Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4628

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
C/08/175208 / HA ZA 15-421
Formele relaties
Veroordeling feit: ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen vordering. Petitum in onderhavige procedure is anders geformuleerd maar komt op hetzelfde neer als het petitum in de vorige procedure. Gezag van gewijsde staat er (voorts) aan in de weg dat in deze procedure over dezelfde rechtsbetrekking nieuw bewijs wordt bijgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : C/08/175208 / HA ZA 15-421

Vonnis van 3 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij,

mr. A. Stoel, advocaat, toegevoegd onder nummer 4KI4751 op 3 december 2013,

tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [plaats] ,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2]

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde partijen,

mr. A.A. Bos, advocaat.

Eisende partij zal hierna worden aangeduid als [eiseres] . Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde 1 c.s.] en afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 juli 2015

- het herstelexploot van 7 augustus 2015

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte overlegging producties

- de akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , haar echtgenoot [A] en hun zoon [B] (hierna: de zoon) hebben van 1 juli 1995 tot omstreeks 8 november 2004 deel uitgemaakt van een vennootschap onder firma (hierna: de VOF).

2.2.

[eiseres] is eigenaar geweest van een onroerende zaak aan de [adres 1] , die zij heeft verkocht. Nadien is aangekocht de onroerende zaak aan de [adres 2] (hierna: het bedrijfspand), welk bedrijfspand op 16 januari 1996 op naam is gesteld van de zoon, die daarmee juridisch eigenaar is geworden. Volgens [eiseres] is de economische eigendom ingebracht in de VOF.

2.3.

De zoon heeft het bedrijfspand op 11 december 2009 verkocht aan [gedaagde 1] voor een bedrag van € 800.000,00. De transportakte is op 25 juni 2010 verleden, waarbij de eigendom is geleverd aan [gedaagde 2]

2.4.

Op 25 januari 2011 hebben de VOF, [eiseres] en haar echtgenoot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad. In deze procedure met nummer 181469 / HA ZA 11-152 hebben zij gevorderd, kort gezegd, primair schadevergoeding in natura door om niet mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het bedrijfspand en subsidiair schadevergoeding ten bedrage van € 1.600.000,00.

2.5.

Bij eindvonnis van 7 december 2011 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.

2.6.

Op 10 juni 2011 hebben [eiseres] en haar echtgenoot, tevens handelend als vennoten van de VOF, bij de arbitragecommissie van de Kamer van Koophandel en fabrieken Oost-Nederland een geschil aanhangig gemaakt tegen hun zoon. In deze procedure hebben zij schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 1.625.000,00. De arbitragecommissie heeft de vordering bij vonnis van 14 juni 2012 (in de kop van het vonnis per abuis gedateerd op 14 juni 2011) afgewezen.

2.7.

Bij schrijven van 10 december 2014 van de advocaat van [eiseres] aan [gedaagde 1] is [gedaagde 1] , onder verwijzing naar voormeld arbitragevonnis alsmede naar verklaringen uit het strafdossier tegen de echtgenoot van [eiseres] als aanvullende nieuwe feiten en omstandigheden, aansprakelijk gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1 c.s.] dan wel [gedaagde 1] of [gedaagde 2] jegens [eiseres] een onrechtmatige daad hebben/heeft gepleegd in de zin der wet en daarom jegens haar aansprakelijk zijn/is voor schade die zij daardoor heeft geleden,

II. [gedaagde 1 c.s.] hoofdelijk – zodat in geval de een betaalt, de ander zal zijn gekweten – dan wel [gedaagde 1] of [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de schadevergoeding nader op te maken bij staat,

III. [gedaagde 1 c.s.] hoofdelijk dan wel [gedaagde 1] of [gedaagde 2] te veroordelen in de beslagkosten alsmede in de kosten van dit geding, vermeerderd met rente en nakosten.

3.2.

[gedaagde 1 c.s.] voeren gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkend verweer tegen de vorderingen van [eiseres] hebben [gedaagde 1 c.s.] een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het eindvonnis van de rechtbank van 7 december 2011. Het gezag van gewijsde is geregeld in artikel 236 lid 1 Rv. Hierin is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen, bindende kracht hebben. [gedaagde 1 c.s.] hebben aangevoerd dat partijen over de onderhavige kwestie op basis van dezelfde feiten en dezelfde rechtsgrond al eerder een procedure bij de rechter hebben gevoerd waarover afwijzend is beslist. Nu [eiseres] tegen dat vonnis geen hoger beroep heeft ingesteld, zijn [gedaagde 1 c.s.] van mening dat de vorderingen in de onderhavige procedure moeten worden afgewezen.

4.2.

[eiseres] heeft betwist dat gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank in de weg staat aan toewijzing van haar huidige vorderingen. [eiseres] meent dat haar vordering in de procedure die tot het vonnis van 7 december 2011 heeft geleid niet (geheel) gebaseerd is op dezelfde rechtsgronden als haar vordering in de onderhavige procedure en dat overigens sprake is van een ander petitum. Daarbij komt dat de deze procedure aanvullende, nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die ten tijde van de eerste procedure niet bekend waren. Belangrijkste daarvan acht [eiseres] dat destijds niet dan wel onvoldoende vaststond dat sprake was van wanprestatie van de zoon jegens haar. Dat is uiteindelijk wel vastgesteld dan wel af te leiden uit het arbitragevonnis van 14 juni 2012. Het arbitragevonnis kon ook niet worden gebruikt als aanleiding om in hoger beroep te gaan van het vonnis van 7 december 2011, omdat de hoger beroepstermijn daarvan verstreken was op 7 maart 2012.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 236 lid 1 Rv gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, waarbij onder “rechtsbetrekking in geschil” dient te worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Gezag van gewijsde komt derhalve toe aan die beslissingen in een vonnis, waarin de rechter aan bepaalde feiten rechtsgevolgen heeft verbonden, ongeacht of deze beslissingen zijn neergelegd in het dictum, dan wel slechts deel uitmaken van de overwegingen. In essentie strekt het leerstuk ertoe een einde te maken aan geschillen omtrent dezelfde rechtsbetrekking. Het antwoord op de vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt af (1) van de inhoud en strekking van die eerdere beslissing en (2) van de beoordeling van de ingestelde vordering in de volgende procedure. Het betreft derhalve een kwestie van uitleg van de desbetreffende beslissing en de vordering.

4.4.

De rechtbank constateert dat [eiseres] in de procedure die tot het eindvonnis van 7 december 2011 heeft geleid schadevergoeding heeft gevorderd. Uit de inleidende dagvaarding (randnummer 5) van die procedure volgt dat daartoe destijds is aangevoerd dat [gedaagde 1 c.s.] wisten van de economische eigendom van de VOF en dat met levering van het bedrijfspand die economische eigendom zou worden geschonden. [gedaagde 1 c.s.] hebben jegens [eiseres] onrechtmatig gehandeld door ondanks die wetenschap het bedrijfspand te kopen en aan hen te laten leveren. In plaats van een concrete schadevergoeding vordert [eiseres] thans een verklaring voor recht en een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Hieraan legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde 1 c.s.] jegens haar een onrechtmatige daad hebben begaan door te hebben geprofiteerd van de tekortkoming van de zoon ter zake van de verkoop en de levering van het bedrijfspand (randnummer 4 van de dagvaarding in deze procedure).

4.5.

Anders dan [eiseres] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat het petitum in de onderhavige procedure anders is geformuleerd maar dat dit op hetzelfde neerkomt als het petitum in de vorige procedure en dat het onderliggende geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt in beide procedures de kwestie betreft of [gedaagde 1 c.s.] onrechtmatig hebben geprofiteerd van de wanprestatie die de zoon jegens [eiseres] zou hebben gepleegd. Dat [eiseres] zich in de vorige procedure heeft gebaseerd op de wetenschap van [gedaagde 1 c.s.] ten tijde van de levering in plaats van de wetenschap ten tijde van de aankoop, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer uit de onderliggende gedingstukken. Bovendien heeft de rechtbank in het eindvonnis van 7 december 2011 bij haar beoordeling uitdrukkelijk de maatstaf van de wetenschap ten tijde van de aankoop gehanteerd. Indien [eiseres] van mening was dat de rechtbank haar vordering vervolgens met inachtneming van die maatstaf ten onrechte heeft afgewezen, had zij hoger beroep kunnen instellen.

4.6.

Voorts staat het gezag van gewijsde er aan in de weg dat in deze procedure over dezelfde rechtsbetrekking nieuw bewijs wordt bijgebracht (HR 14 oktober 1988, ECLI:NL:HR:AC3786). Een andere opvatting zou ertoe leiden dat een geschil steeds opnieuw aan de rechter kan worden voorgelegd, hetgeen in strijd is met de ratio van het gezag van gewijsde: een procedure moet eens afgelopen zijn.

4.7.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] afstuiten op het gezag van gewijsde van het eindvonnis van 7 december 2011. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde 1 c.s.] behoeven geen bespreking meer.

4.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] worden begroot op

€ 1.743,00 (€ 613,00 aan griffierecht en 2,5 punten x tarief € 452,00 aan salaris gemachtigde).

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] tot op heden begroot op € 1.743,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op

3 augustus 2016.