Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:420

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
08/997507-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:955, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting zonder deze aangiften op een later moment te corrigeren middels een suppletieaangifte met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is afgedragen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0432 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/997507-14

Datum vonnis: 8 februari 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 januari 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mevrouw mr. C.C.M. Poland en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als feitelijk leidinggever van de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen:

feit 1: in de periode van 29 april 2009 tot en met 8 januari 2014 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;

feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 november 2014, dan wel in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 november 2014, meermalen opzettelijk geen suppletie voor de omzetbelasting heeft gedaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

de besloten vennootschap(pen) [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2]

B.V. (ook wel genoemd fiscale eenheid [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1]

B.V.)

op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 april 2009

tot en met 8 januari 2014 in de gemeente Emmen en/of in de gemeente Apeldoorn,

althans elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting over het:

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2009; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2010; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2011; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2012; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2013,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebbende [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] B.V.

(telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Emmen en/of elders in Nederland, ingeleverde

aangiftebiljet(ten) omzetbelasting en/of electronische aangifte (biljet)

omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar

bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl

dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan

niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft

gegeven;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

2.

de besloten vennootschap(pen) [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2]

B.V. (ook wel genoemd fiscale eenheid [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1]

B.V.),

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot

en met 27 november 2014, althans in ieder geval over de periode 01 januari

2012 tot en met 27 november 2014, in de gemeente Assen en/of Emmen, althans

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen,

(telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het

verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen,

te weten de verplichting ingevolge artikel 10A Algemene wet inzake

rijksbelastingen juncto artikel 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting juncto

artikel 68 lid 1 onder a Algemene Wet inzake rijksbelastingen,

opzettelijk deze niet, onjuist of onvolledig heeft verstrekt, terwijl dat feit

ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

immers hebbende [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] B.V. de in de

hierboven vermelde regelgeving opgenomen verplichting tot het doen van een

suppletie, door het (alsnog) verstrekken van de juiste en volledige

inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, betrekking hebbende op de

aangifte(n) voor de omzetbelasting over het:

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2009; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2010; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2011; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2012; en/of

- eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde

kwartaal 2013,

opzettelijk niet gedaan,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan

niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft

gegeven.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van betrouwbare getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het gevoerde verweer dat er bij verdachte geen sprake is geweest van opzet heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat er in ieder geval sprake was van voorwaardelijk opzet.

De verdediging heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de getuigen ook allemaal hun eigen belang hadden toen zijn hun verklaringen hebben afgelegd en dat de afgelegde verklaringen om die reden niet erg betrouwbaar kunnen zijn. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad om onjuiste aangiften in te dienen. Verdachte heeft volgens de verdediging juist alles in het werk gesteld om een correcte administratie te voeren. Verdachte heeft volgens de verdediging niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden ingediend.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Vast staat dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 2] B.V. en dat deze holding enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 1] B.V.

Binnen de holding vindt echter geen economische activiteit plaats; de holding is louter eigenaar van het aan [bedrijf 1] B.V. ter beschikking gestelde bedrijfspand. In het hiernavolgende zal de rechtbank zich dan ook slechts richten op de activiteiten van [bedrijf 1] B.V. en verdachtes aandeel daarin.

Tevens staat niet ter discussie dat verdachte niet alleen formeel, maar ook feitelijke zeggenschap had over alle activiteiten van [bedrijf 1] B.V.

Bij de FIOD is een melding binnengekomen inhoudende dat [bedrijf 1] B.V. over de jaren 2009 t/m 2011 de omzetbelasting niet volledig zou hebben afgedragen. De FIOD heeft deze melding doorgegeven aan de Belastingdienst en de Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld in welk onderzoek ook de jaren 2012 en 2013 zijn betrokken.Geconstateerd is dat over de hiervoor genoemde jaren onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan als gevolg waarvan een strafrechtelijk nadeel omzetbelasting is veroorzaakt van € 146.434,00.

De getuige [getuige 1] , administrateur van verdachte in de periode 2008 t/m september 2009, heeft verklaard dat in het eerste kwartaal van 2009 € 10.000,00 bij de aangifte omzetbelasting is bijgeteld in verband met twijfel over de juistheid van de boekhouding. Volgens [getuige 1] betaalde [verdachte] in verband met liquiditeitsproblemen in privé inkoopfacturen ten name van de vennootschap, waardoor deze niet geboekt werden maar er wel recht op voorbelasting bestond.

Over de periode 3e kwartaal 2009 t/m het 3e kwartaal 2012 zijn de aangiften omzetbelasting voor verdachte ingediend door de getuige [getuige 2] , zelfstandig boekhouder . [getuige 2] heeft verklaard dat in 2009 met akkoord van verdachte bewust minder voorbelasting is aangegeven door met de btw te schuiven. Dit vond eveneens plaats in de jaren 2010, 2011 en 2012. Er zou voorts echter diverse keren bij verdachte op zijn aangedrongen een suppletieaangifte in te dienen.

Getuige [getuige 3] , accountant en opsteller van de jaarrekeningen 2011 en 2012 van [bedrijf 1] B.V. heeft verklaard dat bij de bespreking van de jaarrekeningen met verdachte is besproken dat er nog een suppletieaangifte van de omzetbelasting moest worden gedaan. Verdachte heeft bevestigd dat [getuige 3] hem er op heeft gewezen dat er nog een suppletieaangifte gedaan moest worden.

[getuige 4] , accountant AA, heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd heeft dat hij de suppletieaangiften niet wilde indienen omdat hij de cijfers niet vertrouwde.

Het vorenstaande, in onderling verband bezien en ondersteund door verscheidende schriftelijke aantekeningen, notities en e-mails zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte er van meet af aan wetenschap van had dat de aangiften omzetbelasting niet correct waren gedaan. Over de in de bewezenverklaring genoemde kwartalen zijn steeds onjuiste (te lage) aangiften voor de omzetbelasting gedaan en is tevens ``opzettelijk niet voldaan aan de op [bedrijf 1] B.V. (als onderdeel van een fiscale eenheid) rustende verplichting tot het doen van een suppletieaangifte ter zake de omzetbelasting. Dat verdachte namelijk ondanks voornoemde wetenschap niet is overgegaan tot de vereiste aangiften dan wel suppleties, omdat hij naar eigen zeggen wilde afwachten tot hij zekerheid had over de al dan niet correctheid van de gevoerde administratie binnen [bedrijf 1] B.V. en daarmee niet bewust de onjuiste aangiften dan wel het achterwege laten van corrigerende inlichtingen zou hebben geaccordeerd, wordt weersproken door de wetenschap die bij verdachte bestond over de opgezette constructies teneinde de verschuldigde omzetbelasting niet, dan wel niet tijdig te hoeven betalen en het feit dat uit het dossier niet is gebleken dat de administratie inderdaad incorrect is gebleken en wel in die zin dat er te veel omzetbelasting is afgedragen. Dat verdachte telkenmale, in weerwil van de conclusies van zijn boekhouders en accountants, naar eigen zeggen meende dat de administratie niet betrouwbaar was en op grond van zijn “zesde zintuig” minder omzetbelasting afdroeg dan door zijn adviseurs berekend, sterkt de rechtbank in haar conclusie dat verdachte bewust de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan c.q. willens en wetens het achterwege laten van suppletieaangiften heeft geaccordeerd in zijn rol van feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] B.V.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. in de periode van 29 april 2009 tot en met 8 januari 2014 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte

voor de omzetbelasting over het:

- eerste kwartaal en derde kwartaal en vierde

kwartaal 2009 en

- eerste kwartaal en tweede

kwartaal 2010 en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal en vierde kwartaal 2011 en

- derde kwartaal en vierde kwartaal 2012 en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal 2013,

onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting en/of elektronische aangifte biljet omzetbelasting over genoemde jaren een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. in de periode van 1 januari 2009 tot

en met 27 november 2014, Nederland, telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen,

te weten de verplichting ingevolge artikel 10A Algemene wet inzake

rijksbelastingen juncto artikel 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting juncto

artikel 68 lid 1 onder a Algemene Wet inzake rijksbelastingen,

opzettelijk deze niet heeft verstrekt, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

immers heeft [bedrijf 1] B.V. de in de hierboven vermelde regelgeving opgenomen verplichting tot het doen van een suppletie, door het alsnog verstrekken van de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, betrekking hebbende op de aangifte voor de omzetbelasting over het:

- eerste kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal 2009 en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal 2010 en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal en vierde kwartaal 2011 en

- derde kwartaal en vierde kwartaal 2012 en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal 2013,

telkens opzettelijk niet gedaan,

aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte

telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan in zoverre zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten het, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze niet verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking. Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting zonder deze aangiften op een later moment te corrigeren middels een suppletieaangifte met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is afgedragen. Door te weinig belasting af te dragen heeft verdachte de Staat een financieel nadeel bezorgd van ongeveer € 146.000,00 en de belangen van de gemeenschap geschaad. De gemeenschap heeft er immers belang bij dat de Staat voldoende middelen tot haar beschikking heeft om haar taken goed te kunnen uitoefenen. Bij bepaling van de straf welke aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die, bij een benadelingsbedrag als hier aan de orde, een gevangenisstraf aangeven van 9-12 maanden. Nu betrokkene echter niet eerder ter zake van een soortgelijk delict met justitie in aanraking is geweest en gelet op de leeftijd van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van genoemde oriëntatiepunten en te volstaan met een taakstraf van na te noemen duur. Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en verdachte er voor de toekomst van te doordringen dat hij zijn fiscale verplichtingen stipt dient na te komen, ziet de rechtbank aanleiding, als waarschuwing en ter aansporing, daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan in zoverre vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
    feit 2:opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten het, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze niet verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende honderdtwintig (120) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zestig (60) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD Belastingdienst met nummer [dossiernummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring omzetbelasting, met bijlagen, opgemaakt door [medewerker belastingdienst], ambtenaar bij de Belastingdienst, inhoudende (Doc -010, blz. 190):

De ondergetekende, [medewerker belastingdienst] als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratie, verklaart dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen.

Deze verklaring betreft: FISCALE EENHEID [bedrijf 2] B.V. EN [bedrijf 1] B.V., [adres] , [plaats] , sofinummer [sofinummer] (hierna te noemen belastingplichtige).

X Over de tijdvakken 1e kwartaal 2009 t/m 4ekwartaal 2013 zijn de aangiften omzetbelasting

betreffende belastingplichtige elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.

2.

Het proces-verbaal d.d. 15 juli 2015, zakelijk weergeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten (pagina 34 en 35):

Bij de belastingdienst zijn de aangiften omzetbelasting als volgt binnengekomen

Aangifte tijdvak

Ontvangen op

naam

1e kwartaal 2009

29-04-2009

[naam 1]

2e kwartaal 2009

22-07-2009

[getuige 1]

3e kwartaal 2009

27-10-2009

[verdachte]

4e kwartaal 2009

28-01-2010

[verdachte]

1e kwartaal 2010

27-04-2010

[getuige 2]

2e kwartaal 2010

27-07-2010

[getuige 2]

3e kwartaal 2010

27-10-2010

[getuige 2]

4e kwartaal 2010

20-01-2011

[getuige 2]

1e kwartaal 2011

28-04-2011

[getuige 2]

2e kwartaal 2011

28-07-2011

[getuige 2]

3e kwartaal 2011

11-10-2011

[getuige 2]

4e kwartaal 2011

30-01-2012

[getuige 2]

1e kwartaal 2012

19-04-2012

[getuige 2]

2e kwartaal 2012

25-07-2012

[betrokkene]

3e kwartaal 2012

30-10-2012

[getuige 2]

4e kwartaal 2012

31-01-2013

[getuige 4] AA

1e kwartaal 2013

27-04-2013

[bedrijf 1] B.V.

2e kwartaal 2013

26-07-2013

[bedrijf 1] B.V.

3e kwartaal 2013

16-10-2013

[bedrijf 1] B.V.

4e kwartaal 2013

08-01-2014

[bedrijf 1] B.V.

3.

Het proces-verbaal d.d. 15 juli 2015, zakelijk weergeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten (pagina 55):

Het strafrechtelijk nadeel voor de Belastingdienst door het vermoedelijk opzettelijk doen van onjuiste aangiften van Fiscale eenheid [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. is als volgt:

Omzetbelastingaangifte

Nadeel Belastingdienst

1 e kwartaal 2009

€ 11.650

3e kwartaal 2009

€ 6.605

4e kwartaal 2009

€ 12.760

l e kwartaal 2010

€ 9.512

2e kwartaal 2010

€ 26.460

le kwartaal 2011

€ 4.163

2e kwartaal 2011

€ 39.682

4e kwartaal 2011

€ 21.115

3e kwartaal 2012

€ 8.004

4e kwartaal 2012

€ 8.681

1 e kwartaal 2013

€ 26.702

2e kwartaal 2013

€ 9.994

4.

Een geschrift, zijnde een Jaaroverzicht BTW 2009 met geschreven notitie dd. 29-04-2009 waarin de voorbelasting met 10.000 wordt verhoogd 'n.a.v. overleg met [verdachte] (nb: verdachte [verdachte] in verband met twijfel en onjuistheid boekhouding "GrandPrix'.

Nb: volgens de gespecificeerde nadeelberekening van de Belastingdienst(doc-044) is op de aangifte omzetbelasting over het le kwartaal 2009 € 10.000,- teveel aan voorbelasting geclaimd. (pagina 222)

3.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1], d.d. 2 maart 2015, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige inhoudende (blz. 633, 635, 636)

Vraag verbalisanten:

Met wie had u contact bij [bedrijf 1] B.V.?

Antwoord getuige:

" Met name met [de vrouw] en [verdachte] . [verdachte] was de leidinggevende. Het was een relatief klein bedrijf. "

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u ons vertellen met betrekking tot de gang van zaken bij het doen van de aangiften

omzetbelasting voor de fiscale eenheid omzetbelasting van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V.?

Antwoord getuige:

"Ik zie er op toe dat de aangifte tijdig wordt ingediend. Het blijft echter de verantwoordelijkheid van de ondernemer. De aangiften werden gedaan op basis van de administratie. Dit was het uitgangspunt.

Opmerking verbalisanten:

Wij tonen getuige een jaaroverzicht BTW 2009 van [bedrijf 1] BV met daarop een

geschreven aantekening van 29-04-09.

Vraag verbalisanten:

Wie heeft deze aantekening geschreven?

Antwoord getuige:

" Dit is mijn handschrift. lk neem aan dat de aangifte voor het 1ste kwartaal van 2009 € 19.513 is geweest "

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u verklaren over deze opstelling en aantekening?

Antwoord getuige:

" Op basis van de boekhouding moest € 29.513 betaald worden. Er is € 10.000 aan voorbelasting bijgeteld in verband met twijfel over de boekhouding. Het gebeurde dat [verdachte] in verband met liquiditeitsproblemen in privé inkoopfacturen betaalde waardoor deze niet geboekt werden maar er wel recht op voorbelasting bestond.

Vraag verbalisanten:

Is de aangifte omzetbelasting over het 1e kwartaal 2009 juist en volledig gedaan?

Antwoord getuige:

" De aangifte is niet juist en volledig gedaan. De aangifte is deels geschat omdat de administratie onbetrouwbaar was. lk weet dat schatten niet is toegestaan.

Vraag verbalisanten:

DOC-039 Wij tonen getuige een emailbericht die hij op 22-07-2009 zond aan [verdachte] . In de mail schrijft u dat u de aangifte over het 2e kwartaal 2009 heeft ingediend en u voegt een kopie bij van de ingediende aangifte. Heeft u deze mail verzonden?

Antwoord getuige:

"Ik heb de opmerking "BTW 2de kwartaal " er niet boven gezet. De aangifte is ingediend met behulp van software van de Belastingdienst. lk heb over deze aangifte gecommuniceerd met de bank in verband met de liquiditeitspositie van [verdachte] . lk heb de aangifte over het 2de kwartaal 2009 ingediend "

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], d.d. 28 november 2014, zakelijk weergegeven als verklaring van de getuige inhoudende (blz. 582, 583)

lk berekende vaak de btw, wat [verdachte] moest betalen voor de aangifte btw. Er was echter geen geld. Wat gebeurde dan wel eens dat we de aflevering van auto's naar achteren haalden en de inkoop van de auto's naar voren. Het is eigenlijk niet volgens de regels maar nood breekt wetten.

[verdachte] dacht dat de balansschuld omzetbelasting niet kon kloppen en dacht dat het administratieve systeem niet klopte.

Aan het eind van het jaar 2011 is er verschoven met btw, zoals ik al eerder verklaarde. Dat zou [verdachte] in 2012 rechttrekken. Maar dat is niet gebeurd. [verdachte] diende zelf de aangiften omzetbelasting in aan de hand van de berekeningen die ik maakte aan de hand van de grootboekrekeningen. De gegevens van de btw-berekening schreef ik handmatig op een stuk papier die in de administratie van [verdachte] terug te vinden moet zijn. lk stond met [verdachte] mee te kijken als hij de aangiften omzetbelasting indiende.

Vraag verbalisanten

Wat kunt u ons over deze opstelling omzetbelasting verklaren, en dan met name over de dik gedrukte tekst "NB: de kwartaalaangiften zijn niet conform het grootboek aangegeven! Het derde en vierde kwartaal is bewust minder aangegeven en betaald i.v.m. liquiditeitsproblemen!".

Antwoord getuige

" Op zich klopt het wel dat er bewust minder is aangegeven. Net als ik vorige keer ook al heb verklaarde werd de voorbelasting naar voren gehaald en de verschuldigde btw werd uitgesteld "

Er is bewust minder aangegeven en overgeheveld naar andere jaren. lk kan het mij niet herinneren. Het idee om over te hevelen naar andere jaren zal van mij afkomstig zijn geweest. lk zal misschien het voorstel hebben gedaan om het zo en zo te doen. Hiermee bedoel ik dus de voorbelasting naar voren te halen en de verschuldigde btw naar een later jaar. lk weet dat het niet is toegestaan. Er is geconstateerd dat voor het jaar 2009 te weinig btw is afgedragen maar [verdachte] heeft nooit suppletieaangifte ingediend.

De btw die verschuldigd was over de auto's die in december verkocht waren werd doorgeschoven naar januari terwijl de voorbelasting wel werd geclaimd. De liquiditeitsproblemen waren groot, elke cent moest bijeengeschraapt worden. Toen ik met het idee kwam om met de btw te schuiven ging [verdachte] meteen akkoord. Ik kwam met het bedrag dat aan btw betaald moest worden over het 4de kwartaal van 2009. [verdachte] zij dat hij het niet kon betalen en zei “probeer er maar een mouw aan te breien”.”

Vraag verbalisanten

Wij tonen gehoorde de aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal 2009. Is de aangifte juist en volledig gedaan?

Antwoord verdachte

"U vraagt naar de bekende weg. lk heb hier net al wat over gezegd. De aangifte is gedaan onder verantwoordelijkheid van [verdachte] . De aangifte is opgemaakt bij [verdachte] op kantoor. Dit geldt voor alle aangiftes

Wij tonen gehoorde een geschreven opstelling BTW 2e kwartaal met onderaan vermeld: terug -/- 1994. Achter de geschreven opstelling zijn btw-aangifte calculaties en totalen lijst globalisatie gehecht. Wij merken op dat over het 2e kwartaal 2010 een aangifte omzetbelasting is ingediend met een terug te vragen bedrag van € 1.994,-.

Alleen de voorbelasting is naar voren gehaald. lk heb gezien dat de verschuiving in het derde kwartaal over 2010 niet is gecorrigeerd.

Vraag verbalisanten

Wij tonen gehoorde de ingediende aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal 2010. Is deze aangifte juist en volledig gedaan?

Antwoord verdachte

" lk heb hier niets aan te voegen. lk verwijs u naar de geschreven opstelling die u mij net heeft laten zien. De aangifte is gedaan conform de opstelling. lk heb u net al verteld dat deze niet juist is, omdat er is geschoven met de voorbelasting. lk wil nog wel opmerken dat ik vind dat deze vragen steeds hetzelfde zijn. Het is vragen naar de bekende weg."

Vraag verbalisanten:

Wij tonen gehoorde blz. 1 tot en met 6 van de door de Belastingdienst gemaakte nadeelberekening omzetbelasting, gespecificeerd per aangiftetijdvak, over 2009 tot en met 2012. Hoe verklaart u de verschillen tussen de boekhouding en de gedane aangiften?

Dit is wat ik al eerder verklaard heb. 1n de jaarrekening is het bedrag opgenomen dat nog aan btw betaald moest worden. Wij hebben niets verhuld. De accountant heeft er bij [verdachte] op aangedrongen om suppletie angifte in te dienen. [verdachte] heeft dit niet gedaan."

5.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], d.d. 3 maart 2015, als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven inhoudende: (blz. 588)

Opmerking verbalisanten

Wij tonen gehoorde pagina 2 van een opstelling omzetbelasting van [bedrijf 1] BV over 2009.

Vraag verbalisanten

Wat kunt u ons over deze opstelling omzetbelasting verklaren, en dan met name over de dik gedrukte tekst "NB: de kwartaalaangiften zijn niet conform het grootboek aangegeven! Het derde en vierde kwartaal is bewust minder aangegeven en betaald i.v.m. liquiditeitsproblemen!".

Antwoord getuige

" Op zich klopt het wel dat er bewust minder is aangegeven. Net als ik vorige keer ook al verklaarde werd de voorbelasting naar voren gehaald en de verschuldigde btw werd uitgesteld "

6.

Een geschrift zijnde een aantekeningenlijst [naam 2] bij jaardossier 2010 met o.a. 'BTW suppletie 2009 te betalen afgerond € 27.000 nog niet ingediend, wanneer wel?' (pagina 344)

7.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3], d.d. 27 november 2014, als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven, inhoudende (blz. 601),

De jaarrekening 2009 heb ik besproken met [verdachte] . Dat moet april/mei 2010 zijn geweest, omdat ik toen namelijk samen met [verdachte] en een vriend van [bedrijf 3] naar de Rabobank ben geweest. lk zie in een bespreekverslag dat ik op 31 mei 2010 bij de Rabobank ben geweest. lk zie in de bespreekpuntenlijst van april 2010, zit onder 2b in het jaardossier 2009, dat de suppletie over het jaar 2009 onderdeel van de besprekingen is geweest.

De jaarrekening 2010 heb ik besproken met [verdachte] . De exacte datum weet ik niet meer maar het moet voorjaar 2011 zijn geweest. De jaarrekening 2010 heb ik uitgebracht op

1 april 2011. De datum dat de jaarrekening wordt uitgebracht en de samenstellingsverklaring wordt afgegeven is meestal de datum waarop de bespreking van de jaarrekening heeft plaatsgevonden. Tot die datum gaat de beroepsverantwoordelijkheid van de accountant. lk zie in de bespreekpuntenlijst van februari 2011, zit onder 2b in het jaardossier 2010, dat de suppletie over het jaar 2009 opnieuw onderdeel van de besprekingen is geweest."

Vraag verbalisanten:

Wanneer is de rondrekening omzetbelasting 2011 opgesteld en wanneer is het resultaat besproken met [bedrijf 1] B.V.?

Antwoord gehoorde:

"Ik zie in een bespreekverslag van het gesprek van 17 juli 2012 dat ik de conceptjaarrekening over het jaar 2011 met [verdachte] heb besproken. Dit was in het bijzijn van [betrokkene] . lk weet zeker dat wij ook gesproken hebben over de suppleties omzetbelasting.

8.

Een geschrift, zijnde een briefje van [betrokkene] aan [getuige 3] over het bezoek aan [verdachte] op 16 juli 2012. Er zou met verdachte [verdachte] (V01) gesproken zijn over de alarmerende btw-schuld aan de Belastingdienst over de jaren 2009 tot en met 2011 van

€ 93.000. Verdachte [verdachte] (V01) zou hiervan op de hoogte zijn. In 2011 was bewust btw verschoven naar 2012. (pagina 130)

9..

Een geschrift, zijnde een brief gedateerd 31 december 2012 van [naam 2] aan [bedrijf 1] BV, over het belang van het tijdig voldoen van omzetbelasting en dat zij [verdachte] daar in het verleden meerdere keren op gewezen hebben. Ook wordt in de brief opgemerkt dat een suppletie-aangifte moet worden ingediend als over een jaar te weinig omzetbelasting is afgedragen. (pagina 131)

10.

Een geschrift, zijnde een e-mail d.d. 27-11-2012 van [medewerker] ([naam 2]) aan verdachte [verdachte] (V01) met de concept jaarrekeningen over 2011 en een verzoek tot goedkeuring. Bij de opmerkingen staat oa 'BTW rondrekening 2011 door ons opgesteld is door jullie akkoord bevonden?' (pagina 397)

11.

Een geschrift, zijnde een e-mail d.d. 28-11-2012 van verdachte [verdachte] (V01) aan [medewerker] ([naam 2]) met de akkoord verklaringen. De mail betreft een antwoord van de mail van 27-11-2012 (pagina 479, 480)

12.

Een geschrift, zijnde een e-mailwisseling d.d. 28 en 29-08-2012 tussen getuige [getuige 5] en verdachte [verdachte] (V01). In de e-mail van 28-08-12 merkt getuige van [getuige 5] op dat het hoge saldo te betalen BTW komt doordat volgens de boekingen

€ 55.510,- betaald had moeten worden terwijl er daadwerkelijk per saldo € 9.449,- is ontvangen. Dit betreft het jaar 2011. (pagina 562, 563)

13.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 6], d.d. 25 februari 2015, zakelijk weergegeven als verklaring van de getuige inhoudende (blz. 629,

Vraag verbalisanten

U heeft een nadeelberekening omzetbelasting opgemaakt met betrekking tot de aangiften

omzetbelasting van de Fiscale eenheid [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. Tevens heeft u een berekening gemaakt met de verschillen per aangifte omzetbelasting over de periode 1e kwartaal 2009 tot en met 4e kwartaal 2013. Op basis waarvan heeft u deze berekeningen opgemaakt?

Antwoord getuige

"Op basis van zijn eigen boekhouding. lk bedoel de boekhouding van [bedrijf 1] BV.

De auditfiles heb ik via de email gekregen van [verdachte] . Aan de hand van de grootboekrekeningen omzetbelasting heb ik per kwartaal berekeningen gemaakt van de verschuldigde omzetbelasting die moest worden afgedragen en van de te claimen voorbelasting. Deze kwartaaloverzichten heb ik vergeleken met de ingediende aangiftes.

lk zag dat de auditfile die ik van [verdachte] had gekregen voor het jaar 2009 niet volledig was. lk constateerde dat de omzetten volgens die auditfile aanmerkelijk lager waren dan de omzetten volgens de kolommenbalans, c.q. het jaarrapport.

Vraag verbalisanten Wat zijn uw bevindingen?

Antwoord getuige

"1k zag dat er grote verschillen waren tussen de omzetbelasting die betaald moest worden volgens de administratie en de ingediende aangiften. Voor het jaar 2010 was het afdrachtverschil niet zo groot maar er werd wel geschoven. Met name in de voorbelasting werd er geschoven in het tweede en derde kwartaal. "

14.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 22 april 2015, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte inhoudende (blz. 718, 720);

" [getuige 3] heeft inderdaad tegen mij gezegd dat ik dat een suppletieaangifte omzetbelasting moest indienen. lk heb toen contact gezocht met [getuige 4] en hem gevraagd om eens naar de boekhouding te kijken. [getuige 3] zal dit in 2012 na de zomer tegen mij gezegd hebben.

"Natuurlijk is het besproken. lk weet niet meer of het op 12 juli 2012 was. Als het in dat bespreekverslag staat, dan moet ik dat aannemen. De vraag die toen gesteld werd bij de bespreking was waar het misging. Er is toen gesproken over de btw-schuld. lk heb toen tegen [getuige 3] gezegd dat ik mij over de schuld verbaasde. [getuige 3] zou het nog uitzoeken. Het was toen nog een concept. [getuige 3] en ik hebben de suppleties in juli 2012 wel besproken.

15.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4] , d.d. 4 maart 2015, zakelijk weergegeven als verklaring van de getuige inhoudende (blz. 612)

Toen ik in december 2011 de jaarrekening met [verdachte] doornam zei [verdachte] niet van een schuld aan omzetbelasting te weten. Toen (de rechtbank leest: “nadat”wij de jaarrekening bespraken wist hij het dus wel. U vraagt mij waarom in 2012, 2013 of 2014 niet alsnog een suppletieaangifte is ingediend. Toen wist [verdachte] er immers van? lk mag niet op eigen houtje suppletieaangifte omzetbelasting doen. [verdachte] heeft tegen mij verteld dat hij de suppletieaangiften niet indiende omdat hij de cijfers niet vertrouwde.

16.

Een geschrift zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 21 november 2014 ten name van [bedrijf 1] B.V. waaruit blijkt dat [bedrijf 2] B.V. enig aandeelhouder is. (Doc -011).

17.

Een geschrift zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 21 november 2014 ten name van [bedrijf 2] B.V. waaruit blijkt dat B.W. [verdachte] enig aandeelhouder en enig bestuurder is enig aandeelhouder is. (Doc -012).