Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4294

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
5278326 \ HA VERZ 16-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer, docent op een middelbare school, heeft een dienstverband voor bepaalde tijd van één jaar en is binnen die periode op staande voet ontslagen. Werknemer berust in het ontslag maar niet in de dringende reden die daaraan ten grondslag is gelegd en verzoekt o.a. om toekenning van een billijke vergoeding en schadevergoeding. De kantonrechter komt tot het oordeel dat er wel sprake is van een dringende reden gelegen in het herhaaldelijk en hardnekkig weigeren te voldoen aan de redelijke opdracht van de schoolleiding tot afgifte van de toetsen en in de openbaarmaking aan de leerlingen van zijn persoonlijke conflict met de schoolleiding. De verzoeken van de werknemer worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3229

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5278326 \ HA VERZ 16-110

Beschikking van de kantonrechter van 28 oktober 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. E.J. Bijl,

tegen

Stichting naar burgerlijk recht DE STICHTING AGNIETEN COLLEGE / DE BOOG,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verwerende partij, hierna te noemen De Boog of de school,

gemachtigde: mr. A.H.M. van Bavel.

1 De procedure

1.1

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift (met bijlagen genummerd 1 t/m 16), ingekomen ter griffie op 3 augustus 2016, een verzoek gedaan tot toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De Boog heeft een verweerschrift (met producties genummerd 1 t/m 23) ingediend.

1.2

Op 29 september 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] per fax op 26 september 2016 nog de producties 17, 18 en 19 toegezonden.

1.3

Ter zitting zijn verschenen:

- [verzoeker] , in persoon, vergezeld van mevrouw [partner] (partner), en bijgestaan door mr. E.J. Bijl;

- De Boog, vertegenwoordigd door [A] (tot 1 augustus 2016 eindverantwoordelijk directeur Carolus Clusius College), [B] (personeelsadviseur Landstede) en [C] , bijgestaan door mr. A.H.M. van Bavel.

2. De feiten

2.1

[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1955, is op 1 augustus 2015 voor bepaalde tijd tot 1 augustus 2016 in dienst getreden bij De Boog in de functie van leraar wiskunde. Het dienstverband is aangegaan voor 25 uren per week (deeltijdfactor 0,6250), tegen een salaris van € 2.413,75 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag.

2.2

Bij brief van 18 april 2016 met als onderwerp ‘Aanzeggen Arbeidsovereenkomst’ schrijft de directie van de school aan [verzoeker] dat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst eindigt op 31 juli 2016.

2.3

Op 20 mei 2016 schrijft de schooldirecteur ( [A] ) aan [verzoeker] in een e-mail bericht het volgende:

In overleg met de teamleiding heeft de directie besloten de wiskundelessen in 4-havo (wisA4 en wisA6) voor het resterende deel van de cursus (met ingang van maandag 23 mei) op te dragen aan [D] . Er is teveel ruis op de lijn in de samenwerking binnen de sectie en daarnaast ook onrust onder leerlingen en ouders. Ik verwacht van u dat u de toetsen die deze week zijn afgenomen corrigeert en vervolgens het gecorrigeerde werk overdraagt aan collega [D] . Zij zal het werk met beide groepen bespreken. (…)

2.4

Per e-mailbericht van 6 juni 2016 schrijft collega [D] aan [verzoeker] :

Beste [verzoeker] ,

Leerlingen willen graag de toets inzien. Wil je de toetsen in mijn postvakje leggen.

2.5

Per e-mailbericht van 7 juni 2016 schrijft [A] aan [verzoeker] :

Hierbij sommeer ik u alle nagekeken toetsen van Havo-4 binnen 24 uur bij mij persoonlijk of bij het secretariaat aan te leveren. Er zal getekend worden voor ontvangst.

2.6

Bij brief van 8 juni 2016 (verzonden per post en per e-mail) schrijft [A] aan [verzoeker] :

(…) De termijn van 24 uur is inmiddels verstreken. U heeft de gevraagde toetsen niet aangeleverd.

U weigert hiermee hardnekkig te voldoen aan een redelijke opdracht van uw werkgever. Uw handelswijze is onacceptabel. De schoolleiding voelt zich derhalve genoodzaakt u een ultimatum te stellen en u te waarschuwen dat een ontslag wegens een dringende reden, op grond van artikel 7:678 lid 2 sub BW het gevolg kan zijn wanneer u de gevraagde toetsen niet aanlevert, u kan worden opgelegd.

De schoolleiding geeft u nog een laatste kans om de gevraagde toetsen aan te leveren. U dient de toetsen uiterlijk donderdagmiddag 9 juni om 16.00 uur aan te leveren bij ondergetekende. (…)

2.7

Bij e-mail van 8 juni 2016 22:01:47 reageert [verzoeker] op de brief van 8 juni 2016. Hij schrijft daarin aan [A] onder andere:

(…) 3. U hebt die lessen Havo4 aan een andere docent toebedeeld. Daarbij hebt u aangegeven dat er geen sprake is van een schorsing. Als reden voor deze wisseling van docent hebt u aangegeven dat sprake is van onrust onder de ouders. Die reden is onjuist: die onrust is er niet door handelingen van mijn kant. Er is dus geen enkel beletsel om de zaken zo te geleiden dat ik met de leerlingen de toetsen bespreek (…) Van de leerlingen heb ik geen toestemming gekregen hun toetsen aan een derde te geven. Ik heb dus geen enkel mandaat om zulks te doen. (…)

2.8

Bij e-mail van 9 juni 2016 17:11 schrijft [A] aan [verzoeker] onder meer:

Het in de brief van 8 juni medegedeelde ultimatum is verstreken. Tot mijn spijt heeft u de toetsen niet aangeleverd. Verder was u vandaag ongeoorloofd afwezig. Ik heb gedurende de dag niets van u gehoord, u heeft niet gereageerd op mijn berichten.

Van iemand die ontslag op staande voet boven het hoofd hangt, verwacht ik ander gedrag dan u vandaag heeft laten zien. Ik verwacht dat er dan alles aan wordt gedaan om de toetsen op tijd in te leveren en de situatie niet nog verder te laten escaleren. Dat heeft u niet gedaan en dat vind ik zeer kwalijk.

Daarom zal ik het College van Bestuur verzoeken u op staande voet te ontslaan. De redenen voor dit ontslag zijn dat u weigert te voldoen aan een redelijke opdracht van de werkgever én dat u ernstig verwijtbaar hebt gehandeld richting de leerlingen en de schoolorganisatie.(…)

Ik stel u in de gelegenheid om op het ontslag te reageren. Hiervoor nodig ik u uit, morgen (vrijdag 10 juni) om 08.00 in mijn kamer. (…) Tevens gelast ik u de gevraagde toetsen morgen mee te nemen. (…)

2.9

Op 9 juni 2016 stuurt [verzoeker] een bericht aan zijn leerlingen, waarin hij meedeelt:

In verband met een sollicitatie ben ik donderdag de hele dag afwezig, dus ook dit eerste uur. In de les van aanstaande vrijdag wil ik met jullie overleggen over het inhalen van deze les, zij het dat de directie nu dreigt met ontslag op staande voet, en dan ben ik er vrijdag dus niet (meer).

Ik ben daarover verontwaardigd: de directie is onvoldoende betrokken bij het belang van de leerlingen = jullie.

Ik heb de directie inmiddels deelgenoot gemaakt van mijn verontwaardiging. Willen jullie nog even de boel de boel laten en ontwikkelingen afwachten?

2.10

Op 10 juni 2016 heeft De Boog [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum staat geschreven:

(…)

De redenen voor dit ontslag zijn, zoals u ook op 9 juni 2016 door de heer [A] is meegedeeld, dat u weigert te voldoen aan een redelijke opdracht van de werkgever en dat u ernstig verwijtbaar heeft gehandeld richting de leerlingen en de schoolorganisatie. Concreet gaat het om het volgende

  • -

    Ondanks herhaald verzoek en een waarschuwingsbrief weigert u de afgenomen en gecorrigeerde toetsen van wisA4 en wisA6 bij de schoolleiding in te leveren. U had hiervoor tot donderdag (9 juni 2016) 16.00 uur de tijd gekregen.

  • -

    Op 9 juni 2016 was u ongeoorloofd afwezig. Uit nader onderzoek is gebleken dat ook op 26 mei en 2 juni ongeoorloofd afwezig was. Dit wordt beschouwd als werkweigering.

  • -

    Op 26 mei, 2 en 9 juni 2016 heeft u eigenhandig, zonder vooraf toestemming te vragen aan de schoolleiding, uw lessen laten vervallen. Daartoe was u niet bevoegd. Bovendien heeft u uw leerlingen daarmee tekort gedaan. Uw leerlingen hebben hierdoor lesstof gemist. Uw handelen kan ook tot problemen met de urennorm voor de betreffende leerlingen leiden. Dit neemt de werkgever hoog op.

  • -

    Op 9 juni 2016 heeft u leerlingen via een bericht in Magister geïnformeerd over het dreigende ontslag op staande voet. Richting de leerlingen heeft u hiermee pedagogisch onverantwoord gehandeld. Daarnaast heeft u hiermee de schoolleiding, uw werkgever, in een kwaad daglicht gesteld.

Deze redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.

(…)

Op bovenstaande punten heeft u een reactie gegeven. Dit heeft niet tot een ander inzicht geleid. (…)

3 Het verzoek

3.1

[verzoeker] verzoekt – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking - veroordeling van De Boog tot betaling aan hem van:

  1. een billijke vergoeding ter hoogte van € 5.000,=, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  2. schadevergoeding ter hoogte van € 4.827,50, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. de wettelijke rente over hiervoor onder a) en b) bedoelde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen;

  4. een bindingstoelage ten bedrage van € 1.459,22 onder aftrek van hetgeen [verzoeker] daarvan tot op heden reeds heeft ontvangen;

  5. de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking en vermeerderd met nakosten.

3.2.1

Ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft [verzoeker] het volgende gesteld.

[verzoeker] berust niet in de dringende reden die aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd. Er was volgens [verzoeker] geen sprake van een dringende reden die dit ontslag zou kunnen dragen. Hij stelt in verband daarmee dat een docent zelf zijn toetsen met zijn leerlingen moet kunnen bespreken en dat het geen redelijke opdracht was om van hem anders te verlangen. Dit geldt volgens [verzoeker] te meer nu de school ten onrechte heeft besloten om hem vanaf 23 mei 2016 niet langer les te laten geven aan Havo-4. Van weigering om uitvoering te geven aan een redelijke opdracht was derhalve geen sprake. Daar komt bij dat hij op 10 juni 2016 ’s morgens om 7:45 uur op school is verschenen onder medebrenging van de toetsen.

Van werkweigering op 26 mei 2016 en op 2 en 9 juni 2016 was evenmin sprake. Volgens [verzoeker] hield hij na het wegvallen van de lesuren voor Havo-4 nog maar één lesuur over op de donderdagen. Hij heeft toen in overleg met zijn teamleider besloten om dat lesuur te laten vervallen en de betreffende leerlingen de gelegenheid te geven om die les op een ander uur in de week in te halen. De betreffende lessen zijn derhalve verplaatst, zodat van werkweigering of het duperen van leerlingen geen sprake was. Het is hem bovendien impliciet gebleken dat de school met deze wijziging instemde aangezien men hem kennelijk op donderdag 9 juni niet op school verwachtte. Evenmin is hij gesommeerd om toch op donderdag les te geven.

Het bericht aan zijn leerlingen op 9 juni 2016 was er alleen op gericht om de leerlingen gerust te stellen door hen zo volledig mogelijk te informeren over zijn aan- dan wel afwezigheid. Dat kan aan hem niet worden tegengeworpen. Dit bericht was in het geheel niet bedoeld om de school in een kwaad daglicht te stellen. Het door [verzoeker] aan zijn leerlingen verzonden bericht kan daarom volgens hem geen dringende reden voor ontslag opleveren.

Ten slotte moet volgens [verzoeker] in de beoordeling van de dringende reden worden betrokken dat hij bij het begin van het dienstverband ten onrechte niet meteen een vaste aanstelling heeft gekregen, zoals op basis van de cao wel had gemoeten. Hij beschikte immers wel over de juiste stukken om zijn bevoegdheid te staven, dus mogelijke onbevoegdheid kon geen reden vormen voor een tijdelijk dienstverband.

3.2.2

[verzoeker] legt derhalve aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij op 10 juni 2016 ten onrechte op staande voet is ontslagen. Aangezien het dienstverband bij normale afwikkeling op 1 augustus 2016 van rechtswege zou eindigen berust [verzoeker] in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 10 juni 2016, maar maakt hij op basis van artikel 7:672 lid 10 in verband met onregelmatige opzegging aanspraak op loon over de opzegtermijn, zijnde twee maanden. De onregelmatige opzegging is volgens [verzoeker] tevens ernstig verwijtbaar aan het adres van zijn werkgever, zodat hij recht heeft op toekenning van een billijke vergoeding. De toekenning van de bindingstoelage is verzocht op basis van artikel 3.5 uit de cao.

3.3

De Boog heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . Zij voert daartoe aan dat zij met het oog op het belang van de leerlingen goede grond had om in mei 2016 de lessen in Havo-4 bij een andere docent onder te brengen. Vervolgens is op 10 juni 2016 het ontslag op staande voet terecht gegeven. [verzoeker] heeft namelijk hardnekkig geweigerd om begin juni 2016 de toetsen van Havo-4 te overhandigen en heeft daarmee zeker niet gehandeld in het belang van de leerlingen. Hoewel hij op 8 juni, blijkens zijn eigen reactie, wel op de hoogte was van de waarschuwing voor een ontslag op staande voet heeft hij er toch voor gekozen om het tot zo’n ontslag te laten komen door te weigeren tot afgifte van de toetsen over te gaan. Pas na het gesprek van 10 juni 2016 heeft hij uiteindelijk de toetsen overhandigd. Bovendien heeft hij geheel op eigen houtje en uit eigen belang besloten om het enkele lesuur dat hij op de donderdagen overhield te verplaatsen naar een ander moment in de week. De lessen die [verzoeker] in dienst van De Boog geeft zijn door De Boog aan hem opgedragen. Dit betekent dat hij daarin niet zomaar zelfstandig wijzigingen mag aanbrengen. Daarom kwalificeert De Boog zijn handelen ten aanzien van de lessen op 26 mei en 2 en 9 juni als werkweigering. Dat De Boog hem dienaangaande niet gewaarschuwd of gesommeerd heeft doet daar volgens haar niets aan af. Waarschuwen kon niet aangezien de schoolleiding niet wist dat [verzoeker] op de donderdagen niet meer zou komen. Bovendien bracht de eigenhandige verplaatsing van de lessen mee dat niet alle leerlingen van dat lesuur tegelijkertijd de inhaal les van [verzoeker] konden volgen. Dit leverde klachten op. Met de wijze waarop [verzoeker] op 9 juni 2016 de leerlingen heeft geïnformeerd, heeft [verzoeker] de leerlingen betrokken in zijn conflict met de school. Hij heeft immers in dat bericht geen neutrale woorden gebruikt voor zijn mededeling. [verzoeker] heeft daarmee onrust teweeg gebracht bij de leerlingen in plaats van hen gerust te stellen, hetgeen niet in het belang is van de leerlingen en de school.

Overigens heeft, zo voert De Boog aan, het hele dienstverband van [verzoeker] zich gekenmerkt door een samenwerking die op allerlei momenten moeizaam verliep. Op grond van de cao was het toegestaan om [verzoeker] voor bepaalde tijd in dienst te nemen, zoals de school dat heeft gedaan.

4 De beoordeling

4.1

Het geschil gaat in de kern over de vraag of het op 10 juni 2016 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend.

In de eerste plaats stelt de kantonrechter vast dat gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW [verzoeker] zijn verzoek tot vernietiging daarvan tijdig heeft ingediend.

Bij de beoordeling van de geldigheid van het ontslag moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de arbeids-overeenkomst, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben (Hoge Raad 12 februari 1999, NJ 1999, 643 Schrijvers/Van Essen).

4.2

Door De Boog is in haar brief van 10 juni 2016 (zie 2.10) als dringende reden aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] ‘weigert te voldoen aan een redelijke opdracht van de werkgever’ en dat [verzoeker] ‘ernstig verwijtbaar heeft gehandeld richting de leerlingen en de schoolorganisatie’. Vervolgens zijn de gebeurtenissen opgesomd waar De Boog op doelt, namelijk zijn aanhoudend weigeren om de toetsen van havo-4 af te geven, zijn afwezigheid op de donderdagen van 26 mei, 2 juni en 9 juni 2016 en de inhoud van het bericht dat [verzoeker] op 9 juni 2016 aan zijn leerlingen zond. In het licht van het hiervoor weergegeven beoordelingskader overweegt de kantonrechter het volgende.

4.3

[verzoeker] stelt dat hij in het belang van de leerlingen van Havo-4 de toetsen die in de week van 20 mei 2016 door hen waren afgelegd, zelf moest bespreken met deze leerlingen. Het kan daarom in zijn visie niet als een redelijke opdracht worden aangemerkt dat de schoolleiding van hem iets anders verlangde namelijk de overdracht van de nagekeken toetsen aan de school zodat de bespreking van die toetsen door een andere docent zou worden gedaan. Volgens [verzoeker] was ook de beslissing van De Boog van 20 mei 2016 om hem niet langer de lessen aan Havo-4 te laten verzorgen een onterechte beslissing. Overigens heeft [verzoeker] in juridische zin geen bezwaar aangetekend tegen dat besluit. Uit het betoog van [verzoeker] blijkt dat zijn visie op de situatie die rond zijn lessen was ontstaan duidelijk verschilt van de visie die de schoolleiding van De Boog daarop had. Dit verschil van inzicht maakt echter niet dat [verzoeker] geen gehoor behoefde te geven aan de instructies van de schoolleiding. De schoolleiding heeft immers als werkgever de bevoegdheid om te beslissen welke lessen zij aan welke docent toebedeelt. Aan uitdrukkelijke instructies daaromtrent, waaronder in dit geval ook de instructie tot afgifte van de toetsen, behoort [verzoeker] als werknemer gehoor te geven. Dat [verzoeker] in zijn e-mail bericht van 8 juni 2016 (zie 2.7) aanvoert dat de leerlingen hem geen mandaat hebben gegeven voor afgifte van de toetsen doet in dit verband niet ter zake. De leerlingen gaan daar niet over; zij zijn geen eigenaren van de toetsen. De bevoegdheid om in dit geval te beslissen over de gang van zaken rond de toetsen van Havo-4 lag bij de schoolleiding van De Boog. [verzoeker] had zich daaraan moeten houden.

4.4

De weigering tot afgifte van de toetsen is door [verzoeker] op de spits gedreven. Het eerste verzoek tot afgifte is gedaan in het bericht van De Boog van 20 mei 2016 (zie 2.3). Vervolgens is daar op 6 juni 2016 om gevraagd door zijn collega (zie 2.4). Aangezien afgifte achterwege blijft, worden de berichten van de directeur daarna strenger en dringender van toon, zoals blijkt uit de berichten van achtereenvolgens 7 juni 2016 (2.5), 8 juni 2016 (2.6) en 9 juni 2016 (2.8). In de brief van 8 juni 2016 stelt de directeur aan [verzoeker] een ultimatum. De toetsen dienen uiterlijk op 9 juni om 16.00 uur te worden ingeleverd en bij het uitblijven daarvan dreigt ontslag op staande voet. Hoewel [verzoeker] ter zitting aanvoert dat hij deze brief pas op 10 juni 2016 heeft ontvangen, blijkt uit zijn reactie per e-mail van 8 juni 2016 om 22:01:47, dat hij van de inhoud van dat bericht in ieder geval per e-mail al op 8 juni kennis heeft genomen. Desondanks houdt [verzoeker] de toetsen onder zich. Uiteindelijk geeft hij de toetsen pas af ná het gesprek met de directie op 10 juni 2016, waarin hij werd ontslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter is hier sprake van herhaaldelijk en hardnekkig weigeren om te voldoen aan de redelijke opdracht van De Boog tot afgifte van de toetsen.

4.5

De redelijkheid van die opdracht volgt te meer uit de toelichting van De Boog dat zij de toetsen dringend nodig had om deze nog tijdig met de leerlingen te kunnen bespreken. Als zij had gekozen voor een loonsanctie dan had die maatregel [verzoeker] pas aan het eind van de maand bereikt, maar die tijd kon met het oog op het belang van de leerlingen niet worden afgewacht. De ernst van dit belang weegt mee bij de beoordeling van de dringende reden.

4.6

Ten aanzien van de afgifte van de toetsen is ten slotte van belang dat De Boog op 10 juni 2016 aan [verzoeker] de gelegenheid heeft geboden om te reageren op de door haar aangevoerde redenen voor ontslag. Zoals nogmaals door de school was verzocht, had [verzoeker] bij die gelegenheid ook de toetsen kunnen overhandigen. Dat heeft hij niet gedaan. [verzoeker] betoogt dat het op dat moment al een gelopen race was omdat voor De Boog al vast stond dat zij hem wilde ontslaan. Het gesprek daarover zou niets meer veranderen. [verzoeker] meent bovendien dat hij de toetsen nog tijdig heeft ingeleverd, namelijk voor de middag, terwijl de brief betreffende het ontslag pas in de middag werd verstuurd. Vast staat echter dat hij de toetsen niet bij aanvang van het gesprek op 10 juni 2016 aan de schoolleiding heeft overhandigd. De Boog heeft hierover aangevoerd dat het wat haar betreft, zij het op de valreep, mogelijk toch nog anders had kunnen lopen als [verzoeker] uiteindelijk in de ochtend van 10 juni gelijk bij aanvang van het gesprek de toetsen had overhandigd. Toen bleek dat hij ook op dat moment volhardde in zijn weigering tot afgifte, restte er niets anders meer dan ontslag. Het ontslag is dan ook in dat gesprek gegeven. Het feit dat daarna formeel de ontslagbrief door het College van bestuur moest worden afgegeven maakt dat niet anders.

4.7

Voorgaande overwegingen (4.3 t/m 4.6) leiden tot de conclusie dat de weigering te voldoen aan de redelijke opdracht van De Boog tot afgifte van de toetsen door het keer op keer bewust achterhouden daarvan, waarmee de belangen van de leerlingen niet zijn gediend, is aan te merken als een dringende reden voor ontslag.

4.8

Daarnaast is aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld richting leerlingen en schoolorganisatie. Dat komt naar voren in het feit dat [verzoeker] onrust heeft veroorzaakt onder de leerlingen en daarmee ook onder ouders van leerlingen, door op 9 juni 2016 een bericht naar de leerlingen te sturen over zijn situatie. Volgens [verzoeker] was het bericht bedoeld om de leerlingen te informeren en duidelijkheid te geven over zijn lessen en hen daarmee gerust te stellen. Wanneer het een bericht was geweest dat in neutrale bewoordingen slechts feitelijke informatie geeft over aan- of afwezigheid van de docent, dan zou het bericht aan dat doel voldoen. Het bericht van [verzoeker] (zie 2.9) is echter niet in neutrale bewoordingen geschreven aangezien hij daarin benoemt dat hem een ontslag boven het hoofd hangt en hij zijn verontwaardiging daarover richting de schoolleiding verwoordt. Als gevolg daarvan betrekt hij de leerlingen in zijn conflict met schoolleiding, hetgeen juist onrust veroorzaakt. Dit heeft bovendien een negatieve uitstraling op het imago van de school. Voorts brengt hij daarmee de schoolleiding in verlegenheid aangezien zij hierdoor welhaast gehouden is tekst en uitleg te geven aan de geadresseerden van het bericht van [verzoeker] . Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarom het door [verzoeker] op 9 juni 2016 verzonden bericht aan zijn leerlingen als ernstig verwijtbaar handelen en tevens als dringende reden worden aangemerkt.

4.9

Ten slotte is in de ontslagbrief aan de orde gesteld dat [verzoeker] op de donderdagen van 26 mei, 2 juni en 9 juni 2016 niet op school aanwezig was, terwijl er wel een lesuur voor hem stond ingeroosterd. [verzoeker] stelt hierover dat hij weliswaar op die dagen niet op school was, maar dat hij ervan uitging dat de schoolleiding daartegen geen bezwaar had. [verzoeker] stelt dat hij daarover contact had gehad met zijn teamleider. Dat de school geen bezwaar had, bleek volgens [verzoeker] tevens uit het kleine briefje van de directiesecretaresse dat hij op 8 juni 2016 in zijn brievenbus aantrof. Daaruit bleek dat zij bij hem aan de deur was geweest om een brief van De Boog te overhandigen, maar zij trof hem niet thuis. Zij schreef dat zij de volgende ochtend om 8 uur nogmaals langs zou komen. Volgens [verzoeker] blijkt daaruit dat de school er kennelijk al vanuit ging dat hij er op donderdag niet zou zijn. Bovendien heeft hij zijn leerlingen niet gedupeerd, aangezien hij ervoor heeft gezorgd dat alle leerlingen op een ander uur in de week de les hebben kunnen volgen. Dat niet alle leerlingen tegelijkertijd de inhaal les konden volgen heeft hij opgevangen door op meerdere uren de les aan te bieden, zodat uiteindelijk iedereen aan bod kwam.

4.10

Hiertegenover staat het verweer van de school, die betwist dat hij overleg heeft gevoerd over het verval van het lesuur op donderdag en zij onderbouwt dit verweer met een schriftelijke verklaring van de betreffende teamleider. Dat is juist wat de school hem tegenwerpt: dat hij eigenhandig tot wijziging van het lesrooster is overgegaan, terwijl hij daartoe niet bevoegd is. Daarom heeft zij het verval van het lesuur op donderdag aangemerkt als werkweigering. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het eigenhandig verplaatsen van een lesuur niet onmiddellijk als zelfstandige dringende reden worden aangemerkt. Als reactie daarop zou in eerste instantie een dringende waarschuwing en een loonsanctie op zijn plaats zijn. Maar ook in het geval deze kwestie niet meewerkt aan de invulling van de dringende reden moet het [verzoeker] duidelijk zijn geweest dat de twee hiervoor besproken verwijten reeds van voldoende gewicht waren voor de school om tot ontslag te besluiten.

4.11

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het hier om een kort dienstverband gaat, dat vanaf het eerste begin wordt gekenmerkt door incidenten die ervoor zorgen dat de samenwerking tussen [verzoeker] en De Boog moeizaam verloopt. Die incidenten hadden onder andere betrekking op de benoeming van [verzoeker] (het feit dat hij niet beschikte over het juiste document om zijn bevoegdheid te staven), op een toets voor 6 VWO in oktober 2015 (die toets moest over en haalde daarmee de krant) en een brief van 1 december 2015 van de schoolleiding (waarin de schoolleiding haar zorgen uit over zijn functioneren binnen de school) wat leidt tot het een mediationtraject halverwege het dienstverband. Deze omstandigheden nemen niets weg van de zwaarte van de dringende redenen die thans zijn ontstaan. Ook het verwijt van [verzoeker] dat De Boog hem ten onrechte niet direct een vast dienstverband heeft gegeven, snijdt geen hout aangezien de cao de mogelijkheid biedt om het eerste jaar een tijdelijke aanstelling te geven. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat de in de ontslagbrief aangevoerde dringende redenen (niet inleveren toetsen en openbaarmaking van het persoonlijke conflict) het ontslag op staande voet kunnen dragen.

4.12

Uit het voorgaande volgt dat het gegeven ontslag op staande voet in stand blijft. Voor de verzoeken van [verzoeker] betekent dit dat de grondslag voor toewijzing daarvan ontbreekt. De verzoeken worden daarom afgewezen.

4.13

Als in het ongelijk gestelde partij dient [verzoeker] te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Boog begroot op € 500,= voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

5.2

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Boog begroot op € 500,= voor salaris gemachtigde;

5.3

verklaart deze beschikking voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016. (ap)