Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4260

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
Awb 16/1319
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2924, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor aanplanten van wilgen geen omgevingsvergunning vereist; rechtbank vernietigt besluit met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

J. [eiser], te Belt-Schutsloot, eiser,

gemachtigde: mr. R. Scholten, te Apeldoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: C. [belanghebbende], te Belt-Schutsloot,

gemachtigde: mr. M.J. Smaling, te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser (hierna: [eiser] )

een omgevingsvergunning verleend voor het planten van wilgen op een perceel, gelegen bij de [adres 1] te Belt-Schutsloot, kadastraal bekend gemeente Wanneperveen, sectie B, nummer 5787.

Bij besluit van 11 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de derde-partij (hierna: [belanghebbende] ) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning voor het planten van wilgen geweigerd.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft desgevraagd [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om als derde-partij deel te nemen aan dit geding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. R. Scholten. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.D. Klaren, P. Kleine en G. Perdonk. [belanghebbende] is verschenen

met mr. M.J. Smaling.

Overwegingen

1.1

[belanghebbende] woont aan de [adres 2] te Belt-Schutsloot. De woning van [belanghebbende] ziet aan de voorzijde uit over een zijarm van een waterweg. Vanaf de voorkant van zijn perceel had [belanghebbende] tot 2011 vrij uitzicht richting de Arembergergracht, over een weiland dat eigendom is van [eiser] .

1.2

Op enig moment in 2011 heeft [eiser] aan de rand van het weiland waarvan hij eigenaar is, tegenover de woning van [belanghebbende] , 27 wilgen geplant. De wilgen zijn nooit geknot. [belanghebbende] heeft hierdoor niet langer vrij uitzicht richting de Arembergergracht.

1.3

Naar aanleiding van een door verweerder opgelegde last onder dwangsom, ter verwijdering van de wilgen, heeft [eiser] in 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van de reeds aanwezige wilgen. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze omgevingsvergunning verleend.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning herroepen. Verweerder heeft hierbij tevens aangegeven dat alsnog handhavend zal worden opgetreden tegen de aanwezigheid van de wilgen. Bij besluit van 30 mei 2016 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan [eiser] .

2.1

Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor de legalisering van de reeds aanwezige wilgen herroepen omdat de aanwezigheid van de wilgen ter plaatse leidt tot aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gebied. Verweerder baseert zich voor dit oordeel op een advies van de welstands- en monumentencommissie Het Oversticht, van 28 oktober 2015, en op een notitie van bureau Eelerwoude, van 21 juli 2015. De wilgen zijn evenmin op grond van het overgangsrecht bij de thans geldende beheersverordening legaal aanwezig.

2.2

[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat voor de aanwezigheid van de wilgen geen omgevingsvergunning vereist was op grond van het ten tijde van de aanplant van de wilgen geldende bestemmingsplan “Buitengebied Wanneperveen”. De wilgen zijn daarom op grond van het overgangsrecht bij de thans geldende beheersverordening legaal aanwezig. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat verweerder de aan hem verleende omgevingsvergunning ten onrechte heeft herroepen. Uit adviezen van bureau Lantschap van 25 mei 2016, en van het Gelders Genootschap van 20 juni 2016, blijkt dat de wilgen streekeigen en karakteristiek zijn. Van aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gebied is geen sprake.

2.3

[belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat verweerder de aan [eiser] verleende omgevingsvergunning terecht heeft herroepen. [belanghebbende] sluit zich aan bij het standpunt

van verweerder.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dit geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

3.2

Op grond van het bepaalde in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

3.3

Het perceel waarop [eiser] de wilgen heeft geplant is thans gelegen binnen de

begrenzing van de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014” (hierna: beheersverordening). Het perceel heeft thans de bestemming ‘natuur’.

Op grond van het bepaalde in artikel 21.5.1, aanhef en onder b, van de regels behorend

bij de beheersverordening is het verboden om opgaande beplantingen, zoals bosschages, houtwallen en singels, zonder omgevingsvergunning aan te brengen.

3.4

Indien de wilgen op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening legaal aanwezig waren langs de rand van het weiland waar [eiser] deze geplant heeft, is hiervoor, gelet op het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo,

ook thans geen omgevingsvergunning vereist. De rechtbank zal daarom eerst nagaan of de wilgen op grond van het destijds geldende recht vergunningvrij zijn aangeplant.

3.5

Ten tijde van de aanplant van de wilgen, in 2011, was het perceel waarop de aanplant heeft plaatsgevonden gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Wanneperveen”.

3.6

In artikel 19, lid A, aanhef en onder 1, sub d, van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan (hierna: planvoorschriften) was bepaald dat het verboden is de werken uit te voren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), op de gronden, welke op de kaart zijn aangeduid met zwarte stippen: het rooien, verwijderen, planten of aanbrengen van gewassen en houtopstanden.

3.7

In artikel 19, lid B, van de planvoorschriften is bepaald dat het onder 1, sub d, van lid A gestelde niet geldt voor wat betreft gewassen en houtopstanden, bedoeld in artikel 15, lid 2 en 3, van de Boswet.

3.8

Artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Boswet bepaalt dat de provinciale staten en de gemeenteraad niet bevoegd zijn regels te stellen ter bewaring van wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor

zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot.

3.9

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de reikwijdte van de in artikel 19, lid B, van de planvoorschriften neergelegde uitzondering op het verbod als bedoeld in artikel 19, lid A, aanhef en onder 1, sub d, van de planvoorschriften, moet worden uitgegaan van de letterlijke bewoordingen van artikel 19, lid B, van de planvoorschriften. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt, dat tevens gekeken moet worden naar het toepassings-bereik van de Boswet. Het gaat bij de uitleg van artikel 19, lid B, van de planvoorschriften niet om de vraag hoe ver het toepassingsbereik van de Boswet reikt, maar enkel om de vraag of sprake is van gewassen en houtopstanden als bedoeld in artikel 15, lid 2 en 3, van de Boswet. Artikel 19, lid B, van de planvoorschriften moet, naar het oordeel van de rechtbank, voor zover hier van belang, zo worden begrepen, dat het in artikel 19, lid A, aanhef en onder 1, sub d, van de planvoorschriften neergelegde verbod niet van toepassing is op wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot.

3.10

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening sprake was van eenrijige beplanting langs landbouwgrond, bestaande uit niet geknotte wilgen. Dat tussen de wilgen onderling niet overal sprake is van exact dezelfde afstand, doet hieraan niet af. Hieruit volgt dat de wilgen ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening legaal aanwezig waren langs de rand van het tegenover de woning van [belanghebbende] gelegen weiland.

3.11

Aangezien de wilgen legaal aanwezig waren, was een omgevingsvergunning voor het aanplanten van de wilgen dan ook niet vereist. De bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning voor het planten van de wilgen is dan ook bij het bestreden besluit terecht herroepen.

3.12

De bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning is evenwel op onjuiste gronden herroepen, aangezien verweerder meende dat de wilgen niet legaal aanwezig waren en verweerder voorts meende dat de aanwezigheid van de wilgen ter plaatse leidt tot aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering.

4.1

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden vernietigd.

4.2

Aangezien voor het aanplanten van de wilgen geen omgevingsvergunning vereist is, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

5.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [eiser] gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- en € 2809,62 voor de inschakeling van deskundigen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 3801,62

te betalen aan [eiser] ;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan [eiser] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.