Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4164

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
184425
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van weduwe tot afgifte van de door haar man geschilderde kopie van de Nachtwacht.

Gemeenschappelijk auteursrecht. Huwelijksgoederenrecht. Derdenbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/184425 / HA ZA 16-133

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J. Bisschop te Zwolle,

tegen

1. de vennootschap onder firma

CAFÉ-RESTAURANT-EXPO MADRID,

gevestigd te Dalfsen,

2. [gedaagde 1],

wonende te [plaats] ,

3. [gedaagde 2],

wonende te [plaats] ,

4. [gedaagde 3],

wonende te [plaats] ,

5. [gedaagde 4],

wonende te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.I. Veldhuis-Lampe te Meppel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juni 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2016 en de daarbij gevoegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] (hierna: de vennoten) exploiteren (thans) gezamenlijk de vennootschap onder firma Expo Madrid (hierna: Expo Madrid).

2.2.

[eiseres] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [X] . [X] is op 17 april 2014 overleden.

2.3.

[X] heeft bij testament van 20 juli 2007 beschikt over zijn nalatenschap. In zijn testament is onder meer bepaald dat zijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld en dat alle tot de nalatenschap behorende goederen door [eiseres] worden verkregen, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt. Voorts is [eiseres] als executeur benoemd.

2.4.

[X] was kunstschilder. Hij heeft in de periode van 1984 tot 1990 (onder meer) een kopie van het schilderij “De Nachtwacht” van Rembrandt van Rijn (hierna: de Nachtwacht) geschilderd. De Nachtwacht, tentoongesteld in het Rijksmuseum te Amsterdam, is kleiner dan het werk dat Rembrandt oorspronkelijk schilderde; van de zijkanten en de bovenkant van de oorspronkelijke Nachtwacht is in de loop der tijd een gedeelte verwijderd. De door [X] geschilderde kopie van De Nachtwacht (hierna: het schilderij) is op ware grootte van ongeveer 4m x 5m, waarbij een reconstructie is gemaakt van de oorspronkelijke, verwijderde boven- en zijkanten.

2.5.

Het schilderij is sinds 1 juli 1992 geëxposeerd bij Expo Madrid. Expo Madrid heeft daartoe in verband met de afmetingen van het schilderij een speciale expositieruimte laten bouwen. De kosten van de bouw van de uitbreiding van het zalencomplex van Expo Madrid bedroegen in 1992 NGL 560.250,-.

2.6.

Voor de expositie van het schilderij heeft Expo Madrid tot en met 1997 nimmer een vergoeding aan [X] betaald.

2.7.

In maart 1997 is een overeenkomst opgemaakt tussen [X] en “ [Y] ”. Deze luidt als volgt:

“Expo Madrid” Dalfsen , maart 1997

Betreft: verlenging bestaande overeenkomst
copie “Nachtwacht” (1/9 1992 – 30/6 1997)

In gezamenlijk overleg besloten het doek (met de zelfde voorwaarden) te laten staan tot 31/12/1997 tegen een bedrag ad fl. 5000.=, te voldoen op 1 juli 1997.

Vervolgens van 1 jan. 1998-31 dec. 1998 tegen betaling, op 1 juli 1998, van fl. 10.000=
Verlenging na 31/12 1998 mogelijk, kan elk jaar in september voorafgaande, besloten worden.

Zolang de copie “Nachtwacht” in Expo. Madrid staat zal [X] of zijn assistenten, exposities verzorgen.

Voor akkoord:
[Y] :
[volgt handtekening]
[X]
[volgt handtekening]

2.8.

Op een op 28 november 2000 gedateerd handgeschreven stuk staat het volgende:

Dalfsen , 28 nov. 2000
[naam 2] [de rechtbank begrijpt: [eiseres] ] het is wenselijk dat ik
(mede in verband met mijn kinderen)

per heden de “Nachtwacht” en alle andere
schilderijen aan jou schenk!
Vanaf vandaag ben je dus eigenaresse
van alle doeken.
Overleg t.z.t. maar even met [naam 3]
over de “Nachtwacht”, mogelijk kan de
onkosten/hangprijs omlaag.
Ik zou wel graag de doeken daar laten!

[in een ander lettertype:]
[X]
[adres 1]
. [plaats]
[volgt handtekening}
28/11 2000

2.9.

Op een op 1 oktober 2001 gedateerd handgeschreven stuk staat het volgende:

Betreft: overdracht cop. “Nachtwacht”

Indien nog 5 jaar de bepaalde betaling
plaats vindt (zie overeenkomst) vervalt het
eigendom na 2006 aan “Expo Madrid”
( [Y] )

Indien belangstelling voor het zelfportret
van “Rembrandt” alsmede de 2 ezels met schets-
doek, dan dient hiervoor Fl. 1000.= betaald te
moeten worden.

[plaats] , 1 oktober 2001
[volgt handtekening]
[X] ,

[adres 2]

[plaats] .

[in een lichtere kleur:]
1. N.B. Het doek mag t/m 2006 niet verkocht worden
anders dient 50% van de opbrengst aan mij
(of erven) betaald te worden.
2. Bij wisseling van eigenaar vervalt deze overeenkomst.
[volgt handtekening]

Er zijn drie versies van dit handgeschreven stuk van 1 oktober 2001, welke drie versies ter gelegenheid van de comparitie van partijen zijn geduid met “versie A”, “versie B” en “versie C”.

Versie A, met de hiervoor weergegeven inhoud, is “voor afschrift bij wijze van fotokopie” afgegeven door notaris mw. mr. K.J. Slurink-Spijker, opvolgend notaris van notaris mr H.H. Bulthuis, destijds betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van [X] .

Op versie B staat onder 1 in plaats van “betaald” “etaald” en staat achter de zinsnede “dan dient hiervoor Fl. 1000.= betaald te moeten worden” in een lichtere kleur vermeld: “455.= €”.

Op versie C ontbreekt de nummering 1 en 2 en de gehele tekst onder 2.
2.10. In de periode van 1997 tot 2006 heeft Expo Madrid een totaalbedrag van NLG 96.000,- aan [X] betaald; in 1997 een bedrag van NLG 5.000,00, vervolgens jaarlijks een bedrag van NLG 10.000,00, en tot slot in 2006 een bedrag van NLG 11.000,00.

2.11.

Ten tijde van het overlijden van [X] werden er naast het schilderij drieëntwintig andere schilderijen van [X] bij Expo Madrid geëxposeerd. Expo Madrid heeft in november 2014 twintig van die schilderijen aan [eiseres] afgegeven. Expo Madrid heeft het schilderij niet aan [eiseres] afgegeven, noch een kopie van het zelfportret van Rembrandt van Rijn met ezel, een schets met 33 figuren met daarop de namen van 18 personen die aan het schilderij “De Nachtwacht” hebben meebetaald, met ezel, en een kopie van Schelfhout met goudkleurige lijst (hierna gezamenlijk: de overige zaken).

2.12.

De advocaat van [eiseres] heeft (onder meer) bij brief van 2 december 2015 Expo Madrid gesommeerd alsnog het schilderij en de overige zaken aan [eiseres] af te geven. Daaraan is geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van Expo Madrid en haar vennoten tot
I afgifte aan [eiseres] van het schilderij en de overige zaken binnen twee dagen na betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom;
II te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiseres] het schilderij te openbaren of te verveelvoudigen, of straffe van een dwangsom;
III tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met rente en kosten.
IV tot betaling van de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat zij eigenaresse is van het schilderij en de overige zaken, respectievelijk dat zij als executeur bevoegd is om het schilderij en de overige zaken als goederen die tot de nalatenschap behoren op te vorderen. [eiseres] heeft daartoe kort gezegd het volgende aangevoerd. De onverdeelde helft van de eigendom van het schilderij behoorde reeds toe aan [eiseres] vanwege haar huwelijk in gemeenschap van goederen met [X] en door vererving heeft zij de volle eigendom verkregen, voor zover zij al niet de volle eigendom daarvan had als gevolg van eerdergenoemde schenking aan haar, blijkens het stuk van 28 november 2000.
Volgens [eiseres] was zij naast [X] maker van het schilderij, is er sprake van een gemeenschappelijk auteursrecht en komt “het” toe aan [X] en [eiseres] gezamenlijk. Voorts is het schilderij gevormd uit zaken die in gelijke delen eigendom van [X] en [eiseres] waren en waren de bijdragen van [X] en [eiseres] aan de vorming van de zaak qua omvang ongeveer gelijk, zodat zij het schilderij gezamenlijk hebben gevormd.

3.3.

Expo Madrid concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze af te wijzen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Auteursrecht op het schilderij

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat wanneer sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht op het schilderij, dat niet zonder meer met zich brengt dat [eiseres] thans nog eigenaar is van het schilderij. Ingeval van een gemeenschappelijk auteursrecht komt wel het exploitatieauteursrecht op het geheel toe aan de auteurs gezamenlijk, waarbij de exploitatie ervan ingevolge artikel 26 van de Auteurswet (Aw) en artikel 3:166 e.v. BW in beginsel de instemming van de betrokkenen behoeft. Gelet daarop en gelet op de vordering van [eiseres] onder II om Expo Madrid te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiseres] het schilderij te openbaren of te verveelvoudigen zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van een (mede aan) [eiseres] toekomend gemeenschappelijk auteursrecht.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 10 Aw komen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking werken die voldoende oorspronkelijk zijn en een eigen karakter hebben en die bovendien het persoonlijk stempel van de maker dragen. Dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan het werk van een ander. Om te voldoen aan de eis dat het werk het persoonlijk stempel van de maker moet dragen, moet sprake zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengselen zijn van de menselijke geest.

4.3.

Vast staat dat [X] de Nachtwacht heeft nageschilderd. Daarbij heeft [X] een reconstructie geschilderd van de verwijderde delen van de Nachtwacht. Ter comparitie heeft [eiseres] daaromtrent naar voren gebracht dat [X] en zij beschikten over een kleine foto van die verwijderde stukken (van de London Galery). Verder heeft [eiseres] ter comparitie naar voren gebracht dat [X] zijn eigen oog in plaats van het oog van Rembrandt heeft geschilderd en dat hij het schilderij met zijn eigen naam heeft ondertekend. Voor zover het schilderij daarmee een eigen, oorspronkelijk karakter en het persoonlijk stempel van [X] draagt, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat ook háár inbreng bij de totstandkoming van het schilderij eigen – scheppende – intellectuele keuzes van [eiseres] laat zien. [eiseres] heeft die intellectuele keuzes ook niet toegelicht en onderbouwd.


Zij heeft slechts gesteld dat zij aan het schilderij heeft bijgedragen (onder meer) door historisch onderzoek te doen naar wie en wat op de originele Nachtwacht waren/was afgebeeld, dat zij een reconstructie heeft gemaakt van de verwijderde delen van de Nachtwacht en aanwijzingen daaromtrent heeft gegeven aan [X] . Het enkele gegeven dat [eiseres] naar eigen zeggen tijd heeft geïnvesteerd, kennis ter beschikking heeft gesteld en aanwijzingen heeft gegeven vormt een onvoldoende onderbouwing, nu dit niet maakt dat sprake is van een oorspronkelijk karakter. Voor de vraag of een gemeenschappelijk auteursrecht is ontstaan, is beslissend of het werk is ontstaan door een zodanige samenwerking van de auteurs dat ieders afzonderlijke bijdrage niet meer te scheiden is, feitelijk niet meer vast te stellen is wie wat heeft gedaan, en buiten het verband van het geheel ook geen afzonderlijk voorwerp van beoordeling kan zijn. Die situatie doet zich niet voor, nu vast staat dat uitsluitend [X] het schilderij heeft geschilderd en heeft voorzien van zijn signatuur en [eiseres] niet heeft gesteld dat de beweerdelijk door haar gegeven instructies (mede) bepalend zijn geweest voor het daadwerkelijke resultaat. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een (tegen)bewijsopdracht in dit verband.

4.4.

Nu de vordering onder II is gebaseerd op het bestaan van een gemeenschappelijk auteursrecht waarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is, zal de vordering onder II worden afgewezen.

Vordering tot afgifte van het schilderij en de overige zaken

4.5.

[eiseres] heeft onder I afgifte van het schilderij en de overige zaken gevorderd op grond van haar primaire stelling dat zij daarvan eigena(a)r(esse) is. De stelplicht en eventuele bewijslast met betrekking tot de beweerde eigendomsrechten ligt in beginsel bij [eiseres] .

4.6.

Subsidiair heeft [eiseres] als executeur, naar de rechtbank begrijpt overeenkomstig artikel 4:183 BW, afgifte van het schilderij en de overige zaken gevorderd. Op grond van artikel 4:183 BW kan een erfgenaam de goederen van de nalatenschap met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. De stelplicht en eventuele bewijslast dat de opgevorderde goederen in een zodanige verhouding tot de erflater hebben gestaan dat kan worden aangenomen dat zij zich in de nalatenschap bevonden en dat de derde deze goederen zonder recht houdt ligt eveneens in beginsel bij [eiseres] .

4.7.

Expo Madrid heeft onderbouwd betwist dat [eiseres] eigenaar is van het schilderij en de overige zaken en voorts dat zij de opgevorderde goederen zonder enig recht houdt. Expo Madrid heeft daartoe aangevoerd dat zij het schilderij en de overige zaken bij (versie A van de) overeenkomst van 1 oktober 2001 van [X] heeft gekocht.

4.8.

Hoewel [eiseres] aanvankelijk de echtheid van de overeenkomst van 1 oktober 2001 heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat [eiseres] ter comparitie heeft erkend dat het handschrift op versie A en versie B van de overeenkomst van 1 oktober 2001 - welke versies vrijwel vergelijkbaar zijn en slechts op zeer kleine onderdelen van elkaar afwijken - van [X] is. [eiseres] heeft verklaard dat versie A “klopt” en overeenkomt met de kopie die zij van [X] heeft ontvangen op carbonpapier. Gelet daarop neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat [X] versies A en B van de overeenkomst van 1 oktober 2001 heeft opgesteld.
In het midden kan blijven of versie C van de overeenkomst van 1 oktober 2001 is gemanipuleerd en door wie dat is gebeurd.

4.9.

Het ter comparitie ingenomen standpunt van [eiseres] dat de overeenkomst van 1 oktober 2001 is opgesteld met de bedoeling dat [naam 3] enkel ingeval van een ramp waarbij [X] en [eiseres] zouden komen te overlijden, eigenaar zou worden van het schilderij, wordt gepasseerd. De door [eiseres] gestelde bedoeling strookt niet met de tekst van de overeenkomst van 1 oktober 2001, waarin immers staat vermeld dat ingeval nog vijf jaar de bepaalde betaling plaatsvindt de eigendom van het schilderij “vervalt” aan “Expo Madrid ( [Y] )” en dat bij belangstelling voor de overige zaken hiervoor FL 1000.- betaald moet worden. [eiseres] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit de door haar betoogde andersluidende bedoeling zou kunnen volgen.

4.10.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat [X] gelet op de schenking van 28 november 2000 aan [eiseres] niet beschikkingsbevoegd was, respectievelijk op grond van artikel 1:97 (oud) BW niet bestuursbevoegd was met betrekking tot (de vervreemding van) het schilderij. Expo Madrid heeft de echtheid van het document van 28 november 2000 betwist en voorts een beroep gedaan op de beschermende werking van artikel 3:86 BW.

4.11.

Indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat het schilderij op grond van de akte van 28 november 2000 aan [eiseres] is geschonken en daarmee op grond van artikel 1:94 (oud) BW tot het privé-vermogen van [eiseres] is gaan behoren, komt Expo Madrid naar het oordeel van de rechtbank een beroep toe op de beschermende werking van artikel 3:86 BW. Anders dan [eiseres] veronderstelt, is sprake van een geldige titel voortvloeiende uit de koopovereenkomst van 1 oktober 2001 en levering. Verder heeft de verkrijging van het schilderij en de overige zaken “anders dan om niet” plaatsgevonden, nu Expo Madrid conform de overeenkomst van 1 oktober 2001 de vermelde jaarlijkse termijnen met betrekking tot het schilderij en in 2006 het aanvullende bedrag van NGL 1.000,- voor de overige zaken heeft voldaan. Voorts kan Expo Madrid als verkrijger te goeder trouw worden aangemerkt. De omstandigheden dat [X] de schilder was van het schilderij, met betrekking tot het schilderij en de overige zaken de contacten met Expo Madrid heeft onderhouden, de expositieovereenkomst van maart 1997 met Expo Madrid is aangegaan en over de periode van 1997 tot 2006 betalingen ter zake het schilderij en de overige zaken van Expo Madrid heeft ontvangen, rechtvaardigen dat Expo Madrid [X] voor beschikkingsbevoegd mocht houden. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of het schenkingsdocument authentiek is. In het andere geval (dat geen sprake is geweest van voormelde schenking) moet het ervoor worden gehouden dat het schilderij en de overige zaken in de huwelijksgemeenschap van goederen vielen. [eiseres] heeft onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd waarom [X] op grond van artikel 1:97 (oud) BW niet bestuurs- respectievelijk beschikkingsbevoegd was met betrekking tot (het vervreemden van) het schilderij. Onder oud recht gold immers als hoofdregel dat de echtgenoot van wiens zijde het goed in de huwelijksgemeenschap is gevallen bestuursbevoegd en dus beschikkingsbevoegd was. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [X] maker was van het schilderij. Op grond daarvan kan worden aangenomen dat [X] de goederen bestuurde die zijn vervangen met het maken van het schilderij, waarmee eveneens het schilderij onder het bestuur van [X] is gekomen.

Overigens zou Expo Madrid ingeval van bestuursonbevoegdheid van [X] overeenkomstig de hiervoor in het kader van artikel 3:86 BW genoemde omstandigheden ook krachtens artikel 1:92 (oud) BW derdenbescherming toekomen.

4.12.

[eiseres] heeft verder betoogd dat de overeenkomst van 1 oktober 2001 is vervallen, omdat gedaagden niet degenen zijn met wie [X] de overeenkomst heeft gesloten en aldus sprake is geweest van “wisseling van eigenaar”, terwijl in de overeenkomst is bepaald dat in dat geval “de overeenkomst vervalt”. Expo Madrid heeft daaromtrent aangevoerd dat geen sprake is geweest van een wisseling van eigenaar. Ter comparitie is van de zijde van Expo Madrid toegelicht dat [gedaagde 1] vanaf 2002, na uittreding van zijn moeder [Z] , het bedrijf als eenmanszaak heeft voortgezet en dat hij het bedrijf vervolgens vanaf 2010 heeft voortgezet als v.o.f. waarbij in 2010 zijn echtgenote [gedaagde 2] is toegetreden en in 2013 zijn kinderen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als medevennoten zijn toegetreden.

4.13.

Voor de uitleg van de bepaling sub 2 in (versies A en B van) de overeenkomst van 1 oktober 2001 komt het (eveneens) aan op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. De rechtbank begrijpt de door [eiseres] verdedigde uitleg aldus dat met het bepaalde sub 2 is bedoeld dat (ook) wanneer sprake is van andere vennoten dan degene met wie [X] de overeenkomst is aangegaan sprake is van een “wisseling van eigenaar”, terwijl in dat geval is beoogd de eigendom te doen terugvallen aan [X] (of diens erven), danwel de eigendomsoverdracht te doen vervallen. De rechtbank constateert dat die uitleg zich niet goed verhoudt met de tekst van de bepaling sub 1 waarin juist is bepaald, dat ingeval van verkoop 50% van de opbrengst aan [X] (of erven) betaald moet worden. Daarbij komt dat nu de eigendomsoverdracht aan “Expo Madrid ( [Y] )” heeft plaatsgevonden, niet zonder meer valt in te zien dat met “wisseling van eigenaar” óók is bedoeld het wijzigen van de (vennootschaps)vorm van Expo Madrid door het uittreden van [Z] in 2002 en het vervolgens in 2010 toetreden van de echtgenoot van [gedaagde 1] en het in 2013 toetreden hun twee kinderen. De rechtbank betrekt daarbij dat [X] noch na het uittreden van [Z] in 2002 zich heeft beroepen op het “vervallen van de overeenkomst” en verdere betalingen uit hoofde van de overeenkomst in ontvangst heeft genomen, noch in het in 2010 en 2013 toetreden van familieleden van [gedaagde 1] aanleiding heeft gezien om de eigendom van het schilderij en de overige zaken op te eisen. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de door haar verdedigde uitleg kunnen dragen.

4.14.

[eiseres] heeft zich tot slot nog beroepen op de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst van 1 oktober 2001 bij brief van 2 december 2015 op grond van artikel 1:88 lid 1 sub b en sub d BW en artikel 1:89 lid 1 BW. [eiseres] voert daartoe aan dat sprake is geweest van koop op afbetaling danwel van een gift, gelet op de wanverhouding tussen enerzijds de waarde van en de investering in tijd en middelen in het schilderij en anderzijds de prijs die gedaagden daarvoor hebben betaald.

4.15.

Met Expo Madrid is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] geen beroep toekomt op artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Artikel 1:88 BW beoogt echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien de aard daarvan benadelend zijn of een groot financieel risico met zich brengen.

Het aangaan van een koop op afbetaling wordt overeenkomstig artikel 1:88 lid 1 sub d BW als een zodanige risicovolle handeling gezien, maar van een zodanige risicovolle handeling is geen sprake wanneer, zoals in dit geval, de echtgenoot is opgetreden als verkoper in plaats van koper. Expo Madrid heeft betwist dat sprake is geweest van een gift, nu zij een bedrag van bijna NGL 100.000,- voor het schilderij en de overige zaken heeft betaald. Het had gelet daarop op de weg van [eiseres] gelegen om nader te onderbouwen dat sprake is geweest van een bovenmatige materiële bevoordeling van Expo Madrid.

4.16.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij eigenaresse van het schilderij en de overige zaken is, respectievelijk dat haar een beter recht op het schilderij en de overige zaken toekomt dan Expo Madrid. De rechtbank komt tot de slotsom dat ook het gevorderde onder I en daarmee eveneens het gevorderde onder III en IV moet worden afgewezen.

4.17.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Café-Restaurant-Expo Madrid worden begroot op:
- griffierecht 1.929,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.833,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Café-Restaurant-Expo Madrid tot op heden begroot op € 2.833,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.1

1 type: coll: