Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4399

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
15/6056 en 15/6058 (591a Sv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift op grond van artikel 89 en 591a Sv, verzoek tot toekenning schadevergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering.

De raadkamer acht geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verdachte een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden. Datzelfde geldt voor de vergoeding van kosten van de verdediging.

Wel kent de raadkamer een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, zijnde een bedrag van € 550,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2017/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/224874-12

Verzoekschriftnummer: 15/6056 en 15/6058 (591a Sv)

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 89 en 591a Sv van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats],

wonend te [woonplaats] aan de [adres].

1 Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 5 november 2015, is op 6 november 2015 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door

mr. R. Oude Breuil, advocaat te Enschede.

Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 89 Sv een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen tot een bedrag van € 630,=, voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden.

Daarnaast strekt het verzoek tot het op grond van artikel 591a Sv toekennen van een vergoeding van € 635,25 voor de kosten van de raadsman en € 540,-- voor de kosten van het opstellen, indienen en bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift.

Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 10 februari 2016, 5 oktober 2016 en 9 november 2016.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie en de raadsman gehoord.

Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde schriftelijke reactie d.d. 12 januari 2016 en de aanvullende conclusie van 1 april 2016, van de beschikking van het gerechtshof van 12 december 2013 en bijbehorende ambtsberichten alsmede van de aantekening in GPS tot voorwaardelijk sepot op 13 augustus 2014.

2 De standpunten van verzoeker en de raadsvrouw en de officier van justitie

De raadsman heeft ter zitting het verzoekschrift toegelicht. Zijn standpunt luidt, samengevat, dat de zaak tegen verzoeker bij beschikking van het Openbaar Ministerie van 13 augustus 2014 voorwaardelijk is geseponeerd met een proeftijd van één jaar. Op 13 augustus 2015 is de proeftijd verstreken waardoor de zaak op 13 augustus 2015 definitief is geëindigd. Het feit dat het gerechtshof op 12 december 2013 naar aanleiding van een klaagschrift op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering van aangeefster [aangeefster] tegen een eerder genomen sepotbeslissing door het Openbaar Ministerie strafvervolging heeft bevolen van verzoeker ter zake mishandeling gepleegd op 17 september 2011 in Almelo, doet daaraan volgens de raadsman niet af nu verzoeker ervan uit mocht gaan dat de op 13 augustus 2014 aan hem ter kennis gebrachte beslissing tot voorwaardelijk sepot met een proeftijd van één jaar met zich meebracht dat van vervolging geen sprake meer zou zijn indien hij zich niet aan nieuwe strafbare feiten zou schuldig maken binnen de proeftijd. Nu de proeftijd op 13 augustus 2015 is verstreken, is de zaak op 13 augustus 2015 geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Verzoeker komt daarom de gevraagde vergoeding toe.

Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat als volgt. Aangezien verzoeker in de onderhavige zaak vier en niet zes nachten zoals de raadsman heeft gesteld, in verzekering heeft doorgebracht, komt hij voor een forfaitaire vergoeding in aanmerking van € 420,= . Aangezien het aan verzoeker zelf te wijten is, dat hij als verdachte is aangemerkt, dient het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen. Wel komt verzoeker in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van dit verzoekschrift.

3 De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is. De raadkamer heeft daarbij acht geslagen op jurisprudentie van de Hoge Raad, NJ 2013/402, bevestigd in HR 22-9-2015, NJ 2016/6. Daaruit volgt dat de in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, naar de bedoeling van de wetgever niet betekent dat de zaak dient te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv. Ook na andere wijzen van beëindiging van de zaak bestaat op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de verdediging.

4 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Aan verzoeker is op 6 november 2012 kennisgegeven dat hij ter zake mishandeling op 17 september 2011 niet vervolgd zou worden indien hij zich binnen de proeftijd van 2 jaar niet aan nieuwe strafbare feiten zou schuldig maken. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2013 is het klaagschrift van aangeefster [aangeefster], dat zich richtte tegen voornoemde beslissing om tegen verzoeker geen strafvervolging in te stellen, toegewezen en is de strafvervolging bevolen van verzoeker [verzoeker] waarbij het hof heeft bepaald dat de vervolging ook kan worden ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking. Ondanks dit bevel tot strafvervolging van het hof is de zaak tegen verzoeker op 13 augustus 2014 andermaal geseponeerd met een kennisgeving van voorwaardelijk sepot met een proeftijd van één jaar met de voorwaarde dat de officier van justitie alsnog strafvervolging instelt indien verzoeker zich niet houdt aan de gestelde algemene voorwaarde. Aldus is geen opvolging gegeven aan het bevel van het gerechtshof. Dat kan echter niet worden toegerekend aan verzoeker nu hij er op basis van het de beslissing tot voorwaardelijk sepot van 13 augustus 2014 vanuit mocht gaan dat de strafzaak na het verstrijken van de proeftijd van één jaar was geëindigd.

Het verzoek op grond van artikel 89 Sv en artikel 591a Sv

Vast staat dat het Openbaar Ministerie aan verzoeker een kennisgeving tot voorwaardelijk sepot heeft gestuurd op 13 augustus 2014 met een proeftijd van één jaar. Vast staat ook dat verzoeker geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd en dat het voorwaardelijk sepot aldus een onherroepelijk sepot is geworden op 13 augustus 2015 en dat de zaak tegen verzoeker hiermee geëindigd was.

Uit voornoemde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat klager heeft verklaard dat ‘hij een ploertendoder uit de zak heeft gehaald ….en daarmee vervolgens in het rond heeft gezwaaid’. Voorts heeft hij verklaard na het zien van een foto van aangeefster: ‘Ik schrik wel van die foto. Zij stond wel vooraan, dus zij heeft kennelijk wel veel klappen opgevangen’. Daaruit volgt dat het in hoge mate aan klager zelf te wijten is geweest dat hij als verdachte is aangemerkt en in verzekering is gesteld. Onder die omstandigheden acht de raadkamer geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verdachte een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden. Datzelfde geldt voor de vergoeding van kosten van de verdediging.

Wel kent de raadkamer in dit geval op grond van billijkheid een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 550,--.

5 De beslissing

De raadkamer

  • -

    kent op grond van artikel 591a Sv aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 550,=;

  • -

    beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking de schadevergoeding door de griffier betaald wordt, door overboeking van het bedrag op de bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer] ten name van De Stichting Beheer Derdengelden Damsté te Enschede;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van Klaassen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.