Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4347

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
C/08/192243 / KG ZA 16-324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Fraudekwestie bij Schiphol. Schiphol c.s. heeft bewijsbeslag laten leggen onder eisers. De vordering tot opheffing van dat beslag wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 700
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2017/29 met annotatie van mr. J.R. Sijmonsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/192243 / KG ZA 16-324

Vonnis in kort geding van 9 november 2016

in de zaak van

1. [eiser 1] , mede handelende onder de naam [X],

wonende te [woonplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

4. de maatschap

[eiser 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 5] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 6] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

7. [eiser 7],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. G. van Atten te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHIPHOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHIPHOL REAL ESTATE B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagden,

advocaat mr. M.A. van der Veer te Amsterdam.

Eisers sub 1 tot en met sub 5 zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid met [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] , eisers sub 6 en 7 gezamenlijk met [eisers 6 en 7] en gedaagden gezamenlijk met Schiphol c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    22 producties van de zijde van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7]

  • -

    9 producties van de zijde van Schiphol c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7]

  • -

    de pleitnota van Schiphol c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseres sub 2, hierna verder “ [eiser 2] ” drijft een technisch bureau op het gebied van gebouwen en installaties, dat zich onder meer richt op het uitvoeren van klimaatonderzoeken, luchtkwaliteitsonderzoeken, installatieadvies, projectmanagement en het inregelen van bouwinstallaties. [eiser 2] verrichtte haar diensten (al dan niet als onderaannemer) voornamelijk, zo niet uitsluitend ten behoeve van Schiphol c.s. Eiser sub 1, [eiser 1] en eiser sub 7, verder [eiser 7] zijn middellijk bestuurder van [eiser 2] . Eiseressen sub 3 en sub 5 zijn gelieerd aan [eiser 1] , eiseres sub 6 aan [eiser 7] .

2.2.

Gedaagde sub 1, hierna verder “Schiphol Nederland” maakt onderdeel uit van Schiphol Group en exploiteert een luchthavenbedrijf. In gedaagde sub 2, hierna verder “Schiphol RE” is onroerend goed van Schiphol Group ondergebracht.

2.3.

Voor het technisch beheer van het onroerend goed schakelt Schiphol RE veelal de besloten vennootschap ENGIE Services Nederland B.V., verder “Engie”, in.

2.4.

In mei 2016 ontving Schiphol c.s. signalen van Engie dat sprake zou zijn van betrokkenheid van medewerkers van Schiphol RE en (onder) aannemers bij fraude en/of belangenverstrengeling. Daarnaast zouden valse facturen zijn opgemaakt. Engie en Schiphol Nederland zijn hierop gezamenlijk een eigen onderzoek gestart. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek is besloten om de besloten vennootschap [A] , vervolgonderzoek te laten doen. In het kader daarvan heeft [A] interviews gehouden met de heer [B] , werkzaam bij Schiphol Group, de heer [C] , werkzaam bij Engie en [eiser 1]

2.5.

Schiphol c.s. verdenkt [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] tot op heden van de navolgende malversaties.

2.5.1.

In 2009 zou [B] , onder de vlag van zijn eenmanszaak [bedrijf 1] , verder “ [bedrijf 1] ”, aan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] in totaal een bedrag van ongeveer € 110.000 hebben gefactureerd voor werkzaamheden waartoe [B] zelf namens Schiphol c.s. aan Engie opdracht gaf en die Engie op haar beurt uitbesteedde aan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] . Schiphol c.s. sluit niet uit dat van deze constructie ook nog na 2009 gebruik is gemaakt. In 2016 zou een vergelijkbare constructie zijn gebruikt, met dien verstande dat de opdrachten niet werden verstrekt aan [bedrijf 1] , maar aan een eenmanszaak “ [bedrijf 2] ” van mevrouw [D] , de vrouw van [B] .

2.5.2.

In 2016 zou [B] in één van de tot zijn beschikking staande budgetten geld hebben vrijgemaakt door opdrachten te verstrekken die reeds waren uitgevoerd en dit geld hebben laten doorsluizen naar [bedrijf 2] . Een deel van dit vrijgemaakte geld is bij [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] achtergebleven.

2.5.3.

[eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] zou ten behoeve van medewerkers van Schiphol Group ook dingen hebben geregeld, waaronder Tomtoms, adapters, airco-installaties, afzuigkappen, ‘slimme’ thermostaten, schilder- en stucwerk en (omvangrijkere) verbouwingen.

2.5.4.

[eiser 1] zou offertetrajecten van Schiphol RE aan Engie en [eiser 2] hebben beheerst, in die zin dat hij, nadat de werkzaamheden waren verricht, de omschrijving, de omvang van de werkzaamheden en de (niet marktconforme) prijs vaststelde.

2.6.

[A] heeft haar onderzoeksresultaten neergelegd in een rapportage, verder [de rapportage] . Het verzoek van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] tot overlegging van de [de rapportage] heeft Schiphol c.s. afgewezen.

2.7.

In juni 2016 heeft - na verkregen verlof van de voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam - Schiphol c.s. conservatoir verhaalsbeslag doen leggen ten laste van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] en van [B] .

2.8.

Tegen [B] en [D] is de eis in de hoofdzaak, een verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure, bij dagvaarding van 22 juli 2016 ingesteld.

2.9.

Bij beschikking van 11 juli 2016 heeft Schiphol c.s. jegens [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] verlof gekregen tot (i) het leggen van conservatoir bewijsbeslag op en (ii) het in gerechtelijke bewaarneming nemen van (kopieën van) de “beslagobjecten”.

Als “beslagobjecten” zijn daarbij aangemerkt de op “Beslaglocaties aan te treffen fysieke en digitale gegevensdragers waarvan een redelijke verwachting bestaat dat ze de Gegevens kunnen bevatten”. Als “Gegevens” is aangemerkt:

“informatie […], ongeacht of deze informatie in fysieke vorm is of zich op digitale gegevensdragers bevindt:

a. rekeningafschriften van bankrekeningen waarover Gerekwestreerden [ [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] - voorzieningenrechter] de beschikking hebben of hadden;

b. alle vormen van correspondentie (e-mails, brieven, SMS Whatsapp, etc.);

c. facturen; en/of

d. (overige) administratie van Gerekwestreerden

steeds uitsluitend voor zover deze informatie betrekking heeft op de hiervoor omschreven fraude ten koste van Schiphol c.s.”

2.10.

Op 13 juli 2016 is het bewijsbeslag gelegd en zijn de beslagobjecten op de wijze als is voorzien in de beschikking in gerechtelijke bewaring genomen.

2.11.

Bij beschikking van 22 juli 2016 is de termijn van het instellen van de eis in de hoofdzaak, aanvankelijk 28 dagen na beslaglegging, verlengd tot 31 augustus 2016. Op 30 augustus 2016 hebben Schiphol c.s. een procedure ex 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het door Schiphol c.s. gelegde conservatoire beslag volledig en onmiddellijk op zal heffen;

II. Schiphol c.s. zal bevelen, met onmiddellijke ingang vanaf de dag van betekening van dit vonnis, alle voor de opheffing nodige maatregelen te treffen en te bewerkstelligen dat de in de (gerechtelijke) bewaring gegeven goederen en materialen, in de ruimste zins des woord, waaronder doch niet uitsluitend alle (digitale kopieën van) bescheiden en/of (kopieën) van gegevensdragers, onmiddellijk aan de advocaat van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] zal worden geretourneerd op een wijze die de vertrouwelijkheid van de goederen en materialen en de kopieën daarvan voldoende waarborgt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor ieder handelen of nalaten in strijd met het bevel, althans - ter vrije keuze van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] - voor iedere dag dat Schiphol c.s. in strijd handelt met dit bevel;

III. Schiphol c.s. hoofdelijk zal gebieden alle documentatie en onderzoeks- en/of analysegegevens die zij mogelijk reeds hebben vergaard en/of opgesteld, al dan niet middels een derde, in volledige omvang direct, doch uiterlijk binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis, onverwijld aan de advocaat van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] te retourneren, zodanig dat geen enkele documentatie en/of onderzoeks- en/of analysegegevens meer beschikbaar is bij Schiphol c.s. en/of derden, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag(deel) dat Schiphol c.s. hieraan niet tijdig voldoet;

IV. Schiphol c.s. hoofdelijk zal verbieden gebruikt te maken van alle documentatie en onderzoeks- en/of analysegegevens die zij mogelijk reeds hebben vergaard en/of opgesteld, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag(deel dat Schiphol c.s. hieraan niet tijdig voldoet;

V. Schiphol c.s. zal verbieden om ter zake van deze kwestie nogmaals conservatoir bewijsbeslag onder [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] te leggen;

VI. Schiphol c.s. zal veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Schiphol c.s. heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Voor wat betreft de tweede maatstaf brengt dit mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat het door de beslaglegger gepretendeerde recht ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.1

4.2.

Als meest verstrekkend verweer hebben [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] naar voren gebracht dat het beslag nietig is omdat Schiphol c.s. de eis in de hoofdzaak niet tijdig hebben ingesteld. De procedure 843a Rv, die op 30 augustus 2016 aanhangig is gemaakt kan, volgens [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] , niet als zodanig worden aangemerkt.

4.2.1.

De voorzieningenrechter volgt [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hierin niet. Blijkens artikel 843a lid 1 Rv kan, indien overigens aan de eisen van dat artikel is voldaan, inzage, afschrift of uittreksel worden gevorderd van bepaalde bescheiden - waaronder mede wordt verstaan op een gegevensdrager aangebrachte gegevens. Lid 2 bepaalt dat de rechter zo nodig bepaalt op welke wijze inzage, afschrift of uittreksel wordt verschaft. Op grond van het arrest van 13 september 20132, waarbij de Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 843a Rv in verbinding met artikel 730 Rv voldoende grondslag biedt voor bewijsbeslag en dat de artikelen 1019a leden 1 en 3, 1019b leden 3 en 4 en 1019c Rv op een dergelijk beslag van overeenkomstige toepassing zijn, moet worden aangenomen dat de vaststelling van de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel kan worden verkregen, mede kan omvatten dat de desbetreffende bescheiden uit de macht van de bezitter of houder worden gebracht. Er bestaat dan dus een rechtsplicht tot afgifte. In dat geval ligt het in de rede dat de procedure waarin ex 843a Rv inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd (in ieder geval óók) wordt aangemerkt als eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv. De ratio van de verplichting dat een termijn moet worden gesteld voor het instellen van een eis in de hoofdzaak is immers dat op enig moment - al dan niet in rechte - een einde komt aan het conservatoire karakter van het beslag. De beslissing op de vordering ex 843a Rv - indien deze kracht van gewijsde heeft verkregen - kan daartoe leiden.

Van belang daarbij is mede dat (i) de kwalificatie ‘eis in de hoofdzaak’ in de rechtspraak ruim pleegt te worden uitgelegd en (ii) anders dan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] ingang lijken te doen willen vinden, vaste rechtspraak is dat ter zake van één beslag(verlof) meerdere zaken als eis in de hoofdzaak kunnen worden aangemerkt3.

4.2.2.

Het verweer faalt derhalve. Van het laten verlopen van de termijn om een eis in de hoofdzaak in te stellen, is gelet op het voorgaande, naar voorshands moet worden aangenomen, geen sprake.

4.3.

Volgens [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] dient een afweging van het belang dat zij hebben bij opheffing van het beslag en Schiphol c.s. bij handhaving daarvan, in hun voordeel uit te vallen. Zij brengen daarbij - samengevat - het navolgende naar voren.

  • -

    i) Er is sprake van een ‘fishing expedition’.

  • -

    ii) Het beslag is niet noodzakelijk en disproportioneel.

  • -

    iii) De verlofrechter is niet volledig geïnformeerd. Als sanctie daarop dient het beslag te worden opgeheven.

  • -

    iv) De onheuse wijze waarop Schiphol c.s. het onderzoek heeft (doen) laten uitvoeren dient tot opheffing van het beslag te leiden.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.3.1.

Gelet op de door [B] en [C] voor akkoord getekende verslagen van de verhoren heeft bij Schiphol c.s., naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter, op goede gronden het idee kunnen postvatten dat over een langere periode sprake is geweest van diverse onrechtmatige gedragingen waardoor Schiphol c.s. schade hebben kunnen lijden c.q. hebben geleden waarvoor [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] (mede) aansprakelijk kunnen worden gehouden. Het verslag van het verhoor van [B] op 20 juni 2016 houdt onder meer in dat (i) hij goederen van [eiser 1] heeft ontvangen waar Schiphol c.s. middels Engie voor betaalde (ii) ingeval van onderuitputting van een budget, een ‘fakebegroting’ werd opgemaakt en de onderuitputting tussen hem, [eiser 1] en [C] werd verdeeld en dat [eiser 1] aan deze gang van zaken heeft meegewerkt, (iii) hij via zijn eenmanszaak ten minste ongeveer € 80.000 van [eiser 2] heeft ontvangen, (iv) hij een verbouwing aan zijn huis heeft laten uitvoeren waarvoor hij niet heeft betaald, welke verbouwing is uitgevoerd door het bedrijf van een neef van [eiser 1] . Van belang daarbij is dat de onrechtmatige gedragingen voor een belangrijk deel worden bevestigd door - het overigens niet voor akkoord ondertekende - verslag van het interview met [eiser 1] , en [eiser 1] voor zover hij al de door Schiphol c.s. vermoede onrechtmatige gedragingen heeft weersproken, dat in zeer algemene zin heeft gedaan.
Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat - anders dan Schiphol c.s. veronderstelt - [eiser 1] geen centrale rol heeft gespeeld bij de malversaties, merkt de voorzieningenrechter op dat zulks de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg daarvan - al dan niet op de voet van 6:166 BW - niet zonder meer wegneemt.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het pleidooi van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] dat Schiphol c.s. geen schade kan hebben geleden omdat sprake zou zijn van vaste aanneemsommen voor aan Engie verleende opdrachten, reeds omdat niet uitgesloten kan worden geacht dat de tussen [B] , [C] en [eiser 1] gemaakte afspraken een prijsopdrijvend effect hebben gehad.

Het vermoeden dat [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] onrechtmatig jegens Schiphol c.s. hebben gehandeld is daarmee voldoende ernstig om een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv voorshands aan te nemen.

4.3.2.

Bij voormeld arrest van 13 september 2013 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in beslag te nemen bescheiden zo precies dienen te worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is, omdat de beslaglegging niet mag ontaarden in een ‘fishing expedition’.
Naar het voorshandse oordeel heeft de verlofrechter deze maatstaf voldoende in acht genomen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het in dat geval gaat om - kort gezegd - een verdenking van fraude zodat veelal niet preciezer dan dat Schiphol c.s. heeft gedaan de bescheiden kunnen worden aangewezen. Van belang daarbij acht de voorzieningenrechter voorts dat van een fishing expedition eerst kan worden gesproken indien Schiphol c.s. een te ruime toegang krijgt tot de in beslag genomen gegevens(dragers). Op dit moment heeft Schiphol c.s. nog in het geheel geen toegang tot de gegevens. Vaststaat dat Schiphol c.s. slechts toegang zal krijgen tot die gegevens die ná dataseparatie zullen resteren, en dat de omvang van de dataseparatie onderwerp is van het geschil dat aan de 843a Rv-rechter is voorgelegd. In die procedure kunnen [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] zich ook uitlaten over de gewenste omvang van dataseparatie. Gelet op deze procedurele waarborgen bestaan onvoldoende aanwijzingen dat het beslag zal ontaarden in een ‘fishing expedition’.

4.3.3.

Anders dan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] ingang willen doen vinden, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bewijsbeslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hebben in dit verband aangevoerd dat [B] en [C] hun hele administratie ter beschikking zouden hebben gesteld en voorts ook toestemming zouden hebben gegeven tot inzage in rekeningafschriften van door hun aangehouden bankrekeningen. Schiphol c.s. heeft gesteld dat ondanks deze toezeggingen, nog geen (volledige) inzage in de administraties en bankafschriften is verkregen.

Met Schiphol c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat (een deel van) de gegevens waartoe Schiphol c.s. door middel van de 843a Rv-procedure toegang tracht te verkrijgen exclusief is in die zin dat deze (deels) niet ook uit de administraties van [B] en [C] zal kunnen worden verkregen. [B] stelt immers in zijn verklaring dat hij de administratie met betrekking tot zijn eenmanszaak inmiddels heeft vernietigd. Dat Schiphol c.s. alsnog toegang tot deze administratie zal kunnen verkrijgen door een gespecialiseerd bedrijf te laten zoeken naar verwijderde maar met gespecialiseerde software alsnog traceerbare gegevens op de computers van [B] , acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk.
Daarnaast acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat Schiphol c.s. volledig toegang tot de administratie van [B] en [C] wordt onthouden. Dat de gegevens derhalve op een andere, voor [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] minder belastende wijze kunnen worden of al zijn verkregen, is derhalve niet aannemelijk geworden.

Uit de omstandigheid dat Schiphol c.s. (vooralsnog) niet aan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] de [de rapportage] willen overhandigen, valt niet de conclusie te trekken dat Schiphol c.s. geen belang (meer) hebben bij toegang tot de in beslag genomen gegevens(dragers).

4.3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat, voor zover mogelijk, Schiphol c.s. kopieën heeft gemaakt van de relevante gegevens en dat de oorspronkelijke gegevensdragers zijn teruggegeven aan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] . Het is dus niet zo dat het ontbreken van (delen van) hun administratie een belemmering voor de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten vormt.

4.3.5.

Anders dan [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] ziet de voorzieningenrechter geen grond in toewijzing van enig deel van het gevorderde in verband met de omstandigheid dat de verlofrechter aan de verplichting tot medewerking aan toegang tot - kort gezegd - de beslaglocaties, gegevensdragers en cloudbestanden een dwangsom heeft verbonden van € 50.000. Op grond van voormeld arrest van 13 september 2013 moet worden aangenomen dat op [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] een medewerkingsverplichting rustte. Gelet op de eenvoudige wijze waarop de gegevens na tenuitvoerlegging van het beslagverlof kunnen worden verwijderd indien niet (volledig) aan de medewerkingsverplichting wordt voldaan, is het verbinden van een dwangsom feitelijk de enige mogelijkheid waarop die medewerking kan worden afgedwongen en - ondanks het ex parte karakter van de beslagverlofprocedure - in beginsel toelaatbaar. De dwangsom komt de voorzieningenrechter in verhouding tot de mogelijk geleden schade, niet buitensporig voor.

4.3.6.

[eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hebben voorts naar voren gebracht dat Schiphol c.s. jegens de verlofrechter de ‘waarheidsplicht’ ex artikel 21 Rv heeft verzaakt. Dat zou blijken uit de omstandigheid dat meerdere versies van het verslag van het interview met [eiser 1] in omloop zijn, en [C] in het verslag van zijn interview heeft laten optekenen dat niet [eiser 1] maar [B] een centrale rol zou hebben gespeeld bij de malversaties, terwijl Schiphol c.s. in het verzoekschrift heeft betoogd dat [eiser 1] deze rol vervulde. Volgens [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] dient als sanctie het beslag te worden opgeheven.

4.3.7.

De voorzieningenrechter volgt [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hierin niet. Dat Schiphol c.s. opzettelijk en op grove wijze de verplichting om de verlofrechter goed en volledig voor te lichten heeft geschonden, is niet aannemelijk geworden. Schiphol c.s. heeft erkend dat abusievelijk verschillende concepten van het interview met [eiser 1] hebben gerouleerd. De verschillen van die concepten zien met name op de beëindiging van het huurcontract en herstel van een onjuist weergegeven naam. Dat de verlofrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien het andere concept in het geding zou zijn gebracht, is niet aannemelijk.

Voorts is van belang dat uit het verlofverzoek blijkt dat het verslag van [C] als productie was bijgevoegd. Van onvolledige voorlichting voor wat betreft de vraag wie een centrale rol innam - [B] of [eiser 1] - is dan ook geen sprake. In het licht van de verklaring van [B] dat [eiser 1] een centrale rol bekleedde kan niet worden gezegd dat het in het verlofverzoek daarop gebaseerde standpunt in strijd met de waarheidsverplichting is.

Op de gronden genoemd in het slot van rechtsoverweging 4.3.3 is evenmin aannemelijk dat de verlofrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien Schiphol c.s. (een concept van) de [A] -rapportage zou hebben overgelegd.

4.3.8.

Dat in het telefonisch contact tijdens de tenuitvoerlegging van het beslag tussen de deurwaarder en (de advocaat van) Schiphol c.s. informatie over de inhoud van de beslagobjecten is prijsgegeven, zoals [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] betogen, is niet aannemelijk geworden. [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hebben in het geheel geen inzicht geboden in de (aard van de) informatie die zou zijn doorgespeeld. Het enige dat, gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, aannemelijk is geworden, is dat de deurwaarder zich met vragen over de reikwijdte van het verlof heeft gewend tot (de advocaat van) Schiphol c.s. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor opheffing van het beslag.

4.4.

[eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] hebben zich nog beklaagd over de wijze waarop met [eiser 1] het interview is gehouden. Daarbij zou onevenredige druk zijn uitgeoefend en voorts zou [eiser 1] tegen zijn wil in een ruimte zijn vastgehouden. Schiphol c.s. hebben een en ander gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter zal deze discussie laten voor wat zij is, omdat zelfs indien uit zou moeten worden gegaan van de door [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] gegeven lezing van de wijze waarop het interview is gehouden, dat aan de geldigheid van het bewijsbeslag niet afdoet.

4.5.

Bij afweging van het belang van Schiphol c.s. bij handhaving van het bewijsbeslag tegen het belang van [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] bij opheffing daarvan, komt de voorzieningenrechter op grond van het voorgaande tot de conclusie dat eerstgenoemd belang prevaleert. De vorderingen I tot en met IV liggen dan ook voor afwijzing gereed. Voor een ordemaatregel, ertoe strekkende dat Schiphol c.s. niet opnieuw beslag zou mogen leggen, bestaat bij deze stand van zaken geen aanleiding. Vordering V zal derhalve eveneens worden afgewezen.

4.6.

[eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Schiphol c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers 1, 2, 3, 4 en 5] en [eisers 6 en 7] in de proceskosten, aan de zijde van Schiphol c.s. tot op heden begroot op € 1.435,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.4

1 HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105

2 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958

3 HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6082

4 type: coll: