:C:2015:784) (Maxima Latvija) over de uitleg van artikel 101 VWEU; hierna: het Maxima-arrest). Of het beding zo’n strekking heeft, valt samen met de vraag of dat beding op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie worden exclusieve afnameovereenkomsten niet geacht de strekking te hebben de mededinging te beperken, behoudens aanwijzingen van het tegendeel (vergelijk Hof Amsterdam 26 juni 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0258)).

In dit geval gaat het om een onderhuurovereenkomst voor de verhuur van horecaruimte die de clausule bevat die de onderhuurder beperkt in de afname van andere drankmerken dan die van de onderverhuurder. Zonder nadere toelichting die ontbreekt, valt met die enkele omstandigheid niet in te zien dat het beding zelf schadelijk is voor de goede werking van de mededinging op de referentiemarkt, te weten in dit geval de lokale horeca in Kampen, met name café-ondernemingen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het beding geen mededingingsbeperkende strekking heeft in de zin van artikel 6 Mw. De omstandigheid dat [eiser] naast onderhuurder thans ook eigenaar / hoofdverhuurder is van het gehuurde en nu sprake is van een ‘A-B-A-constructie’, maakt dit alles niet anders.

4.5.4.

[eiser] heeft voorts gesteld dat het exclusieve afnamebeding tot gevolg heeft dat de mededinging wordt vervalst en dat om die reden het bedoelde afnamebeding nietig is in de zin van artikel 6 Mw. Daardoor moet worden beoordeeld, in lijn met voormeld Maxima-arrest, of de onderhuurovereenkomst met het exclusieve afnamebeding aanzienlijk bijdraagt tot een mogelijke afscherming van de betrokken referentiemarkt en daarom kan worden beschouwd als een overeenkomst die “tot gevolg” heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 6 Mw. Daartoe zal een grondige analyse van de economische en juridische context waarin de onderhuurovereenkomst met dit afnamebeding geldt, en van de bijzonderheden van die markt dienen plaats te vinden. Het belang van de bijdrage van de huurovereenkomst tot die afscherming hangt onder meer af van de (geografische en product-)marktpositie van de contractspartijen en de duur van de overeenkomst. Overeenkomstig de in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel dient [eiser] in zo’n geval voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en bij voldoende gemotiveerde tegenspraak te bewijzen, dat sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging op de relevante markt (HR 16 januari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG3582) en HR 16 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ2213)).

4.5.5.

[eiser] heeft dienaangaande gesteld dat hij door het beding niet tegen markt-conforme condities bier van Grolsch kan afnemen en dat hij bij alle andere grote brouwerijen bier kan afnemen tegen aanzienlijk gunstiger condities dan die die nu gelden tussen hem en Grolsch, daarbij wijzend op de volgens hem relatief grote marktpositie van Grolsch (10,6% van de cafés in Nederland), de relatief lange duur - want feitelijk voor onbepaalde tijd - van de afnameverplichting, de omstandigheid dat een groot deel van de afnemers van Grolsch gebonden is en dat sprake is van gelijksoortige praktijken van andere brouwerijen. [eiser] heeft daaraan nog toegevoegd dat hij ‘baas in eigen huis’ wenst te zijn en dat zijn onderneming beter verkoopbaar is indien geen exclusieve afnameverplichting geldt.

4.5.6.

Grolsch heeft daartegen ingebracht dat de stellingen van [eiser] geen concrete informatie bevatten over i) wat als relevante markt heeft te gelden, ii) de vraag of die markt al dan niet moeilijk toegankelijk is, iii) de bijdrage daaraan van de door Grolsch gesloten overeenkomsten of iv) de omvang van de bijdrage van de door [eiser] met Grolsch gesloten overeenkomst. Grolsch heeft daarbij onder verwijzing naar een door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) gemaakte analyse van de biermarkt, zoals gerapporteerd aan de minister van Economische Zaken d.d. 7 juni 2013, aangevoerd dat er geen aanleiding bestaat voor de veronderstelling dat de verschillende overeenkomsten die brouwers en horecaondernemers overeenkomen een aanzienlijk negatief effect hebben op de mededinging en dat er van de zijde van de ACM is geconcludeerd dat er geen mededingingsrechtelijke beperkingen zijn waartegen de ACM op basis van haar bevoegdheden zou kunnen of moeten optreden.

4.5.7.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door Grolsch heeft [eiser] met wat hiervoor onder 4.5.5. samengevat is weergegeven onvoldoende (concrete) gegevens aangedragen om de kantonrechter tot een analyse als hiervoor omschreven in staat te stellen en hij heeft aldus niet aan zijn stelplicht voldaan. [eiser] heeft slechts in algemene bewoordingen algemene stellingen ingenomen waaruit op zich niet een merkbare verstoring van de mededinging op de referentiemarkt van horecabedrijven in Kampen, in het bijzonder van café-bedrijven, kan worden afgeleid.

Van belang is in dat verband dat [eiser] aanvoert dat in Kampen geen sprake is van een horecaconcentratiegebied of van horeca-toplocaties, dat het gehuurde geen toplocatie betreft en niet op een uitzonderlijke locatie ligt, dat het gehuurde een relatief klein vloeroppervlak heeft en dat hij voor de onderneming in de afgelopen jaren steeds tussen de 80 en 100 hectoliter bier van Grolsch heeft afgenomen, terwijl een café op een toplocatie op jaarbasis minimaal 500 tot 600 hectoliter bier afneemt, met uitschieters naar boven de 1.000 hectoliter. Uit deze uiteenzetting kan bezwaarlijk een ander oordeel volgen dan dat [eiser] zelf meent dat zijn onderneming op voornoemde referentiemarkt een minder significante positie inneemt.

Dit betekent dat aan deze stellingname van [eiser] als onvoldoende onderbouwd voorbij wordt gegaan.

4.6.

De slotsom uit het voorgaande is dat het artikel 6 Mw gebaseerde beroep op nietigheid van de als artikel 6 in de onderhuurovereenkomst opgenomen exclusieve drankafnameverplichting verworpen moet worden. Dit brengt mee dat aan de beoordeling of het beding onder het toepassingsbereik van de in 4.3. bedoelde Groepsvrijstelling valt, niet wordt toegekomen. Het betekent voorts dat de vordering sub I. in al haar varianten strandt.

beëindiging van de huurovereenkomst?

4.7.

Het staat tussen [eiser] als verhuurder en Grolsch als huurder van het gehuurde vast dat tussen hen een huurovereenkomst geldt die per 1 januari 2018 twee termijnen van vijf jaren heeft geduurd. Opzegging van een dergelijke, verlengde overeenkomst is krachtens artikel 7:293 lid 1 jo 292 lid 2 BW mogelijk indien deze opzegging voldoet aan de vereisten van de artikel 7:293 lid 2 en artikel 7:294 BW. Daarnaast zijn de artikelen 7:295 tot en met 7:299 BW hierop van toepassing.

4.8.

[eiser] heeft de huurovereenkomst bij brief van 6 november 2015 opgezegd. Nu hij niet binnen zes weken na de opzegging een schriftelijke mededeling van Grolsch heeft ontvangen dat zij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt, kan [eiser] , gelet op artikel 7:295 lid 2 BW, op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.

4.9.

De vraag of deze vordering kan worden toegewezen dient te worden beoordeeld aan de hand van de in 7:296 BW genoemde criteria. [eiser] heeft zijn opzegging gegrond op twee van de in artikel 7:296 lid 4 aanhef jo lid 1 onder a. en b. BW genoemde verplichte toewijzingsgronden voor een beëindigingsvordering. Er moet dan ook eerst worden beoordeeld of - conform lid 1 onder a. - de bedrijfsvoering van Grolsch niet is geweest zoals een goed huurder betaamt dan wel - conform lid 1 onder b. - sprake is dringend eigen gebruik aan de zijde van [eiser] . Indien het één dan wel het ander het geval is, moet de vordering worden toegewezen. Indien het één noch het ander het geval is, dient op grond van het derde lid van artikel 7:296 BW een redelijke afweging plaats te vinden van de belangen van [eiser] bij beëindiging van de huurovereenkomst tegen die van Grolsch bij voortzetting daarvan.

4.10.

Anders dan [eiser] meent, kan Grolsch geen slechte bedrijfsvoering worden verweten. Dat verwijt stoelt immers geheel op de al hierboven verworpen stelling dat Grolsch zich jegens [eiser] in diens hoedanigheid van onderhuurder met het in artikel 6 van de onderhuurovereenkomst opgenomen exclusieve afnamebeding bedient van een verboden mededingingsbeperkend en dus nietig beding. De hier aangevoerde grond deelt dan ook het lot van dat verwijt.

4.11.

Wat betreft het aangevoerde dringend persoonlijk gebruik geldt dat de rechter een daarop gebaseerde beëindigingsvordering moet toewijzen als de verhuurder aannemelijk maakt dat hijzelf of iemand anders die in nauwe relatie tot hem staat, het verhuurde persoonlijk duurzaam in gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. Of dat het geval is, dient beoordeeld te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 13 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC6116)). In dit geval staat echter vast dat [eiser] het verhuurde al in gebruik heeft en daarin zijn onderneming exploiteert. Gesteld noch gebleken is voorts dat Grolsch harerzijds het voornemen heeft een einde te maken aan de onderhuurovereenkomst en [eiser] wenst te vervangen door een andere onderhuurder/exploitant. Daarbij komt dat [eiser] niet afdoende heeft weerlegd het verweer van Grolsch dat zij zich niet bemoeit met de exploitatie van [eiser] ’s cafébedrijf, dat zij evenmin bezwaren heeft tegen het bouwkundig verbinden van een achtergelegen perceel met het gehuurde en dat zij [eiser] ’s uitbreidingsplannen niet wil verhinderen. Daarbij komt dat de door [eiser] gestelde beperking in drankenkeuze en het daardoor niet ‘baas in eigen huis’ kunnen zijn, is opgenomen in de onderhuurovereenkomst en niet in de huurovereenkomst. Gelet op een en ander kan dan ook niet tot het oordeel worden gekomen dat het gestelde eigen gebruik van [eiser] ‘dringend’ is in de zin van artikel 7:296 lid 1 aanhef en sub b. BW. Deze grond kan de beëindigingsvordering evenmin dragen.

4.12.

Wat betreft de in lid 3 van artikel 7:296 BW bedoelde afweging van belangen, waartoe de kantonrechter - zo nodig ambtshalve - dient over te gaan (HR 7 mei 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC0954)), geldt het volgende.

4.12.1.

De rechter kan de beëindigingsvordering toewijzen op grond van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder bij verlenging van de huurovereenkomst en de rechter wijst de vordering in elk geval af indien de huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde belangen, van hem, tegen de voormelde belangen van de verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt.

4.12.2.

In dit geval staat vast dat Grolsch het gehuurde nimmer feitelijk in gebruik heeft gehad en de exploitatie van het daarin gevestigde cafébedrijf van meet af aan heeft overgelaten aan [eiser] als haar onderhuurder. Aangezien [eiser] thans eigenaar is van het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt en hij - naar hij onweersproken heeft aangevoerd - voornemens is zijn onderneming uit te breiden door een achtergelegen perceel bouwkundig met het gehuurde te verbinden, dient naar het oordeel van de kantonrechter er vanuit te worden gegaan dat [eiser] de exploitatie van zijn café-bedrijf en het feitelijk gebruik van het gehuurde nog geruime tijd zal voortzetten.

4.12.3.

Grolsch heeft bij de door [eiser] bepleite einddatum van 1 januari 2018 het gehuurde tien jaren in huur gehad. Dit betreft in zijn algemeenheid niet zelden een voldoende termijn waarbinnen een huurder zijn investeringen in het gehuurde kan hebben terugverdiend. Dat in dit geval sprake is geweest van investeringen in het gehuurde is gesteld noch gebleken. De financiële ondersteuning van [eiser] door Grolsch, zoals weergegeven in 2.3., 2.6. en 2.8., zag niet op het gehuurde doch op de exploitatie van [eiser] ’s onderneming en is inmiddels - zo staat tussen partijen vast - geëindigd, behoudens de lening van (oorspronkelijk) € 20.000,00 waarover partijen destijds in 2010 zijn overeengekomen dat Grolsch die in tien jaartermijnen kwijtscheldt. Het aanhouden van het gehuurde en het doorverhuren levert Grolsch op zich ook geen financieel voordeel op nu onomstreden is dat Grolsch als onderverhuurder dezelfde huur bij [eiser] als onderhuurder in rekening brengt als zij als huurder aan [eiser] als verhuurder dient af te dragen.

4.12.4.

Het belang van Grolsch bij behoud van de (hoofd)huurovereenkomst schuilt ook niet zozeer in die overeenkomst maar in de door haar gesloten onderhuurovereenkomst, waarbij zij als onderverhuurder van [eiser] een drankafnameverplichting heeft bedongen. Die bepaling raakt echter het wezen niet van het onder de huurovereenkomst te beschermen belang van Grolsch als huurder, nu zij feitelijk ter plaatse niet exploiteert. Daarenboven geldt dat Grolsch stelt dat haar condities voor de levering van dranken ook niet veel afwijken van die van andere brouwerijen en dat haar condities concurrerend zijn, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, de kantonrechter niet inziet dat Grolsch bij het eindigen van de huurovereenkomst - en de onderhuurovereenkomst - niet (meer) in de positie is om [eiser] bieren en aanverwante dranken te leveren. Daarvan uitgaande kan daarom niet als gegeven worden beschouwd dat Grolsch bij het eindigen van de huurrelatie tevens haar positie als leverancier van [eiser] verliest. Het aan de onderhuurovereenkomst ontleende belang komt hier dan ook minder gewicht toe dan Grolsch voorstaat.

4.12.5.

Voorts kan niet worden ontkend dat [eiser] een zeker belang heeft bij het in overeenstemming brengen van de juridische situatie met de feitelijke situatie, welke situatie inhoudt dat [eiser] zowel eigenaar is van het gehuurde als de exploitant van de daarin gedreven onderneming, zodat zijn wens om, zoals hij stelt, ‘baas in eigen huis’ te zijn, in dit geval niet zonder betekenis kan worden geacht.

4.12.6.

Op grond van het voorgaande dient een redelijke afweging van de belangen van [eiser] bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van Grolsch bij verlenging van de overeenkomst te leiden tot het oordeel dat de belangen van [eiser] bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan die van Grolsch bij voortzetting ervan. De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is dan ook voor toewijzing vatbaar.

4.13.

Op grond van artikel 7:296 lid 5 BW moet vervolgens het tijdstip van de ontruiming van het gehuurde worden vastgesteld. In de omstandigheden van onderhavig geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van de in de opzeggingsbrief vermelde einddatum, zodat zal worden bepaald dat de huur eindigt op 1 januari 2018. Daarbij wordt overwogen dat de gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen wordt afgewezen. Op grond van artikel 556 lid 1 Rv geschiedt een gedwongen ontruiming immers door een deurwaarder, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van Grolsch komen.

uitvoerbaarheid bij voorraad?

4.14.

Ingevolge artikel 233 lid 1 Rv kan een vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit. [eiser] heeft verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In artikel 7:295 BW staat echter dat de huurovereenkomst na opzegging van rechtswege van kracht blijft, tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een beëindigingsvordering. De rechter kan zijn vonnis slechts uitvoerbaar bij voorraad verklaren indien het verweer van de huurder hem kennelijk ongegrond voorkomt. De blijkens het voornoemde artikel aan te leggen maatstaf is dus dat de vaststelling van het einde van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming alleen uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard als het verweer van de huurder de rechter kennelijk ongegrond voorkomt. Dat is een strenge maatstaf, zij het minder streng dan de maatstaf voor misbruik van recht. De kantonrechter acht het verweer van Grolsch weliswaar niet gegrond maar niet kennelijk ongegrond, in de zin van op voorhand als klaarblijkelijk kansloos. Het vonnis zal daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

proceskosten

4.15.

Aangezien partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren als hierna te melden.

4.16.

Wat partijen nog meer of anders hebben aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, geen afzonderlijke bespreking.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt het tijdstip waarop de (hoofd)huurovereenkomst tussen [eiser] en Grolsch met betrekking tot de bedrijfsruimte met terras aan de Oudestraat 218-220 te Kampen zal eindigen, vast op 1 januari 2018;

5.2.

veroordeelt Grolsch om het gehuurde uiterlijk 1 januari 2018 met al degenen die en al hetgeen zich daarin bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

5.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.