Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4500

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
08/192413 KG RK 16-739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: 08/192413 KG RK 16-739

Beslissing van 22 november 2016

Op het verzoek van

de besloten vennootschap [verzoekster] B.V.,

gevestigd te Giethoorn,

verzoekster tot wraking,

advocaten mrs. J.J. Schelling en J.C.J. van der Rakt te Rotterdam,

strekkende tot wraking van mr. F.E.J. Goffin, rechter in deze rechtbank.

1 De procedure

1.1.

Bij gelegenheid van de comparitie inzake de procedure, geregistreerd onder zaaknummer C/08/184253 / HA ZA 16-128, tussen de besloten vennootschap [bedrijf] B.V. als eiseres en verzoekster als gedaagde heeft mr. Schelling namens verzoekster een mondeling verzoek tot wraking van mr. Goffin gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2016.

1.2.

Mr. Goffin heeft niet berust in de wraking

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoekster is op 8 november 2016 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de heer [directeur verzoekster] , verder “ [directeur verzoekster] ”, directeur van verzoekster, bijgestaan door mrs. Schelling en Van der Rakt;

- mr. Meijroos, advocaat van [bedrijf] B.V.;

- mr. Goffin heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft - samengevat - de navolgende gronden naar voren gebracht.

2.1.1.

Bij de mondelinge behandeling gaf mr. Goffin blijk van vooringenomenheid. Dat bleek met name uit de (intonatie van de) opmerking van mr. Goffin tegen [directeur verzoekster] “die mail, die u dan niet kent”. Voor mr. Schelling vormde dat aanleiding om ‘een waarschuwing’ aan mr. Goffin te geven.

2.1.2.

Twee tot drie keer herhaalde mr. Goffin aan [directeur verzoekster] de vraag of hij had geprotesteerd tegen de facturen van [bedrijf] B.V. Het meerdere keren herhalen van de vraag geeft volgens verzoekster er blijk van dat mr. Goffin een bepaalde doelredenering in haar hoofd had en het antwoord van [directeur verzoekster] op die vraag onvoldoende de door haar gewenste argumentatie ondersteunde. Bij [directeur verzoekster] ontstond de indruk dat hij niet werd geloofd.

2.1.3.

Tegen de interruptie door mr. Schelling in verband met het herhalen van dezelfde vraag maakte mr. Goffin ten onrechte bezwaar. Mr. Goffin had moeten respecteren dat mr. Schelling in zijn hoedanigheid van advocaat dient op te komen voor de belangen van zijn cliënt.

3 Het standpunt van mr. Goffin

3.1.

Mr. Goffin berust niet in de wraking. Samengevat brengt zij het volgende naar voren.

3.1.1.

Uit de (intonatie van de) vraagstelling zou volgens mr. Goffin enige verwondering hebben kunnen blijken, aangezien de stelling dat [directeur verzoekster] de desbetreffende e-mail niet kende, een nieuw standpunt was. Mr. Goffin heeft vervolgens doorgevraagd ten einde zicht te krijgen op het standpunt van verzoekster, de feitelijke gang van zaken rond de ontvangst van deze e-mail en de bekendheid met de inhoud daarvan.

3.1.2.

De (herhaalde) vragen omtrent het protest van [directeur verzoekster] tegen de facturen van [bedrijf] B.V. zagen op het trachten verkrijgen van een beeld en een (nadere) concretisering van de feiten en omstandigheden rond dat bezwaar. De vragen zagen dus op het vergaren van informatie. Er was, aldus nog steeds mr. Goffin, geen sprake van een “doelredenering” of een “gewenste argumentatie”.

3.1.3.

Mr. Goffin merkt voorts op dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de interruptie door mr. Schelling omdat zij merkte dat die interruptie de communicatie tussen [directeur verzoekster] en haar niet ten goede kwam.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

4.2.

Dergelijke concrete feiten of omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

4.2.1.

In de bodemprocedure is bij vonnis van 22 juni 2016 een comparitie bevolen die mede diende tot het geven van inlichtingen. Artikel 88, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt ter zake van een dergelijke comparitie dat de rechter partijen ondervraagt. In het kader van waarheidsvinding komt de rechter, die de regie ter zitting heeft, in dat verband een grote vrijheid toe. Behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel moet daarbij uitgangspunt zijn dat - indien dat naar het inzicht van de rechter nodig is om de feiten accuraat en volledig boven tafel te krijgen - een volhardende wijze van kritisch doorvragen niet wijst op vooringenomenheid.

4.2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat bij mr. Goffin bij (i) haar opmerkingen omtrent de mail waarvan [directeur verzoekster] volgens zijn stellingen geen kennis droeg en/of (ii) haar herhaalde vragen omtrent de bezwaren die [directeur verzoekster] al dan niet heeft geuit over de (hoogte van de) facturen, een andere bedoeling voorzat dan waarheidsvinding. In het verlengde daarvan is evenmin aannemelijk dat bij verzoekster redelijkerwijze geen andere gedachte kon postvatten dan dat sprake was van vooringenomenheid.

4.2.3.

Het bezwaar dat mr. Goffin heeft geuit tegen de interruptie door mr. Schelling vormt evenmin aanleiding voor die conclusie.
In het algemeen is onjuist de gedachtegang dat de behandelend rechter, in verband met de omstandigheid dat een advocaat voor de belangen van zijn cliënt dient te waken, geen bezwaar zou mogen maken tegen interrupties door een advocaat indien zijn cliënt wordt ondervraagd. De rechter heeft immers de regie ter zitting en bepaalt dus wie op welk moment aan het woord is. In het kader van waarheidsvinding kan het daarbij dienstig zijn dat een partij zélf vragen beantwoordt. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat een advocaat zijn cliënt kan adviseren om een (bepaalde) vraag niet te beantwoorden. De omstandigheid dat een rechter een advocaat erop wijst dat hij bezwaar heeft tegen herhaalde interrupties vormt dan ook geen aanleiding voor de veronderstelling dat sprake is van vooringenomenheid. Bijzondere omstandigheden die in het voorliggende geval aanknopingspunten bieden voor een andersluidend oordeel zijn de rechtbank niet gebleken.

4.3.

Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer

5.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, W.J.B. Cornelissen en J.H. Keuzenkamp in tegenwoordigheid van mr. G.W.G. Wijnands, griffier en in openbaar uitgesproken op 22 november 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.