Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:440

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
08.730485-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man uit Almelo is veroordeeld voor het stalken van twee vrouwen via telefoonoproepen en WhatsAppberichten. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van 6 maanden en een werkstraf van 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan de proeftijd zijn bijzondere voorwaarden verbonden zoals een meldplicht, ambulante behandeling en een alcohol- en drugsverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer (P): 08.730485-15

Datum vonnis: 11 februari 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Sovjetunie),

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 januari 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman
mr. R.A. Kaarls, advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 en 3: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft belaagd;

feit 2: heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] een bedrag van € 300,00 af te persen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juni 2015 tot en met
26 juni 2015 in de gemeente [adres] en/of in de gemeente Almelo, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- ( meermalen) telefonisch contact gezocht en/of opgenomen met die [slachtoffer 1] en/of:

- zeer veel app-berichten naar de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] verstuurd/verzonden, met (onder meer) de (dreigende) tekst(en):

“Ik pak je hard” en/of

“Ik bezorg je zoveel spijt en je kan het niet terug zetten dus ik stop niet totdat ik zelf wil stoppen” en/of

“Ook al zorg je dat ik vast kom te zitten vanuit de cel blijf ik mijn spel doorgaan” en/of

“Ik bezorg je zoveel spijt dat je tot de laatste seconde van je leven met de pijn zal zitten” en/of

“Ik ga je weer stalken”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 22 mei 2015 in de gemeente Almelo en/of in de gemeente Zutphen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld (300 euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte opzettelijk dreigend

- ( middels de telefoon) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Dat hij de keel van haar moeder door zou snijden. Als aangeefster 300 euro zou geven zou hij dit niet doen”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- een app-bericht naar [naam] heeft verstuurd en/of verzonden met daarin de tekst: “ [slachtoffer 2] moet 300 euro betalen anders ga ik je/haar moeder de keel door snijden”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met
22 mei 2015 in de gemeente Almelo en/of in de gemeente Zutphen en/of in de gemeente Deventer, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] , in elk geval die ander (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- ( meermalen) (dreigend en/of dwingend en/of claimend) telefonisch contact opgenomen/gezocht met die [slachtoffer 2] en/of

- ( meermalen) die [slachtoffer 2] (bij haar school te Deventer) opgezocht.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, waarvan 111 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld een meldplicht, klinische opname voor de duur van maximaal 15 maanden, met aansluitend een ambulante behandeling, en een drugs- en alcoholverbod.

Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

De rechtbank zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten ontvankelijk verklaren in de vervolging. Er bevinden zich weliswaar geen klachten in het dossier, maar de rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat uit de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de daarna afgelegde getuigenverklaring van [getuige] en het gegeven dat [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij heeft gevoegd, in onderlinge samenhang bezien, onmiskenbaar blijkt dat beide aangeefsters de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden, waarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate is voldaan aan (de feitelijke betekenis van) het klachtvereiste als omschreven in voornoemd artikel.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] , de uitdraai van het WhatsApp berichtenverkeer en de verklaring van verdachte het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het onder 2 en 3 tenlastegelegde acht zij wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van
[getuige] en de verklaring van verdachte zelf.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, maar dat voor het onder 2 tenlastegelegde vrijspraak dient te volgen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en feit 3:

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank het onder 1 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van deze feiten sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit stellig heeft ontkend en dat de aangifte op dit punt onvoldoende ondersteuning vindt in de overige stukken van het dossier. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken voor het onder 2 ten laste gelegde.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 23 juni 2015 tot en met 26 juni 2015 in de gemeente [adres] en/of in de gemeente Almelo telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] met het oogmerk die [slachtoffer 1] telkens te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- meermalen telefonisch contact gezocht en opgenomen met die [slachtoffer 1] en:

- zeer veel app-berichten naar de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] verstuurd, met (onder meer) de dreigende teksten:

“Ik pak je hard” en

“Ik bezorg je zoveel spijt en je kan het niet terug zetten dus ik stop niet totdat ik zelf wil stoppen” en

“Ook al zorg je dat ik vast kom te zitten vanuit de cel blijf ik mijn spel doorgaan” en

“Ik bezorg je zoveel spijt dat je tot de laatste seconde van je leven met de pijn zal zitten” en

“Ik ga je weer stalken”;

3.

hij in de periode van 1 mei 2015 tot en met 22 mei 2015 in de gemeente Almelo en in de gemeente Zutphen en in de gemeente Deventer telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] met het oogmerk die [slachtoffer 2] telkens te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- meermalen dreigend en dwingend en claimend telefonisch contact opgenomen/gezocht met die [slachtoffer 2] en

- meermalen die [slachtoffer 2] opgezocht.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 285b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: belaging;

feit 3

het misdrijf: belaging.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van twee vrouwen, van wie één pas net meerderjarig was. Hij heeft deze slachtoffers telefonisch lastig gevallen door hen in een relatief korte periode te bestoken met een zeer grote hoeveelheid telefoonoproepen en/of WhatsAppberichten, met een veelal dreigend, dwingend en controlerend karakter. Met zijn gedrag heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en blijkens de aangiftes heeft hij zijn slachtoffers daarmee grote angst ingeboezemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte uitgebrachte rapporten, te weten:

  • -

    een Pro Justitia rapportage van 6 november 2015, opgemaakt door D. Breuker, forensisch psycholoog;

  • -

    een reclasseringsrapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering d.d.
    30 oktober 2015, opgemaakt door P.H.M. Wijk, reclasseringswerker;

  • -

    een (aanvullend) reclasseringsrapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering d.d. 23 december 2015, opgemaakt door P.H.M. Wijk, reclasseringswerker;

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 december 2015 op naam van verdachte.

Uit de Pro Justitia rapportage komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken. Daarnaast is er in diagnostische zin sprake van een stoornis in de impulscontrole NAO en misbruik van alcohol en cannabis. Verdachte kan negatieve emoties en onlustgevoelens slecht verdragen en heeft daarnaast een grote prikkelbehoefte, wat maakt dat hij nog minder grip heeft op zijn impulscontrole. Bij gebrek aan structuur verliest hij zich in impulsief, grenzeloos en onverantwoordelijk gedrag. Hij is snel gekrenkt en kan niet tegen afwijzingen. Door overmatig middelengebruik en door pogingen te ondernemen om zijn omgeving te domineren en controleren probeert verdachte dit tegen te gaan. Als hij hier onvoldoende in slaagt, gaat hij gemakkelijk grenzen over en gaat hij over tot het bedreigen en manipuleren van meisjes. Verdachte heeft weinig zicht en grip op zijn eigen problematiek en kan zich onvoldoende of niet inleven in de slachtoffers.

Geadviseerd wordt om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat in het geval verdachte niet wordt behandeld, waarbij als belangrijkste risicofactoren het gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesef, impulscontroleproblemen, instabiliteit en ambivalentie ten aanzien van hulp worden genoemd.

De deskundige heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijk strafdeel op te leggen, met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld een klinische behandeling die aansluitend wordt opgevolgd door een ambulant traject.

In lijn met de aanbevelingen van de deskundige heeft de reclassering geadviseerd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en klinische opname met aansluitend een ambulante behandeling. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd om als bijzondere voorwaarde een alcohol- en drugsverbod op te leggen.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies en aanbevelingen over voor zover deze zien op de mate van toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico indien de problematiek van verdachte onbehandeld blijft. Voor wat betreft het ondergaan van een behandeling die verdachte zal moet aanleren anders om te gaan met onlustgevoelens en negatieve emoties en het beter hanteren van zijn persoonlijkheidsproblematiek is de rechtbank eveneens doordrongen en overtuigd van de noodzaak hiertoe. Voor wat betreft de modus hiervan is de rechtbank, gelet op hetgeen hierover ter terechtzitting is besproken en gelet op de stukken die van de zijde van verdachte zijn overgelegd, van oordeel dat verdachte overtuigend zijn motivatie heeft aangetoond hiermee in ambulant kader en onder toezicht van de reclassering van start te willen gaan, hierbij ondersteund en gecontroleerd door de geloofsgemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. Dit maakt dat de rechtbank thans geen (klinische) behandeling in verplicht kader zal opleggen, waarbij zij mede in aanmerking neemt dat verdachte reeds geruime tijd in voorarrest heeft doorgebracht. Daar komt bij dat de rechtbank minder feiten bewezen acht, dan het aantal waarvan de officier van justitie is uitgegaan bij haar eis.

Alle factoren afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk om een meldplicht, ambulante behandeling en een alcohol- en drugsverbod mogelijk te maken.

De rechtbank ziet, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3379), onvoldoende aanleiding om de dadelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaarden te bevelen. De bewezenverklaring bevat enerzijds niet een gedraging die onmiskenbaar is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangeefsters, terwijl anderzijds het misdrijf ‘belaging’ niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf ‘dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’ als bedoeld in artikel 14e, eerste lid, Sr.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 11,69, bestaande uit kosten ter zake van het wijzigen van een mobiel telefoonnummer.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is vast komen te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is niet weersproken en onderbouwd met een factuur. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis tot op heden begroot op nihil.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1: belaging;
    feit 3: belaging;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

  • -

    van de werkstraf zal een gedeelte van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter de tenuitvoerlegging gelast, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren:

  • -

    aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden; of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; of

  • -

    omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

  • -

    de veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering aldaar moet melden en zich daarna moet melden zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van een instelling voor ambulante forensische psychiatrische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en/of drugs, zolang de reclassering dat nodig acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

  • -

    geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] , van een bedrag van € 11,69;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 11,69 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van één dag zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.R.J. Aink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, Basisteam Twente-Noord, met nummer PL0600-2015370939. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 en 3:

 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 30 juni 20151;

 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juli 20152;

 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 24 februari 2014,

met daaraan gehecht een uitdraai houdende WhatsApp berichten3;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 januari 20164.

1 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , d.d. 30 juni 2015, pag. 18 tot en met 20.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juli 2015, pag. 21 en 22.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 8 juli 2015, pag. 23 t/m 25.

4 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 januari 2016.