Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4357

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
C/08/179134 / HA ZA 15-614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van waterleidingsbedrijf voor lekkage van oude, afgesloten waterleiding onder woning, met als gevolg rottende draagbalken en aangetaste CV-leidingen, op grond van artikel 6:174 BW. Uitzondering van lid 2 van dat artikel doet zich niet voor. Beroep op exoneratieclausule slaagt evenwel en beperkt de aansprakelijkheid tot € 3.500,00. Vermoeden van onredelijk bezwarendheid van exoneratieclausule afdoende weerlegd. Beroep op exoneratie evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Door waterleidingsbedrijf gestelde eigen schuld van woningeigenaar leidt in de gegeven omstandigheden niet tot vermindering van de beperkte vergoedingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/179134 / HA ZA 15-614

Vonnis van 4 mei 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P. Feenstra te Zoetermeer,

tegen

naamloze vennootschap VITENS N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Vitens genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft op 15 maart 2014 van [X] gekocht de woning met erf, tuin en ondergrond te [plaats 1] aan de [adres] (hierna: de woning) voor een prijs van € 280.000,00. Deze woning is op 11 juni 2014 geleverd.

2.2.

De woning is in de periode van 28 september 2007 tot 11 juni 2014 eigendom geweest van [X] . Voorafgaand aan 28 september 2007 heeft de woning toebehoord aan [Y] . In 2004 is de woning verbouwd, in welk verband door Vitens een nieuwe aansluitleiding voor de levering van drinkwater naar de woning is aangelegd.

2.3.

Op 22 juli 2013 heeft [X] bij Vitens gemeld dat de kruipruimte vol water stond, waarna een monteur op 29 juli 2013 een onderzoek heeft ingesteld naar de in gebruik zijnde aansluitleiding. Er zijn geen bijzonderheden ontdekt, waarna die aansluitleiding in overleg met [X] enkele dagen is dichtgezet. Na het heropenen van die aansluitleiding heeft Vitens van [X] geen nader verzoek aangaande of klacht over een lekkage ontvangen.

2.4.

[eiser] heeft voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst de woning viermaal bezichtigd. Bij de tweede bezichtiging heeft de makelaar van [X] aan [eiser] een door een bouwkundige van Vereniging Eigen Huis opgesteld Rapport Aankoopkeuring d.d. 13 november 2013 (hierna: het keuringsrapport) ter beschikking gesteld. [eiser] heeft dit keuringsrapport met [X] besproken. [eiser] heeft geen nader of ander bouwkundig onderzoek naar de staat van de woning laten verrichten.

2.5.

In het 22 pagina’s tellend keuringsrapport is onder meer vermeld:

op pagina 4 daarvan:

Zijn er speciale aandachtspunten voor de opdrachtgever?

vloer woonkamer thv open haard; dak schuur (riet)

Zijn er specifieke bijzonderheden?

geen toegang tot kruipruimte.

op pagina 5 daarvan:

Waarderingsnormen en afkortingen

(…)

2. Goede conditie Geen gebreken, incidentele beginnende veroudering

3. Redelijke conditie Plaatselijke zichtbare veroudering, gebreken kunnen voorkomen

(…)

GC Niet mogelijk om een juiste conditie vast te stellen

(…)

NTC: niet te controleren

(…)

OMR: onderdeel met risico

op pagina 9 daarvan:

Vloerconstructie hout score 2

op pagina 10 daarvan

In detail → begane grond

(…)

Dragende wanden score 3 Geconstateerd:

Zichtbare vochtplekken. Capillair/optrekkend

Opmerkingen:

besproken tijdens rondgang: optrekkend vocht vanuit fundering. Ouderwetse oplossing = lambrisering langs de wanden. wellicht brengt de later in het rapport aan te brengen extra ventilatie kruipruimte ook enige verbetering.

Op pagina 11 daarvan:

Vloerconstructie hout NTC Niet bereikbaar

OMR Geconstateerd:

GC lichte doorbuiging of vering

Maatregelen:

vervangen van het vloerhout incl. de balklaag PM € 3.000 à € 6.000

Opmerking(en):

hal en woonkamer. slaapkamer hoek. Besproken omdat we geen mogelijkheid hebben tot verder onderzoek zonder schade aan parket/vloer. U overlegt met verkoper of extra onderzoek mag. Bedrijf inhuren. Risico is dat u deel balken en vloerhout moet vervangen. De PM post geeft uw risico in deze aan. Zie ook ‘Kruipruimte’.

Op pagina 17 daarvan:

In detail → Daken en gevels

(…)

Fundering NTC Niet bereikbaar

GC Geconstateerd:

Optrekkend vocht in metselwerk

Ventilatie kruipruimte GC Geconstateerd:

Onvoldoende capaciteit

Maatregelen:

Extra kruipruimteventilatiemogelijkheden aanbrengen.

2.6.

Op 3 juni 2014 heeft [eiser] door aanmelding via de website van Vitens een overeenkomst gesloten voor de levering van drinkwater aan de woning.

2.7.

Vitens gebruikt voor haar drinkwaterlevering algemene voorwaarden, zijnde de “Algemene Voorwaarden Drinkwater Vitens 2012”. Deze algemene voorwaarden zijn in maart 2012 in overleg met de Consumentenbond vastgesteld in het kader van de coördinatiegroep zelfreguleringsoverleg van de Sociaal-Economische Raad. In artikel 19 daarvan aangaande “aansprakelijkheid” is vermeld:

19.2

Het bedrijf is, met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel, voorts aansprakelijk voor schade aan personen of zaken ten gevolge van een gebrekkige aansluiting of levering dan wel van een onjuist handelen of nalaten in verband met een aansluiting of een levering - niet zijnde een onderbreking van de levering - doch niet, indien de schade het gevolg is van een tekortkoming die het bedrijf niet kan worden toegerekend.

19.4

Indien en voor zover het bedrijf jegens de aanvrager of de verbruiker in het kader van deze algemene voorwaarden tot schadevergoeding verplicht is, komt schade aan personen en/of zaken en noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade slechts voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van ten hoogste € 2.000.000 (twee miljoen) per gebeurtenis voor alle aanvragers en verbruikers tezamen, met dien verstande dat de vergoeding van noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade is beperkt tot € 75 (vijfenzeventig) en de vergoeding van schade aan zaken en noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade, ongeacht de omvang van het totaal der schade, is beperkt tot ten hoogste € 3.500 (vijfendertighonderd) per aanvrager of verbruiker. Indien het totaal der schaden aan personen en/of zaken meer bedraagt dan € 2.000.000 (twee miljoen), is het bedrijf niet gehouden meer schadevergoeding te betalen dan dit bedrag, waarbij met inachtneming van het eerder in dit lid genoemde maximum voor schade aan zaken van € 3.500 (vijfendertighonderd) de aanspraken van de aanvragers en de verbruikers naar evenredigheid zullen worden voldaan.

2.8.

In januari 2015 heeft [eiser] aan Bouwbedrijf [A] te [plaats 2] (hierna; de aannemer) opgedragen onderzoek te doen naar de door hem ervaren beweging in de houten vloer van de begane grond. Op 26 januari 2015 heeft de aannemer bij afwezigheid van een luik het parket en daarna de constructievloer in de gang opengebroken, waarna is geconstateerd dat de kruipruimte vol water stond tot halverwege de draagbalken van de vloer en dat die draagbalken door rot waren aangetast. De aannemer is daarop het water uit de kruipruimte gaan pompen in welk verband is geconstateerd dat water uit een leiding stroomde. [eiser] heeft daarop Vitens verzocht ter plaatse te komen, waarna twee monteurs van Vitens diezelfde dag hebben geconstateerd dat er water vrijkwam uit het einde van de oude, in februari 2004 buiten gebruik gestelde aansluitleiding. De monteurs hebben daarop in het einde van die oude aansluitleiding een prop geplaatst. Op 27 januari 2015 hebben de monteurs de dienstkraan van de oude aansluitleiding, nabij de aansluiting van die leiding op de hoofdwaterleiding, onderzocht en geconstateerd dat deze water doorliet.

2.9.

In het in opdracht van de opstalverzekeraar opgestelde expertiserapport d.d. 26 juni 2015 van EMN Expertise te Deventer (hierna: EMN) is onder meer vermeld dat door de uitstroom van water de vloerbalken en vloerdelen ernstig zijn aangetast als ook de onder de houten vloer bevindende CV-leidingen zijn beschadigd. EMN heeft daarop de schade begroot op € 58.317,00 aan herstelkosten, € 3.000,00 aan huurderving, € 1.000,00 schade aan items, € 19.250,00 aan vloerbedekking en stoffering, met kosten verblijf elders pro memorie, samen € 81.567,00.

2.10.

De opstalverzekeraar van [eiser] heeft uitkering op de door [eiser] ingediende schadeclaim geweigerd omdat de polis pas per 26 mei 2014 is ingegaan en het evenement zich al in 2004 heeft voorgedaan. Coulancehalve heeft de opstalverzekeraar aan [eiser] een uitkering gedaan van € 5.000,00.

2.11.

[eiser] heeft [X] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de lekkage. Tot verdere maatregelen jegens [X] is [eiser] nog niet gekomen.

2.12.

Per brief van 21 september 2015 heeft [eiser] Vitens aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de uitstroming van water uit de oude aansluitleiding. Per brief van 28 september 2015 heeft het door Vitens ingeschakelde bureau Cunningham Lindsey Nederland B.V. te Hoogeveen (hierna: Cunningham) geantwoord dat haars inziens een eenduidig causaal verband tussen aantasting van de vloer en de lekkende aansluitleiding niet vaststaat, dat haars inziens niet duidelijk is wat de oorzaak is voor het lekken van de aansluitleiding, dat zij de gestelde schade van € 81.000,00 nog niet kan beoordelen en dat overeenkomstig artikel 19 van de algemene voorwaarden 2012 een schadevergoeding beperkt is tot ten hoogste van € 3.500,00, ongeacht de omvang van de geleden schade. Het antwoord besluit daarop met de mededeling dat zij Vitens zal adviseren - onverplicht en zonder erkenning van aansprakelijkheid - over te gaan tot vergoeding van een bedrag van € 3.500,00.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat Vitens jegens hem aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de lekkage in de waterleiding en voorts veroordeling van Vitens tot betaling van € 119.289,79 aan schadevergoeding, € 2.381,15 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten en vergoeding van overige schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Vitens voert verweer.

4 De vordering

4.1.

Vitens is als eigenaar van de aansluitleiding op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de schade. Subsidiair heeft Vitens onrechtmatig gehandeld omdat zij tekort is geschoten in haar verplichting om zorgvuldig te handelen aangaande haar leidingnetwerk. Meer subsidiair is sprake van toerekenbaar tekortschieten door Vitens bij de uitvoering van de op haar rustende verbintenissen. Uit niets blijkt dat er een andere oorzaak voor de schade aan de woning dan de lekkende aansluitleiding.

4.2.

Op de verhouding van partijen zijn geen algemene voorwaarden van toepassing. Die zijn niet ter hand gesteld, zodat [eiser] de vernietigbaarheid daarvan kan inroepen en ook inroept. Subsidiair is een beroep op een exoneratie, vervat in die algemene voorwaarden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Die onaanvaardbaarheid wordt versterkt doordat een clausule als ingeroepen door Vitens, is opgenomen op de grijze lijst van artikel 6:237 BW onder sub f.

4.3.

Er is geen sprake van eigen schuld bij [eiser] of bij de vorige eigenaars van de woning. Dat in 2013 sprake is geweest van een melding bij Vitens, is [eiser] onbekend. Er is daarna echter geen deugdelijk onderzoek ingesteld door Vitens; dat is beperkt gebleven tot een constatering dat er niets te horen was op de nieuwe aansluitleiding. Er is geen onderzoek ingesteld naar de oude aansluitleiding. [X] heeft daarom mogen aannemen dat sprake is geweest van grondwater, terwijl hem niet bekend was dat er nog een oude aansluitleiding aanwezig was, omdat het afsluiten is gebeurd toen de woning nog eigendom was van [Y]. Uit niets bleek ten tijde van de bezichtigingen en zo evenmin uit het keuringsrapport dat er sprake was van een ernstige lekkageprobleem.

4.4.

De gestelde schade is reëel. Cunningham heeft in eerste instantie de eerste schatting door EMN van € 81.000,00 als realistisch aangemerkt. De door Vitens aan de hand van de opinie van Cunningham uitgeoefende kritiek is onterecht. De schadeopstelling is gespecificeerd en onderbouwd met producties. Aannemelijk is dat de schade groter is dan al is begroot zodat tevens een verwijzing naar de schadestaat is aangewezen.

5 Het verweer

5.1.

Het staat niet vast vanaf wanneer de oude aansluitleiding is gaan lekken en wat daarvoor de oorzaak is. Het staat ook niet vast dat die leiding in 2004 onjuist is afgesloten; het kan zijn dat de leiding tijdens de verbouwing van 2004 is beschadigd of dat de dienstkraan later door slijtage water is gaan doorlaten. Er is daardoor geen sprake van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Hooguit is sprake van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Er is evenmin sprake van een toerekenbare tekortkoming, Vitens heeft immers drinkwater geleverd.

5.2.

Voor zover Vitens aansprakelijk is voor enige schade aan de vloer, bestaat er geen vergoedingsplicht voor Vitens omdat de schade het gevolg is van omstandigheden die geheel aan [eiser] en zijn rechtsvoorgangers zijn toe te rekenen. Het is namelijk waarschijnlijk dat de oude aansluitleiding al in juli 2013 lekte toen [X] heeft geconstateerd dat de kruipruimte vol water stond. De oorzaak daarvoor had [X] toen moeten onderzoeken. Ook in het voorjaar van 2014 had [eiser] kunnen constateren dat er iets met de vloer aan de hand was. Die aanwijzingen uit het keuringsrapport had [eiser] moeten onderzoeken. Als het probleem eerder was aangepakt, was de schade minder groot geweest.

5.3.

Gelet op artikel 19 van de algemene voorwaarden is Vitens slechts bij aansprakelijkheid gehouden tot vergoeding van een bedrag van € 3.500,00.

5.4.

De door [eiser] gestelde schade is bij meerdere posten in omvang te hoog, terwijl ten onrechte geen rekening wordt gehouden met een aftrek ‘oud-voor-nieuw’ en andere posten ten onrechte worden geclaimd.

6 De beoordeling

6.1.

Het staat tussen partijen vast dat de naar de woning van [eiser] leidende, in 2004 buiten gebruik gestelde aansluitleiding voor drinkwater op enig moment weer water is gaan doorlaten. Tevens is onomstreden dat op 26 januari 2015 is vastgesteld dat de kruipruimte onder de woning tot halverwege de draagbalken volstond met water.

6.1.1.

[eiser] heeft in verband met de op 26 januari 2015 vastgestelde lekkage van de oude aansluitleiding aangevoerd dat zijn woning als gevolg daarvan met diverse gebreken kampt, waaronder rottende draagbalken en aangetaste CV-leidingen. [eiser] houdt Vitens primair aansprakelijk op grond van artikel 6:174, lid 2 BW. Voor zover van belang bepaalt dat artikellid dat de aansprakelijkheid voor een goede staat bij leidingen op de leidingbeheerder rust, behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.

6.1.2.

Voormelde aansprakelijkheid strekt zich naar het oordeel van de rechtbank uit tot een (van de hoofdleiding aftakkende) aansluitleiding. Dit is niet anders indien die aansluitleiding buiten gebruik is gesteld, zoals in dit geval. De aansluitleiding bevindt zich immers op een diepte van ongeveer 1 meter (nabij de hoofdleiding) tot circa een halve meter (nabij de woning) en onder de fundering van de woning. De eigenaar en/of gebruiker van de woning heeft daardoor in beginsel geen macht over of invloed op die aansluitleiding en die vormt in zoverre geen eenheid met de woning zelf. Dit geldt hier te minder nu het gaat om een buiten gebruik gestelde aansluitleiding die van de woning was afgesloten en eindigde onder/in de fundering van die woning. De uitzondering zoals vervat in de laatste volzin van lid 2 van artikel 6:174 BW doet zich hier dan ook niet voor. Op Vitens rust dan ook een risicoaansprakelijkheid voor die oude aansluitleiding.

6.1.3.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat de aansluitleiding op 26 januari 2015 en daaraan voorafgaand niet in een goede staat heeft verkeerd als bedoeld in artikel 6:174 BW. Van een afgesloten, buiten gebruik gestelde aansluitleiding mag worden verwacht dat zulks duurzaam is. In dit geval is op 26 januari 2015 vastgesteld dat op het einde van de oude aansluitleiding een zogeheten eindprop ontbrak en voorts is op 27 januari 2015 vastgesteld dat de dienstkraan voor deze oude aansluitleiding weliswaar dichtgedraaid stond doch desondanks water liet door- en uitstromen. Deze beide defecten hebben er toe geleid dat in de kruipruimte tot halverwege de draagbalken water is komen staan. Er kan dus niet worden gezegd dat de aansluitleiding heeft voldaan aan de eisen die men aan een dergelijke leiding mag stellen.

6.1.4.

Dat de oorzaak van het afwezig zijn van de eindprop en doorlaten van water door de dienstkraan niet duidelijk is, zoals Vitens stelt, doet niets af aan haar risicoaansprakelijkheid en kan dan ook in het midden blijven. Vitens heeft nog aangevoerd dat er ook andere oorzaken kunnen zijn voor het feit dat het water hoog in de kruipruimte heeft kunnen staan doch die stelling is, zo begrijpt de rechtbank, uitsluitend veronderstellenderwijs opgeworpen. Uit het door EMN opgestelde rapport van 26 juni 2015 blijkt echter dat het waterniveau van de sloot achter de woning ook tijdens hoogwater circa 1 meter lager staat dan de begane grondvloer van de woning en dat omringende woningen een droge kruipruimte hadden. Voorts blijkt uit niets dat na het afsluiten van de oude afsluitleiding en het wegpompen van het water uit de kruipruimte, deze ruimte zich opnieuw met water heeft gevuld. De rechtbank passeert daarom deze stellingname van Vitens en neemt dan ook tot uitgangspunt dat de lekkage van de oude aansluitleiding en het als gevolg daarvan langdurig gevuld zijn van de kruipruimte voorzienbaar tot gevolg heeft een aantasting van de zich in die kruipruimte bevindende draagbalken van de begane grondvloer en CV-leidingen.

6.1.5.

Het voorgaande betekent dat Vitens op grond van artikel 6:174 lid 2 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het uitstromen van water uit de oude aansluitleiding.

6.2.

Wat betreft het beroep van Vitens op de exoneratieclausule die als artikel 19 is opgenomen in de door haar gebruikte algemene voorwaarden, ertoe leidend dat haar aansprakelijkheid voor schade is beperkt tot een bedrag van € 3.500,00, geldt het volgende.

6.3.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of [eiser] zich heeft gebonden aan deze exoneratieclausule, zoals Vitens stelt en [eiser] bestrijdt, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die gelden in de context van de aanvaarding van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden. Of de algemene voorwaarden van Vitens onderdeel uitmaken van de overeenkomst, dient te worden bepaald aan de hand van het algemene artikel 6:217 BW (aanbod en aanvaarding). Daarbij zijn de artikelen 3:33 jo 3:35 BW van belang om te bepalen of de wil van, in dit geval, [eiser] gericht is geweest op het aanvaarden van de gelding van de algemene voorwaarden. Uit artikel 6:231 aanhef en onder c. BW jo artikel 6:232 BW volgt dat voor aanvaarding voldoende is dat [eiser] wist dat algemene voorwaarden deel uitmaakten van de overeenkomst.

6.3.1.

Het staat vast dat de overeenkomst tussen Vitens en [eiser] via elektronische weg tot stand is gekomen doordat [eiser] via de website van Vitens om levering van drinkwater heeft verzocht. [eiser] heeft in dat verband niet weersproken dat hij daartoe elektronisch een aanvraagformulier heeft ingevuld met allerhande gegevens en dat hij, alvorens de overeenkomst te kunnen finaliseren, een zogeheten vinkje moest zetten bij de elektronische vermelding dat op de overeenkomst de door Vitens gebruikte algemene voorwaarden van toepassing zijn. Relevant is daarbij de niet weersproken stelling van Vitens dat zonder het aanvinken van die vermelding de overeenkomst niet op elektronische wijze tot stand kan komen. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de algemene voorwaarden van Vitens op de rechtsverhouding van Vitens en [eiser] van toepassing zijn.

6.3.2.

Gezien de tekst van artikel 19 lid 2 van de algemene voorwaarden strekt de exoneratieclausule er ook toe de omvang van de aansprakelijkheid van Vitens te beperken die op artikel 6:174 lid 2 BW kan worden gebaseerd. Dat artikellid behandelt immers uitdrukkelijk de schade die het gevolg is van een gebrekkige aansluiting dan wel handelen of nalaten in verband met een aansluiting. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in dat hier iets anders mee is bedoeld dan de in artikel 6:174 lid 2 BW vervatte aansprakelijkheid.

6.4.

Bij dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, zonder daarvoor de grond te duiden. Ter comparitie heeft [eiser] daarover nader gesteld dat de algemene voorwaarden hem nimmer ter hand zijn gesteld en voorts dat deze onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:237 aanhef en onder sub f. BW. De rechtbank begrijpt uit het betoog van [eiser] dat hij hierbij uitsluitend de in artikel 19 van de algemene voorwaarden beperking van Vitens’ aansprakelijkheid op het oog heeft.

6.4.1.

Ingevolge artikel 6:233 aanhef en onder b. BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar, indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Deze verplichting is uitgewerkt in artikel 6:234 BW, te weten in lid 1 de terhandstelling en in lid 2 via de elektronische weg. Onomstreden is dat in dit geval de overeenkomst via elektronische weg tot stand is gekomen, in welk verband, zoals hierover is overwogen, [eiser] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden evenzo elektronisch heeft aanvaard, zodat hier evident de in lid 2 bedoelde situatie aan de orde is. [eiser] grondt zijn bezwaar van een niet bieden van een redelijke mogelijkheid evenwel uitsluitend op het niet ter hand gesteld zijn van de algemene voorwaarden, ofwel de in lid 1 bedoelde situatie. [eiser] heeft daardoor niet gesteld dat Vitens hem geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om in het verband van de elektronische totstandkoming van de overeenkomst van de daarop toepassing verklaarde algemene voorwaarden kennis te nemen. Dit betekent dat de stelling dat de algemene voorwaarden niet aan [eiser] ter hand zijn gesteld, niet tot vernietiging van de algemene voorwaarden kan leiden.

6.4.2.

Ingevolge artikel 6:233 aanhef en onder a. BW is een beding in algemene voorwaarden voorts vernietigbaar, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Een beding als in dit geval, dat ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke bepalingen over de verplichting tot schadevergoeding, wordt ingevolge artikel 6:237 aanhef en onder f. vermoed onredelijk bezwarend te zijn.

6.4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval hantering van de exoneratie niettemin gerechtvaardigd is, zal (onder meer) in aanmerking moeten worden genomen de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden waarin het beding is opgenomen tot stand zijn gekomen, de wederzijdse belangen van de contractspartijen en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de uitgesloten schadeoorzaak, de schadesoort, en in hoeverre de daardoor ontstane schade al dan niet verzekerbaar is.

6.4.4.

De rechtbank neemt in voormeld verband het volgende in aanmerking.

A. Vitens heeft onbestreden gesteld dat zij als waterleidingbedrijf verplicht is tegen vastgestelde en gereguleerde tarieven afnemers van drinkwater aan te sluiten op het waterleidingnetwerk en voor transport van drinkwater te zorgen.

B. Vitens heeft daarover onbetwist gesteld dat de gereguleerde tarieven geen ruimte bieden voor volledige aansprakelijkheid van de beheerder van het waterleidingnetwerk voor schade van afnemers als gevolg van schade aan dat leidingnetwerk, waarbij een onbeperkte aansprakelijkheid voor een leidingbeheerder niet verzekerbaar is.

C. Vitens heeft voorts onbestreden gesteld dat haar algemene voorwaarden recent zijn gewijzigd in overleg met de Consumentenbond, waarbij de beperking van haar aansprakelijkheid is verhoogd tot € 3.500,00 per schade en als gerechtvaardigd is aangemerkt.

D. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat een schade aan een opstal als gevolg van lekkage aan een waterleiding in beginsel voor de eigenaar van een opstal verzekerbaar is.

E. Niet gebleken is dat er sprake is van opzet of van grove schuld aan de zijde van Vitens voor het ontstaan en/of voortbestaan van de lekkage aan de aansluitleiding. De aansprakelijkheid van Vitens is een risico- en niet een schuldaansprakelijkheid.

F. Het gaat hier - in hoofdzaak - om zaakschade en niet om personenschade.

G. Niet onaannemelijk is dat de door [eiser] als gevolg van de lekkage geleden schade geheel, althans in aanmerkelijke mate, voorkomen had kunnen worden indien hij tegen de achtergrond van de bevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 13 november 2013, voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst tot koop van de woning aanvullend bouwkundig onderzoek had laten verrichten naar met name de aanwijzingen voor te hoge vochtbelasting van de woning vanuit de bodem/kruipruimte onder de woning.

6.4.5.

Het voorgaande afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat voormeld wettelijke vermoeden van het onredelijk bezwarend zijn van het door Vitens ingeroepen beding in de gegeven omstandigheden afdoende is weerlegd.

6.4.6.

Uit wat hiervoor in 6.4.4. is overwogen, volgt dat er evenmin grond is voor het oordeel dat het beroep van Vitens op artikel 19 van haar algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat bedoeld beding om die reden buiten toepassing moet blijven.

6.5.

Het vorengaande leidt tot de slotsom dat het beroep van Vitens op een contractuele beperking van haar aansprakelijkheid tot een bedrag van € 3.500,00 voor de door [eiser] geleden schade doel treft.

6.6.

Vitens heeft nog met een beroep op eigen schuld van [eiser] als bedoeld in artikel 6:101 BW betoogd dat haar vergoedingsplicht geheel is komen te vervallen. Dat artikel houdt geparafraseerd in dat slechts die schade voor vergoeding in aanmerking komt die de schuldenaar kan worden toegerekend, met dien verstande dat bedoelde vergoedingsplicht wordt verminderd in evenredigheid met de mate waarin de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan de benadeelde kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank schuilt in het negeren door [eiser] voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst tot koop van de woning van de aanwijzingen voor een te hoge vochtbelasting van de woning vanuit de bodem/kruipruimte onder de woning onvoldoende grond voor het oordeel dat de aansprakelijkheid van Vitens moet worden verminderd tot minder dan het bedrag waarvoor Vitens haar aansprakelijkheid contractueel heeft beperkt. Er is daardoor in deze gegeven omstandigheden geen plaats voor een vermindering van de vergoedingsplicht.

6.7.

Vitens heeft niet bestreden dat de schade aan de woning als gevolg van de lekkage ten minste € 8.500,00 bedraagt aan - in ieder geval - directe herstelkosten van de draagbalken, constructievloer en parketvloer. Rekening houdend met de door [eiser] van zijn opstalverzekeraar ontvangen uitkering ad € 5.000,00, is dan ook voldoende aannemelijk dat de schade van [eiser] thans meer bedraagt dan € 3.500,00. Nu de verplichting tot vergoeding van schade, zoals hiervoor is overwogen, tot die som is beperkt, is het derhalve niet noodzakelijk de schadeposten en de omvang daarvan, die tussen partijen deels in geschil is, te bespreken.

6.8.

Uit het voorgaande volgt dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is onder voormelde beperking, onder veroordeling van Vitens tot betaling van voormeld bedrag van € 3.500,00. De tevens door [eiser] gevorderde verwijzing naar een schadestaatprocedure voor verdere schadevergoeding is, gezien de beperking van Vitens’ aansprakelijkheid, niet toewijsbaar.

6.9.

De door [eiser] over het toewijsbaar geachte deel van de vordering gevorderde wettelijke rente is als niet afzonderlijk weersproken voor toewijzing vatbaar, de door [eiser] gestelde datum van ingang van 11 november 2015 daaronder begrepen.

6.10.

[eiser] heeft tot slot een vergoeding gevorderd voor gemaakte buitengerechtelijke kosten, door hem gesteld op een bedrag van € 2.381,15. [eiser] heeft daarvoor, zo stelt hij, aanknoping gezocht bij het Rapport VoorWerk II. Anders dan Vitens aanvoert, is aannemelijk dat de door [eiser] ingeschakelde advocaat werkzaamheden heeft uitgevoerd die niet aangemerkt kunnen worden als betrekking hebbend op dit geding. Gelet daarop en gezien de bij genoemd rapport behorende staffel voor buitengerechtelijke kosten is dit deel van de vordering tot een beloop van € 535,50 toewijsbaar.

6.11.

Nu partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna zal worden vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

verklaart voor recht dat Vitens jegens [eiser] tot een beloop van € 3.500,00 aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade aan de woning als gevolg van de lekkage van de in 2004 buiten gebruik gestelde aansluitleiding;

7.2.

veroordeelt Vitens tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.035,50 (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 11 november 2015 tot de dag der algehele betaling;

7.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten;

7.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.