Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4252

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
AWB 15/2840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwetzaak; persoonsgebonden budget (PGB) voor individuele begeleiding. Vervolg op tussenuitspraak 18 april 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:1380). Rechtbank oordeelt dat verweerder niet op de juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak omdat alleen voor de toekomst is beslist terwijl het bestreden besluit ziet op een periode die voorbij is. Rechtbank oordeelt verder dat verweerder een rapport door een deskundige heeft doen opstellen dat op objectieve wijze verslag doet van het verrichte onderzoek en dat op inzichtelijke wijze vermeldt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd, welke conclusies niet onbegrijpelijk zijn. De rechtbank volgt de in het deskundigenrapport voor de jeugdige nodig geachte jeugdhulp en voorziet zelf in de zaak door vernietiging van het bestreden besluit, herroeping van het primaire besluit en toekenning van een PGB voor begeleiding individueel, door ouders uit te voeren en toekenning van een PGB voor begeleiding, door grootvader uit te voeren. Daarnaast wordt een PGB toegekend voor begeleiding groep door een instelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2840

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

gemachtigde: mr. R. Imkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder.

Procesverloop

Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 18 april 2016. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder op 14 juni 2016 besloten om vanaf de datum van bekendmaking van het besluit tot 16 april 2017 voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen voor [C] .

Bij brief van 13 juli 2016 heeft eiseres op dit besluit gereageerd. Op 5 oktober 2016 heeft verweerder aan de rechtbank een rapport van SCIO Consult te Deventer overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Eiseres is, met haar echtgenoot, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , werkzaam bij verweerder, alsmede door [B] , werkzaam voor het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG).

Overwegingen

1. De rechtbank zal allereerst oordelen over de vraag of verweerder op een juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak. In de beslissing van 14 juni 2016 (hierna: het nieuwe besluit) heeft verweerder ingaande de datum van bekendmaking tot 16 april 2017 (het moment waarop [C] 18 jaar wordt) een voorziening voor jeugdhulp van 3 uur per week individuele begeleiding toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) waarmee De Knapzak kan worden ingehuurd tegen een tarief van € 50,86 per uur. Verder heeft verweerder voor dezelfde periode 1 uur per week individuele begeleiding toegekend in de vorm van een PGB waarmee grootvader kan worden ingehuurd op voorwaarde dat de individuele begeleiding niet wordt gecombineerd met golf. Het nieuwe besluit is genomen op basis van het advies dat door het CJG is uitgebracht.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Om het gebrek te herstellen, moet verweerder, mede gelet op het door ouders ingebrachte gezinsplan, naar de feiten en omstandigheden van dit moment onderzoeken in welke mate [C] begeleiding nodig heeft. Indien blijkt in welke mate begeleiding nodig is, dient verweerder vervolgens te bezien welk aandeel ouders of de sociale omgeving hierin redelijkerwijs kunnen leveren, daarbij de belangen als hiervoor vermeld in acht nemend. Voor zover begeleiding redelijkerwijs niet van de ouders kan worden gevergd, dient verweerder een voorziening op het gebied van jeugdhulp te verstrekken, in natura dan wel in de vorm van een PGB. Indien het onderzoek tot de conclusie leidt dat de jeugdhulp tot een aantoonbaar betere of effectievere ondersteuning leidt dan wel aantoonbaar doelmatiger is en overigens aan de voorwaarden is voldaan, kan het PGB worden aangewend voor de begeleiding door ouders. De rechtbank merkt daarbij nog op dat, naar verweerder ter zitting heeft gesteld, de nadere regels van verweerder, waarin onder meer een - de ouders (ten onrechte) uitsluitende - definitie is opgenomen van sociaal netwerk, zullen worden gewijzigd.”

Blijkens het advies van het CJG en het ambtelijk advies aan verweerder, dat door verweerder is overgenomen, is het onderzoek gericht geweest op de toekomst. In het nieuwe besluit worden ook voorzieningen toegekend met ingang van 14 juni 2016. Verweerder heeft, gelet daarop, niet voldaan aan de tussenuitspraak die immers ziet op de beoordeling van het besluit op bezwaar van 16 november 2015 waarbij het primaire besluit van 29 juni 2015 in stand is gehouden. Het bestreden besluit en het nieuwe besluit komen, mede gelet op de in de tussenuitspraak vermelde redenen, derhalve voor vernietiging in aanmerking.

2. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Het CJG heeft twee adviezen aan verweerder uitgebracht. Verweerder heeft, gelet op onduidelijkheid die er tussen ouders en het CJG bestond, op 19 augustus 2016 een extern bureau, SCIO consult te Deventer (hierna: SCIO), opdracht gegeven om een nieuwe beoordeling van de noodzaak tot het leveren van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet over de periode 7 mei 2015 tot heden uit te voeren. Op 30 september 2016 heeft SCIO een rapport uitgebracht. SCIO heeft in het rapport aangeduid wat de behoefte aan jeugdhulp van [C] is en geconcludeerd dat hulp moet worden ingezet van 4 uur per maand en daarnaast van 2 uur per week, te verlenen door de Knapzak, en daarnaast begeleiding van 11 uur per week. De hulpbehoefte is tot stand gekomen op basis van doelen, gesteld aan de ontwikkeling van [C] , waarbij vervolgens gezocht is naar oplossingen die werken voor [C] . Naar de mening van SCIO is sprake van hulp die ouders niet op eigen kracht kunnen verlenen. SCIO is verder van mening dat de jeugdhulp kan worden verleend in de vorm van een PGB, aan te wenden ten behoeve van hulpverlening door de Knapzak voor 4 uur per maand en daarnaast 2 uur per week, voor begeleiding door grootvader gedurende 2 uur per week en voor begeleiding door ouders gedurende 9 uur per week. SCIO concludeert dat de behoefte aan jeugdhulp ook het afgelopen half jaar aanwezig was en dat de jeugdhulp kan doorlopen tot het moment dat [C] 18 jaar wordt.

3. Verweerder heeft bij brief van 5 oktober 2016 en ter zitting gesteld dat het rapport van SCIO onvoldoende antwoord geeft op de door verweerder gestelde onderzoeksvragen omdat de motivering ontbreekt of onvoldoende is. Bovendien is niet altijd duidelijk wat de opvatting van SCIO is en wat de opvatting van ouders is en ontbreekt een eigen beoordeling. Het rapport heeft dan ook (vooralsnog) niet geleid tot herziening van de genomen besluiten.

Eiseres kan zich vinden in het rapport en onderschrijft de conclusies uit het rapport.

4. De rechtbank is van oordeel dat in het rapport van SCIO op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en dat daarin op inzichtelijke wijze is vermeld welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd. Deze conclusies zijn niet onbegrijpelijk. Concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan zijn door verweerder niet naar voren gebracht. In het rapport wordt veelal wel degelijk vermeld van wie de informatie afkomstig is en de conclusies worden door de deskundige getrokken. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat de motivering onvoldoende is of ontbreekt. Verweerder heeft dat standpunt overigens, ook niet ter zitting, onderbouwd. De rechtbank zal, mede gelet op het belang van het kind en op de spanning die de juridische strijd zichtbaar voor ouders oplevert, zelf in de zaak voorzien door overname van het advies dat in het rapport van SCIO wordt gegeven. Als ingangsdatum hanteert de rechtbank daarbij de datum van het primaire besluit. Een uitzondering daarop vormt het PGB ten behoeve van begeleiding groep door inschakeling van de Knapzak. Daarover heeft verweerder reeds eerder, op 23 juni 2015, een besluit genomen waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dit besluit had betrekking op de periode tot en met 31 mei 2016. De rechtbank zal het advies van SCIO op dit punt volgen met ingang van 1 juni 2016.

5. Concluderend ziet de rechtbank daarom aanleiding het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit en het nieuwe besluit te vernietigen en om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daarom bepaalt de rechtbank dat het primaire besluit wordt herroepen en dat eiseres als gevolg van de herroeping van het besluit, vanaf 1 juni 2015 aanspraak heeft op een persoonsgebonden budget ten behoeve van begeleiding van [C] door ouders voor 9 uur per week tegen een tarief van € 20,- per uur, dat zij, eveneens ingaande 1 juni 2015, aanspraak heeft op een persoonsgebonden budget voor begeleiding van [C] door grootvader voor 2 uur per week tegen een tarief van € 20,- per week en dat zij, ingaande 1 juni 2016 aanspraak heeft op een persoonsgebonden budget voor begeleiding groep door de Knapzak voor 4 uur per maand en voor 2 uur per week tegen een tarief van € 50,86 per uur. De jeugdhulp zal eindigen op het moment dat [C] 18 jaar wordt. Deze uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde besluiten.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.728,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 5 april 2016, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 12 oktober 2016 met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1).

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6.

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2015 en het besluit van 14 juni 2016;

- herroept het primaire besluit van 29 juni 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.728,--;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 45,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzitter, en mr. H.W.H. Oude Aarninkhof en mr. H.T. Pos, leden, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van D. Roest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2016.