Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4667

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
08.710008-15 (P) en 08.034901-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een man uit IJsselmuiden voor het bedreigen van zijn vriendin tot 5 dagen gevangenis. De man zat deze tijd al uit in voorarrest. Hij is vrijgesproken van poging tot zware mishandeling en zwaar lichamelijk letsel door schuld bij zijn baby.

De moeder belde 112 omdat het 26 dagen oude zoontje op zijn buik in bed lag en niet meer ademde. De baby is succesvol gereanimeerd. Vaststaat dat de vader de baby op zijn buik in bed had gelegd en dat er sprake is van een zuurstoftekort. Maar naar het oordeel van de rechtbank is het in de rapporten beschreven letsel als gevolg van het zuurstoftekort namelijk niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Naast het medisch ingrijpen op de dag zelf, zijn er nadien geen medische bijzonderheden bij de baby en groeit hij normaal. De rechtbank gaat er bij deze stand van zaken van uit dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en spreekt de verdachte hier van vrij. Voor de overige feiten bevindt zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.710008-15 (P) en 08.034901-15 (TUL)

Datum vonnis: 24 november 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 november 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Zwartjes en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Verdachte is, na wijziging tenlastelegging conform artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en na omnummering door de rechtbank, ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 18 november 2014 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig zijn pasgeboren kind [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) op zijn buik in bed heeft gelegd en heeft laten liggen (voor één of meerdere uren, althans langer dan was geadviseerd en/of toegestaan), waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten zuurstoftekort (in de hersenen) en/of ondertemperatuur en/of een gestopte/gestokte ademhaling, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte ontstaat;

2. hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 oktober

2014 tot en met 18 november 2014 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

telkens opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk in het oogdakkas en/of een hersenafwijking) heeft toegebracht aan zijn pasgeboren kind [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) door

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen en/of een (ander) hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te gooien en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] met kracht tegen een hard voorwerp te laten komen en/of

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen en/of een voorwerp en/of vingers in de mond en/of in het gezicht van die [slachtoffer 1] te duwen en geduwd te houden (waarbij de neus(ademhaling) werd geblokkeerd);

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in/of omstreeks de periode van [2014] tot en met 18 november 2014 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

zijn pasgeboren kind [slachtoffer 1] (geboren op [2014]

) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (telkens) met dat opzet:

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen en/of een (ander) hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] met kracht tegen een hard voorwerp heeft laten komen en/of

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen, althans een voorwerp en/of vingers in de mond en/of in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en geduwd gehouden (waarbij de neus(ademhaling) werd geblokkeerd), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 oktober

2014 tot en met 18 november 2014 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

zijn pasgeboren kind [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) heeft mishandeld door

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen en/of een (ander) hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te gooien en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] met kracht tegen een hard voorwerp te laten komen en/of

- meermalen, althans eenmaal met kracht een speen, althans een voorwerp en/of vingers in de mond en/of in het gezicht van die [slachtoffer 1] te duwen en geduwd te houden (waarbij de neus(ademhaling) werd geblokkeerd)

3. hij op of omstreeks 10 november 2015 te Zwolle zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar uit de woning te trekken en/of te sleuren en waarbij hij, verdachte, tegen haar hand heeft getrapt en waardoor zij een gekneusde pink heeft bekomen;

4. hij op of omstreeks 10 november 2015 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je aangifte doe, dan maak ik je kapot" en/of "Als jij de politie bel, dan sla ik jou het ziekenhuis in", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. primair
hij op of omstreeks 13 september 2015 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, de keel van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 13 september 2015 te Zwolle zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar hoofd op de zijleuning van de bank te drukken en/of bij de keel te grijpen en/of de keel dicht te knijpen.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het onder feit 1, feit 2 primair,

feit 3, feit 4 en feit 5 subsidiair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente kan worden toegewezen, een en ander onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de in beslag genomen goederen worden teruggegeven aan verdachte.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Kort gezegd heeft de officier van justitie – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir – ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] op 18 november 2016 op zijn buik in zijn bedje heeft gelegd, waarna verdachte in slaap is gevallen. Dit kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk nalatig. Als gevolg hiervan is er sprake van zwaar letsel bij [slachtoffer 1] . Het door de buikligging veroorzaakte zuurstoftekort is aan te merken als een onaangename verandering van de innerlijke gezondheid. Bij een baby van 26 dagen oud is het enkele zuurstoftekort, zonder zichtbare schade in de hersenen, voldoende om te spreken van zwaar letsel.

Ook feit 2 primair kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Op [slachtoffer 1] is zodanig geweld toegepast dat hij een breuk in het oogkasdak, een hematoom bij het oog, hersenafwijkingen en wondjes bij de neus heeft opgelopen. Zodanig letsel, zeker bij elkaar genomen, bij een baby van 26 dagen oud, levert zwaar letsel op. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar letsel zou oplopen door zijn handelen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van aangeefster op diverse onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, zodat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Hetzelfde geldt voor feit 5, waarbij de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van de getuige (namelijk dat aangeefster tegen haar heeft gezegd te zijn getrapt).

Gelet op de verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van verdachte kan volgens de officier van justitie ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De raadsman van verdachte heeft zich – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota – ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen.

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Inleiding feiten 1 en 2

Op dinsdag 18 november 2014 omstreeks 06.06 uur heeft [slachtoffer 2] (destijds de vriendin van verdachte) gebeld met 112 omdat haar zoontje [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en op dat moment 26 dagen oud, op zijn buik in bed lag en niet meer ademde. Naar eigen zeggen heeft verdachte, de vader van [slachtoffer 1] , de baby gereanimeerd. Op het moment dat de ambulance ter plaatse was, ademde [slachtoffer 1] weer. [slachtoffer 1] is naar het ziekenhuis gebracht. De ambulancemedewerker heeft de politie geïnformeerd over de door hem in de woning aangetroffen situatie. Hij heeft gemeld dat de baby van vier weken op zijn buik in bed lag, dat er bloed op het matrasje van de baby lag, dat de baby krassen op de neus had en dat de baby een blauw oog had. Door J. Aberson, forensisch arts bij GGD IJsselland, is op 26 november 2014 een letselrapportage op basis van eigen onderzoek opgemaakt. S.J.Th van Kuijk, eveneens forensisch arts bij GGD IJsselland, heeft op 19 januari 2015 een letselrapportage op basis van ingewonnen informatie opgemaakt. Door dr. H.G.T. Nijs, NFI-deskundige Forensische Geneeskunde, is op 9 november 2015 het rapport “Medisch forensisch onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van letsels bij een 4 weken oud jongetje” (hierna: NFI-rapport) opgemaakt.

Feit 1

Vast staat dat verdachte de baby op zijn buik te slapen heeft gelegd. Verweten wordt dat daardoor zwaar lichamelijk letsel, te weten zuurstoftekort en/of ondertemperatuur en/of gestopte/gestokte ademhaling bij [slachtoffer 1] is ontstaan. Daarnaast staat vast dat [slachtoffer 1] op 18 november 2014 zuurstoftekort heeft gehad. De vragen die voorliggen zijn: is er sprake van lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en is er een causaal verband tussen de gedraging van verdachte en dat letsel. Immers, het intreden van het gevolg (zwaar lichamelijk letsel) is een noodzakelijke voorwaarde voor strafbaarheid. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat [slachtoffer 1] op 18 november 2014 zuurstoftekort heeft gehad. Zowel [slachtoffer 2] als verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] geen adem meer haalde. Dit is consistent met de in het ziekenhuis gedane constateringen van lactaatacidose en bloedgehaltes die passen bij verslechterde nier- en leverfuncties. Deze constateringen zijn te verklaren door een periode met doorgemaakt zuurstoftekort, zoals volgt uit het NFI-rapport. Uit het NFI-rapport volgt verder dat de afwijkingen in de linker wandbeenkwab (parietaalkwab) van de hersenen, die zichtbaar zijn op de MRI-scan van 20 november 2014, niet de indruk maakten van ernstig doorgemaakt zuurstoftekort. De deskundige Nijs heeft vervolgens mogelijke oorzaken van hypoxie (recent doorgemaakt zuurstoftekort) overwogen. Volgens Nijs kan de mogelijkheid van een ‘near SIDS’ (wiegendood) niet worden uitgesloten, gezien de gemelde buikligging bij het te slapen leggen van [slachtoffer 1] en het enkele uren later aantreffen van hem met het gezicht in de matras, in combinatie met de bloedwaarden die pasten bij recent doorgemaakt zuurstoftekort. Ten aanzien van ALTE (apparent life threatening event) is Nijs van oordeel dat dit in dit specifieke geval in beginsel niet wordt uitgesloten. Nijs acht ‘near SIDS’ en ALTE echter niet aannemelijk gezien het tegelijkertijd aantreffen van diverse andere medische bevindingen, zoals een recent fors contacttrauma links op het hoofd (zwelling bovenooglid, oogkasdakbreuk en hersenafwijkingen pariëtaal), en de verklaring van verdachte betreffende het hard in de mond stoppen en tegen de neus houden van een speen waarbij het kind geen adem meer kon halen, met wellicht daarbij ontstane letsels aan de neusvleugels. Tot slot stelt Nijs dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige ademwegbelemmering die uren later nog blijkt uit afwijkende bloedwaarden, gezien de verklaring van vader betreffende het hard in de mond stoppen en tegen de neus houden van een speen, waarbij het kind (“een aantal seconden”) geen adem kon halen, en gezien de daarbij wellicht ontstane huidbeschadigingen aan de neusvleugels. Uit het rapport maakt de rechtbank op dat weliswaar sprake is geweest van zuurstoftekort, maar dat de causaliteit tussen een gedraging van verdachte en het ontstane zuurstoftekort onvoldoende is vast te stellen. De rechtbank constateert verder dat de deskundige Nijs bij de conclusie over de mogelijke oorzaken van het zuurstoftekort niet enkel de buikligging in aanmerking heeft genomen, maar de overige letsels in het gezicht van [slachtoffer 1] daarbij heeft betrokken. Dit zou aanleiding zijn om de deskundige nadere vragen te stellen, zoals door de officier van justitie verzocht. Echter, gezien het hiernavolgende zal de rechtbank hiervan afzien.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in de rapporten beschreven letsel als gevolg van het zuurstoftekort namelijk niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. De tekst van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht laat de rechter de vrijheid om buiten de in deze wetsbepaling genoemde gevallen lichamelijk letsel als "zwaar" te kwalificeren. Volgens vaste jurisprudentie moet het betreffende letsel voldoende ernstig zijn om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt, en dienen de gebezigde bewijsmiddelen de benodigde indicaties te verschaffen over de aard en ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het ontbreken van uitzicht op (volledig) herstel. In dit geval bestond weliswaar op 18 november 2014 de noodzaak tot medisch ingrijpen, maar gezien de afwezigheid van neurologische gevolgen en de constatering door Nijs dat bij de poliklinische controle van 9 april 2015 geen medische bijzonderheden bij [slachtoffer 1] zijn aangetroffen en de groeiparameters (waaronder die van de schedelomtrek) van 29 september 2015 normaal waren, gaat de rechtbank er bij deze stand van zaken van uit dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Dat betekent dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Feit 2

Verdachte wordt als eerste verweten dat hij zijn pasgeboren kind zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het zwaar letsel dat [slachtoffer 1] heeft bekomen wordt in de tenlastelegging concreet omschreven als een breuk in de oogdakkas en/of een hersenafwijking. Als feitelijke handelingen van verdachte wordt een aantal handelingen verweten, namelijk:

  • -

    Het met kracht een speen of ander voorwerp tegen het hoofd te gooien en/of het hoofd tegen een hard voorwerp laten komen en/of

  • -

    Met kracht een speen of voorwerp of vingers in de mond en/of gezicht te duwen (waarbij de ademhaling werd geblokkeerd).

Voor zover niet kan worden bewezen dat deze handelingen zwaar lichamelijk letsel hebben veroorzaakt, wordt verdachte verweten dat hij daarmee heeft geprobeerd zwaar letsel toe te brengen, dan wel [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

De rechtbank overweegt als volgt. Het NFI-rapport noemt als mogelijke oorzaak van de breuk in de oogdakkas het stoten van het hoofd van [slachtoffer 1] tegen de boxrand toen de boxbodem inzakte. In het geval dit die breuk heeft veroorzaakt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het opzettelijk (ook niet in voorwaardelijke zin) toebrengen van letsel. Immers aannemelijk is dat het hier om een ongeluk gaat, waarvan verdachte melding heeft gemaakt bij de jeugdverpleegkundige.

Ten aanzien van het ten laste gelegde met kracht gooien met een speen en met kracht een speen in de mond duwen, oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende wettig bewijs is van deze handelingen. In het dossier bevindt zich de enkele verklaring van verdachte bij de politie dat hij deze handelingen heeft verricht, maar verdachte heeft deze verklaring vervolgens ter terechtzitting ingetrokken. Deze feitelijke handelingen vinden geen steun in het NFI-rapport, aangezien deze als onaannemelijke oorzaken worden benoemd voor de breuk in de oogdakkas en/of de hersenafwijking. De feitelijke handelingen kunnen dan ook niet worden vastgesteld en, ook als deze handelingen wel zijn verricht, is er geen bewijs dat die handelingen letsel hebben veroorzaakt. Voor de overige ten laste gelegde feitelijke handelingen, te weten een ander hard voorwerp op/tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gooien, het hoofd van [slachtoffer 1] met kracht tegen een hard voorwerp laten komen en een voorwerp/vingers in de mond van [slachtoffer 1] duwen, bevindt zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het als feit 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Feit 3

Ten aanzien van het als feit 3 ten laste gelegde heeft (enkel) [slachtoffer 2] belastend over verdachte verklaard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de pink van [slachtoffer 2] tussen de deur is gekomen. Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte tegenstrijdig zijn, kan niet worden bewezen wat de toedracht van de gekneusde pink is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte van het als feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Feit 4

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt vast dat getuige [getuige] heeft verklaard dat zij een huilende vrouw, zijnde [slachtoffer 2] , op straat aansprak, waarna de vriend van [slachtoffer 2] , zijnde verdachte, op de fiets naar hen toe kwam rijden. [getuige] hoorde verdachte zeggen: “Als jij de politie belt, sla ik jou het ziekenhuis in”. De houding van verdachte kwam zeer dreigend over op [getuige] . Verdachte heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 2] in de woning een hoogoplopende ruzie hebben gehad, waarna verdachte [slachtoffer 2] het huis uit heeft gezet. Vervolgens is verdachte naar [slachtoffer 2] toegegaan, die op straat stond te praten met een omstander. Hij heeft tegen [slachtoffer 2] geroepen dat ze spijt zou krijgen als ze aangifte zou doen en dat hij haar eigenlijk een doodschop moest geven. De rechtbank acht op grond van deze verklaringen voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de bedreiging, zoals ten laste gelegd, aanwezig. Dat [slachtoffer 2] van deze bedreiging geen aangifte heeft gedaan doet daaraan niet af.

Feit 5

Ten aanzien van het als feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft (enkel) [slachtoffer 2] belastend over verdachte verklaard. Verdachte heeft ontkend dat hij de keel van [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en dichtgeknepen en dat hij [slachtoffer 2] op de bank heeft gedrukt. Hij heeft haar enkel bij de wangen gepakt en haar een kus gegeven, aldus verdachte. Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte verschillen, kan het als feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde niet worden bewezen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte als feit 1, 2, 3 en 5 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het als feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4. hij op 10 november 2015 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als jij de politie belt, dan sla ik jou het ziekenhuis in", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin met wie hij samenwoonde, zijnde aangeefster, na een hoogoplopende ruzie in het bijzijn van een buurtbewoner op straat bedreigd. Na de confrontatie die zich thuis had voorgedaan, is verdachte zijn toenmalige vriendin achterna gegaan en is hij op straat opnieuw de confrontatie aangegaan. Uit de verklaring van de getuige volgt dat verdachte daarbij zeer intimiderend overkwam. Het strafbare gedrag van verdachte is voor anderen ook zichtbaar geweest nu dit op de openbare weg heeft plaatsgevonden. Daardoor kan een algemeen gevoel van onveiligheid worden ervaren.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 oktober 2016. Daaruit blijkt onder meer dat verdachte op 26 augustus 2016 is veroordeeld door de politierechter tot 24 uren taakstraf vanwege huiselijk geweld. De rechtbank zal deze veroordeling meewegen in het kader van artikel 63 Sr.

Verdachte heeft in het onderzoek naar de verweten strafbare feiten vijf dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Gelet op het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank deze reeds uitgezeten gevangenisstraf een passende straf.

Voor het namens aangeefster gedane verzoek tot oplegging van een contactverbod ziet de rechtbank geen aanleiding.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen gevorderd dat deze worden teruggegeven aan verdachte.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van de officier van justitie geen verweer gevoerd.

De rechtbank zal gelasten dat de bij verdachte in beslag genomen goederen aan hem worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Deze schade bestaat uit immateriële schade.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot vergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De gestelde schade van de benadeelde partij ziet op de gevolgen van (zware) mishandeling en bedreiging. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 3 en 5 en de benadeelde partij niet heeft onderbouwd welk deel van de schade betrekking heeft op de bedreiging, zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde om haar stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis die de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, in de zaak met parketnummer 08.034901-15 bij vonnis van 20 april 2015 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. De rechtbank is van oordeel dat die vordering moet worden toegewezen omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zijn niet gebleken. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 63 Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het als feit 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het als feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 4: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , wonende te Zwolle, in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van inbeslaggenomen goederen aan verdachte;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08.034901-15

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 20 april 2015 van de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, in de zaak met parketnummer 08.034901-15, te weten: een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Edelenbos, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015590905. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 4

1.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 10 november 2015, onder meer inhoudende (pagina 1-2):

(…) Op dinsdag 10 november 2015 (…) hoorde ik (…) als getuige: (…) [getuige] . (…)

“Ik ben woonachtig in Zwolle (…) Toen ik de woning uitliep (…), zag ik een vrouw huilend over straat lopen. (…) Ik heb haar vervolgens aangesproken (…).

Op dat moment komt er tot twee keer toe een jongen op een fiets naar ons toe rijden.

Ik hoorde dat hij tegen het slachtoffer zei (…): “als jij de politie belt, sla ik jou het ziekenhuis in” of woorden van die strekking. (…)

De jongen, blijkbaar de vriend van het slachtoffer, maakte een zeer dreigende indruk

op mij (…) zijn hele houding kwam zeer bedreigend op mij over. (…)”.

2.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 november 2015, onder meer inhoudende (pagina 19-20):

(…) V. Toen [slachtoffer 2] op straat was in het bijzijn van een getuige, ben je naar haar toegegaan op je fiets. Wat heb je tegen haar geroepen?

A. Volgens mij (…) dat ik haar eigenblijk een doodschop moest geven. (…).