Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4669

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
AK_ZWO_16_1199
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering niet in behandeling genomen op de grond dat niet alle gevraagde informatie is verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen: informatie die niet nodig is om op een aanvraag te beslissen mag niet worden opgevraagd; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1199

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te Enschede, eiser,

gemachtigde: mr. P. Gerritsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder,

gemachtigden: mr. W. Heesen en I. Lungu.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing op de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering opgeschort op de grond dat niet alle gevraagde informatie is verstrekt. Eiser is een hersteltermijn van een week geboden.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiser met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen, op de grond dat niet alle gevraagde informatie is verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Bij besluit van 22 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen L.J.A. Loeve en J. Loeve, werkzaam bij Findool B.V. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van de kantonrechter van 27 augustus 2015 is bewind ingesteld over de goederen van eiser, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid. Findool B.V. te Nijverdal is benoemd tot bewindvoerder. De kantonrechter heeft de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder vastgesteld op € 520,00.

Op 24 september 2015 is bijzondere bijstand aangevraagd voor de maandelijkse kosten van het beschermingsbewind en de intakevergoeding beschermingsbewind.

Op 6 oktober 2015 heeft verweerder eiser een hersteltermijn van een week geboden om aanvullende stukken toe te zenden, te weten het verzoekschrift onderbewindstelling, het verzoek aan de rechtbank, het plan van aanpak bewind en het plan van aanpak problematische schulden.

Bij brief van 12 oktober 2015 heeft eiser verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 augustus 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AD3836) laten weten dat er geen noodzaak is voor het opvragen van de genoemde stukken.

Daarop heeft verweerder het besluit van 20 oktober 2015 genomen.

Op 29 oktober 2015 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar om advies voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (de commissie). Deze commissie heeft verweerder op 15 maart 2016 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Bij het door eiser bestreden besluit van 22 maart 2016 heeft verweerder overeenkomstig dat advies beslist.

2. De rechtbank stelt vast dat tijdens de (gevoegde) behandeling ter zitting Findool B.V. haar beroep heeft ingetrokken, zodat alleen het beroep van eiser voorligt.

3. In artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomens- of studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

In artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

4. Verweerder heeft blijkens de beschikbare gegevens het volgende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

4.1

Volgens de rapportage bestandsonderhoud van 19 oktober 2015 wil verweerder de gevraagde gegevens bij de aanvraag hebben om een gedegen rapportage te kunnen maken over de stand van zaken bij de onderbewindstelling. Aan de hand van deze gegevens krijgt verweerder een beeld van de huidige situatie waar de klant zich in bevindt en wat de verwachtingen in de toekomst zijn van de onderbewindstelling. Ook kijkt verweerder met een schuin oog naar de situatie van de klant om te bezien of er voor de klant geen passende voorliggende voorziening aanwezig is die de kosten kan drukken die vanuit de algemene middelen betaald moeten worden. Mocht dat het geval zijn, dan gaat verweerder in gesprek met de bewindvoerder en de klant om hierover van gedachten te wisselen.

Herhaald wordt, dat het beleid van de gemeente inzake aanvragen bewindvoering is dat men alle gevraagde stukken bij de aanvraag wil hebben, om aan de hand hiervan het actuele beeld van de klant goed te kunnen beoordelen en van daaruit de voortgang inzake de bewindvoering te blijven volgen bij een volgend verzoek om voortzetting bewindvoering. Ook wordt als gemeente gekeken of er een voorliggende voorziening ingezet zou kunnen worden om zodoende de kosten uit de algemene middelen te drukken, aldus de rapportage.

4.2

In het verslag van bevindingen ter voorbereiding op de hoorzitting van de commissie is verder gewezen op een brief van 2014, waarin het beleid en de nieuwe werkwijze van de gemeente Enschede aan verschillende bewindvoerders is bekend gemaakt. Ook is nogmaals benoemd dat de gevraagde gegevens gewenst zijn om een goede beoordeling te kunnen maken over de actuele situatie van de klant en wat de toekomstverwachtingen zijn.

Verder is weergegeven hoe het nieuwe beleid er uit ziet: “Nadat de rechtbank het bewind heeft uitgesproken, heeft een consulent bijzondere bijstand eerst zelf een gesprek met de aanvrager. In dit gesprek wordt beoordeeld welke oplossing het meest passend is voor de burger. Het kan zijn dat de consulent tot de conclusie komt dat een andere oplossing passender en dus beter is voor degene die nu onder bewind is gesteld. Dat kunnen verschillende oplossingen zijn: tijdelijke bewindvoering, totdat alle financiën op een rij staan en de schulden geregeld zijn, budgetcoaching, hulp bij het invullen van formulieren, een budgetbeheerrekening of nog een andere oplossing”. Dit betekent voor het verstrekken van de bijzondere bijstand dat vanaf 1 december 2014 bij het indienen van de aanvraag eerst wordt beoordeeld of er een passende en adequate alternatieve oplossing aanwezig is. Dit is dan de zogenoemde voorliggende voorziening. Mocht de bewindvoerder kosten hebben gemaakt voor het bewerkstelligen van het beschermingsbewind, dan zal de gemeente deze kosten gedurende een nader te bepalen overgangsperiode (nog) wel vergoeden. Het gaat daarbij om griffierecht, inventarisatie-/intakekosten, kosten van het afsluiten van het bewind en maximaal drie maanden de reguliere kosten van het beschermingsbewind. Er vindt geen vergoeding plaats van kosten van extra werkzaamheden, omdat deze werkzaamheden in het nieuw in te zetten traject kunnen worden verricht, aldus het verslag bevindingen.

4.3

De commissie heeft vervolgens geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren. Daarbij is overwogen, dat het karakter van de huidige wetgeving op bijstandsgebied anders is dan ten tijde van de door eiser genoemde uitspraak van de CRvB. Als gevolg van de explosieve toename van het beroep op de bijzondere bijstand voor beschermingsbewind zoeken gemeenten naar wegen om daar meer grip op te krijgen. De gemeente heeft in verband daarmee sinds 1 december 2014 het bovenomschreven nieuwe beleid ingevoerd, dat er op is gericht de hulpvragers in de toekomst zelfstandig zijn/haar financiën te laten regelen. Het uitgangspunt is het leveren van maatwerk en het bevorderen van de zelfredzaamheid.

De commissie is van mening dat het nieuwe beleid geheel in lijn is met het gewijzigde karakter van de wetgeving, met de wens om grip te krijgen op de stijgende kosten van bijzondere bijstand voor beschermingsbewind en met de aanbevelingen in het rapport van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 november 2015. Naar de mening van de commissie doet het standpunt van eiser dat de gemeente zich moet onthouden van de vraag naar de noodzaak van de onderbewindstelling geen recht aan de noodzaak om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgeld en het streven van verweerder om de kosten van de bijzondere bijstand voor beschermingsbewind, in die gevallen waarin (goedkopere) alternatieven mogelijk zijn, beheersbaar te houden. Het standpunt van eiser komt er volgens de commissie op neer dat “de gemeente moet betalen voor de bewindvoering en verder lijdzaam afwachten of de hulpvrager ooit nog uitstroomt uit de bewindvoering”. Dit strookt volgens de commissie niet met de actieve rol die van het gemeentebestuur in het kader van de huidige wetgeving verwacht wordt.

De commissie stelt dat verweerder op grond van haar beleid de aanwezigheid van voorliggende voorzieningen en het recht op bijzondere bijstand beoordeelt; niet de noodzaak van de onderbewindstelling.

De commissie wijst er verder op dat het op grond van vaste jurisprudentie niet aan eiser is om te beoordelen welke stukken in het kader van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw wel of niet aan verweerder verstrekt moeten worden. De commissie meent dat de gevraagde stukken redelijkerwijs nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen. De commissie tekent nog aan, dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gevraagde stukken de privacy van eiser schenden. De commissie concludeert dat de gevraagde informatie relevant is voor de beoordeling van de aanvraag, waarbij het gaat om een volledig inzicht in relevante stukken waaruit, op grond van gemeentelijk beleid, wordt beoordeeld welke oplossing het meest passend is voor de onder bewind gestelde.

Verweerder heeft als vermeld dit advies overgenomen in het bestreden besluit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank ziet in hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraken van deze rechtbank van 14 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2666 en ECLI:NL:RBOVE:2016:2667. De rechtbank blijft daarmee van oordeel dat de uitspraak van de CRvB van 21 augustus 2001 nog immer actueel is. De regelgeving op het punt van bijzondere bijstand is niet ingrijpend veranderd en de CRvB heeft in 2010 een uitspraak gedaan op basis waarvan de rechtbank vaststelt dat in de rechtspraak op dit punt evenmin een andere koers is ingezet. Dat er landelijk meer aandacht is voor de wens van gemeenten om meer invloed te kunnen uitoefenen op de in-, door- en uitstroom van onder bewind gestelden en dat er een motie is ingediend op grond waarvan de regering er voor dient te zorgen dat de rechter bij een verzoek aan de gemeente vraagt of een minder vergaande voorziening mogelijk is, maakt niet dat verweerder nog in de noodzaak van de onder bewindstelling kan treden als eenmaal een beschikking is uitgesproken. Daarbij tekent de rechtbank aan, dat in de memorie van toelichting (MvT) 33.054 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot aanvullingen en wijzigingen van de regels omtrent curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Vergaderjaar 2011-2012, Kamerstuk 33054 nr. 3) door de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is meegedeeld dat de wetswijziging rondom het beschermingsbewind als doel had ervoor te zorgen dat mensen die onvoldoende zelfredzaam zijn voldoende toegang hebben tot curatele, beschermingsbewind en mentorschap en dat deze instrumenten zodanig functioneren dat de mensen die vertegenwoordigd worden adequaat worden beschermd. Bij die wijziging stonden de volgende uitgangspunten voorop:

– de maatregel is passend en bevordert, waar mogelijk, de zelfredzaamheid van de betrokkene;

– de betrokkenheid van personen in de nabije omgeving wordt ondersteund;

– de kwaliteit van wettelijke vertegenwoordigers wordt gewaarborgd;

– de wet reflecteert de bestaande praktijk en

– de regels omtrent curatele, bewind en mentorschap worden gestroomlijnd en afgebakend.

In de MvT is in dit kader onder meer het volgende naar voren gebracht. Het uitgangspunt dat een maatregel niet verder ingrijpt dan noodzakelijk is betekent, dat bij het instellingsverzoek de kantonrechter de meest passende maatregel oplegt. Ook bij zijn taakuitoefening bevordert de curator, bewindvoerder en mentor – als «goed vertegenwoordiger» – waar mogelijk de zelfredzaamheid van de betrokkene. Daarnaast betekent het genoemde uitgangspunt dat, waar mogelijk, de maatregel niet van onbepaalde duur zal zijn. Het wetsvoorstel voorziet daarom in curatele voor bepaalde tijd, en voorts in uitbreiding van de mogelijkheden tot opheffing van en in periodieke evaluatie van de noodzaak van de drie maatregelen.

Daarbij is vermeld, dat beschermingsbewind in drie gevallen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van schuldhulpverlening en schuldsanering. In de eerste plaats kan beschermingsbewind als «vangnet» fungeren voor mensen die niet kunnen worden toegelaten tot de Wsnp. In de tweede plaats kan beschermingsbewind voorafgaande aan en tijdens de Wsnp van nut zijn.(….) Omdat een schuldsanering een min of meer technisch-juridische ingreep is in het leven van de betrokkene, verdient het vaak aanbeveling dat de situatie van de betrokkene zich eerst stabiliseert, voordat een (in beginsel eenmalig) beroep op de Wsnp wordt gedaan.(….) In de derde plaats kan beschermingsbewind nuttig zijn indien personen niet in aanmerking komen voor schuldhulpverlening. (….) Het verschil tussen beschermingsbewind enerzijds en schuldhulpverlening en schuldsanering anderzijds is dat beschermingsbewind niet is gericht op het aflossen van de schulden, maar op het stabiliseren van de situatie en in voorkomende gevallen, het zorgen voor de basisvoorzieningen (betalen van huur, gas, water, licht en leefgeld). Curatoren, bewindvoerders en mentoren worden verplicht een periodieke evaluatie van de noodzaak van de maatregel aan de kantonrechter te verstrekken. (….) De evaluatie strekt ertoe periodiek te bezien of de maatregel nog moet voortduren of door een andere, meer passende voorziening moet worden vervangen. (….) Indien de aanleiding voor de maatregel is verdwenen, kan de vertegenwoordiger tevens opheffing van de maatregel verzoeken.

5.2

De rechtbank stelt vast, dat bij de instelling van beschermingsbewind de passendheid van die maatregel is bezien, kwaliteitswaarborgen met betrekking tot de dienstverlening door de bewindvoerder zijn ingebouwd, de voortgang binnen en duur van de maatregel wordt bewaakt en de beloning van de bewindvoerder is neergelegd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Mede gelet op de geschetste achtergrond van de instelling van het beschermingsbewind, zoals hier aan de orde, dient (ook) in het kader van de toepassing van de Pw de noodzaak van het bij rechterlijk vonnis ingestelde beschermingsbewind uitgangspunt voor het college te zijn. De noodzaak van onderbewindstelling (ook tijdens het traject) is voor verweerder dus een gegeven, zodat het bij de beoordeling van eisers aanvraag om bijzondere bijstand niet aan verweerder is om aan de hand van door eiser te leveren stukken te bepalen of er ook andere (goedkopere) oplossingen denkbaar zijn. Het opvragen van stukken die verweerder nodig denkt te hebben om die beoordeling te kunnen maken, is derhalve niet aan de orde.

In dit kader merkt de rechtbank nog op, dat uit hetgeen ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit en hierboven uitgebreid is beschreven, niet valt af te leiden dat het verweerder om iets anders te doen is dan om vanuit de wens de kosten beheersbaar te houden te zoeken naar de meest passende oplossing voor de burger, welke oplossing volgens verweerder wellicht als voorliggende voorziening is aan te merken. Ten tijde van eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor het beschermingsbewind was dit echter al een gepasseerd station en bestond er geen (beleids)ruimte voor verweerder om hier op een eigen wijze invulling aan te geven. Dat en in hoeverre het beleid van verweerder zou aansluiten bij regeringsonderzoeken is dan ook niet relevant. Mogelijk dat op grond van (nieuwe) evaluaties wetswijzigingen zullen plaatsvinden, maar daarvan is nu geen sprake.

5.3

De door verweerder genoemde jurisprudentie ziet voorts niet op de nu voorliggende situatie en mist daarom toepassing. In dit licht merkt de rechtbank nog op, dat de vraag of de kosten zich voordoen in deze zaak niet speelt, nu het beschermingsbewind bij beschikking van de kantonrechter is ingesteld en de beloning voor de bewindvoerder daarbij is vastgesteld op de tarieven die hiervoor zijn bepaald. Verder is een factuur bij de aanvraag gevoegd. Dat het voor het beantwoorden van de vraag of de kosten zich voordoen nodig is dat verweerder de beschikking krijgt over het verzoekschrift onderbewindstelling, het verzoek aan de rechtbank, het plan van aanpak bewind en het plan van aanpak problematische schulden ziet de rechtbank niet in.

5.4

Weliswaar is het in beginsel aan verweerder om te bepalen welke stukken en documenten hij nodig heeft om een aanvraag te kunnen beoordelen, maar die bevoegdheid is naar zijn aard begrensd; informatie die niet nodig is om op de aanvraag te kunnen beslissen, mag niet worden opgevraagd. De wens om in algemene zin meer grip te krijgen op (de kosten van) beschermingsbewind kan er niet toe leiden dat een individuele aanvrager bij zijn aanvraag stukken moet verstrekken die voor het kunnen beslissen op de aanvraag niet noodzakelijk zijn.

5.5

De rechtbank wijst er daarbij nog op dat in hetgeen aan de thans voorliggende besluitvorming ten grondslag is gelegd met geen woord is gerept over de wens te onderzoeken of er mogelijk sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan van eiser, hetgeen van belang is om te kunnen beoordelen in welke vorm de bijstand zou moeten worden verstrekt. Overigens heeft eiser bij zijn aanvraag een inventarisatie van zijn schulden gegeven, waar verweerder desgewenst nadere vragen over had kunnen stellen. Daar komt bij dat in de beschikking van de kantonrechter van 27 augustus 2015 niet wordt gesproken van verkwisting maar van het hebben van problematische schulden als grond van het beschermingsbewind, waarbij voldoende aannemelijk is geworden dat eiser als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Verder valt uit de MvT af te leiden dat het op de weg van de kantonrechter ligt te bezien of de maatregel passend is, zodat de rechtbank niet inziet dat er nog ruimte is voor verweerder om te beoordelen of eiser zich voldoende heeft georiënteerd op (andere) mogelijkheden van begeleiding.

5.6

Het staat verweerder vrij om vanuit zijn takenpakket al dan niet in breder verband in overleg te treden met eiser en/of zijn bewindvoerder om te bezien in hoeverre een gezamenlijke aanpak voor de toekomst vruchten zou kunnen afwerpen. Dit valt echter buiten het bestek van de beoordeling van de bijstandsaanvraag die eiser heeft ingediend.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal nader op het bezwaar van eiser dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 496,00 en een wegingsfactor van 1). Tevens ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,00 dient te vergoeden.

De gevraagde reiskosten vallen buiten de proceskostenveroordeling, omdat eiser al vertegenwoordigd is door een gemachtigde en eiser zelf niet is verschenen.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.