Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4156

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
5365872 \ HA VERZ 16-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen ontbinding arbeidsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1208
AR 2016/3118

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5365872 \ HA VERZ 16-120

Beschikking van de kantonrechter van 24 oktober 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te Deventer,

verzoekende partij, hierna te noemen werknemer,

gemachtigde: H.H. de Boef ,

tegen

DE VERENIGING VAN EIGENAARS SERVICEFLAT BEECKESTEIN TE DEVENTER,

gevestigd te Deventer,

verwerende partij, hierna te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. F.M. Schmitz.

1 De procedure

1.1.

Werknemer heeft – kort samengevat – een verzoek gedaan om (1) de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden onder toekenning van een billijke vergoeding en de wettelijke transitievergoeding, alsmede om (2) werkgever te veroordelen tot betaling van niet betaald loon (piketvergoeding), vakantiebijslag over de piketvergoeding, uitkering van vakantieaanspraken, de resterende eindejaarsuitkering over 2016, met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, alsmede om (3) een verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden met veroordeling van werkgever tot betaling van de schade nader op te maken bij staat.

1.2.

Werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 10 oktober 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben werknemer en werkgever, ieder bij brief van 3 oktober 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Werkgever is een vereniging van eigenaars van serviceflat Beeckestein, die zich ertoe heeft verbonden diverse voorzieningen, waaronder (technisch) onderhoud van het complex, voor bewoners en medewerkers te faciliteren.

2.3.

Werknemer, geboren op 8 maart 1959, is op 1 december 2008 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgever. De functie die werknemer vervulde, is die van huismeester/technisch medewerker, met een salaris van € 3.033,89 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. De overeengekomen omvang van het dienstverband bedroeg aanvankelijk 40 uren per week, per 1 januari 2015 38 uren per week en per 1 januari 2016 36 uren per week.

2.4.

Volgens de functieomschrijving is werknemer in zijn hoedanigheid van huismeester belast met het dagelijks en technisch beheer van het complex met bijbehorende terreinen – onder meer bevattende 110 appartementen, een omliggende tuin, gemeenschappelijke ruimten, bergingen en een parkeergarage.

2.5.

De Regeling Arbeidsvoorwaarden maken onderdeel uit van arbeidsovereenkomst die tussen partijen bestaat. In artikel 14 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden bepaalt:

Artikel 14. Bereikbaarheidsdienst

1. Onder de bereikbaarheidsdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer buiten vastgestelde werktijd zich perioden in zijn vrije tijd bereikbaar moet houden voor het verstrekken van adviezen of het daadwerkelijk assisteren bij werkzaamheden van onvoorziene en spoedeisende aard.

2. (…)

3. De werknemer, die zich bereikbaar houdt op de wijze als bedoeld in lid 1. van dit artikel, ontvangt daarvoor een compensatie of in vrije tijd of in geld. Deze laatste keus naar het oordeel van de directeur. Deze compensatie bedraagt voor élk vol etmaal op maandag t/m vrijdag één uur en op een zaterdag, zondag, feest- of gedenkdagen twee uur.

2.6.

De reguliere werktijd lag van maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 en 16.30 uur, met tussen de middag een half uur pauze. Daarnaast had werknemer een bereikbaarheidsverplichting inhoudende dat werknemer 24 uur per dag, 7 dagen per week, inclusief vakanties en feestdagen, oproepbaar moest zijn voor calamiteiten bij werkgever. Werknemer was de enige huismeester in dienst van werkgever.

2.7.

Werknemer ontvangt vanaf oktober 2010 een vaste piketvergoeding van € 169,92 bruto per maand.

2.8.

Op 8 augustus 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld.

2.9.

Vanaf 1 januari 2015 is werkgever gestopt met de uitkering van de vaste piketvergoeding.

2.10.

Bij beschikking van het UWV d.d. 25 mei 2016 is aan werknemer vanaf 5 augustus 2016 een WIA-uitkering toegekend bij volledige arbeidsongeschiktheid.

3 Het verzoek

3.1.

Werknemer verzoekt ingevolge artikel 7:671c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met werkgever te ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

3.2.

Aan dit verzoek legt werknemer het volgende ten grondslag.

3.3.

Werknemer is ziek uitgevallen in verband met lichamelijke en geestelijke klachten ten gevolgde van hevige spanningen en stress. Werknemer is als enige huismeester belast geweest met een aanzienlijk takenpakket. Terwijl hij nog bezig was met afronding van oude opdrachten dienden diverse nieuwe onderhoudstaken zich alweer aan, waarvoor bewoners frequent de werkruimte van werknemer binnenliepen. Een voorstel van werknemer om bewoners nog slechts schriftelijk hun opdrachten te laten inleveren, heeft niet tot verbetering geleid. De druk op werknemer nam nog toe na het behalen van een diploma voor het beheer van een nieuwe brandmeldinstallatie op 28 september 2009 en doordat werknemer werd gevraagd om de tuinen van het complex te onderhouden, na doorgevoerde bezuinigingen op de hoveniersdienst medio oktober 2011. Dit laatste is als gevolg van ziekte van werknemer nooit uitgevoerd.
Met name ook het continu beschikbaar zijn voor bereikbaarheidsdiensten heeft veel van werknemer gevergd. Sinds 2011 begon dit meer ernstige vormen aan te nemen en kreeg werknemer verschijnselen van stress wanneer hij buiten werktijd werd gebeld. Sinds 2011, toen werknemer zich op advies van de huisarts 3 weken ziek had gemeld, volgden ziekteperiodes van 3 dagen of meer zich frequenter op. Als werknemer de werkdruk ter sprake bracht, vond werkgever dat het wel meeviel en dat de bereikbaarheidsdiensten een wezenlijk onderdeel van de functie uitmaakten. Behoudens in 2009 zijn er met werknemer nooit functioneringsgesprekken gevoerd. Op werkgever rust de zorgplicht om maatregelen te treffen om te voorkomen dat werknemer schade lijdt. Ondanks dat werknemer vaker uitviel door ziekte en hij de zwaarte van de piketverplichting en de overige werkzaamheden bij werkgever ter sprake bracht, heeft werkgever dergelijke voorzorgsmaatregelen niet getroffen en ook geen functioneringsgesprekken gevoerd.
Op een werkgever rust een plicht om maatregelen te treffen ter voorkoming van te hoge psychosociale arbeidsbelasting. Werkgever heeft haar verplichtingen op grond van de Arbeidstijdenwet niet nageleefd, meer in het bijzonder niet de in artikel 5:9 van de Arbeidstijdenwet opgenomen regels met betrekking tot consignatiediensten.
Dit heeft geleid tot psychosociale overbelasting bij werknemer, resulterend in stress met psychisch en lichamelijk letsel, in de vorm van onder meer een depressieve stoornis, waarvoor werknemer thans wordt behandeld.

Werknemer stelt dat hij soortgelijk klachten nooit eerder heeft gehad en dat er geen indicaties zijn dat privéomstandigheden hebben bijgedragen aan het huidige ziektebeeld. Nu de specifieke regels die werkgever heeft geschonden juist zijn geschreven om werknemer te beschermen tegen dit soort schade, is de causaliteit tussen de geschonden norm en de geleden schade in beginsel gegeven. Met een beroep op de omkeringsregel stelt werknemer zich op het standpunt dat werkgever moet bewijzen dat het ziektebeeld van werknemer niet is veroorzaakt doordat werkgever zijn verplichting niet in acht heeft genomen.

Ook tijdens de huidige ziekteperiode bleef werkgever onevenredige druk op werknemer uitoefenen met onredelijke controlevoorschriften en de verplichting om éénmaal per week koffie drinken met collega’s op de werkplek. Werkgever heeft de re-integratie op onzorgvuldige wijze laten verlopen.

3.4.

Werknemer acht in hiervoor genoemde omstandigheden, alsmede het niet nakomen van betalingsverplichtingen, een reden gelegen om de arbeidsovereenkomst tussen de partij spoedig te ontbinden met toekenning van een compensatie in de vorm van een billijke vergoeding naast de wettelijke transitievergoeding.

Tevens is werkgever op grond daarvan aansprakelijk voor de gezondheidsschade bij werknemer in de vorm van decompensatie, althans geen merkbare rehabilitatie ten gevolge van een onzorgvuldig verlopen re-integratie.

3.5.

De vaste piketvergoeding van € 169,92 bruto moet als een vast loonbestanddeel worden aangemerkt, die ook tijdens ziekte van werknemer moet worden doorbetaald. Bij eerdere (langdurige) ziekmeldingen is doorbetaling van de piketvergoeding ook de bestendige gedragslijn van werkgever geweest. Dit vloeit voort uit het feit dat de piketvergoeding een vast bedrag per maand bedraagt, die onafhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid en/of het aantal oproepingen. Dit is middels een aanvullende arbeidsovereenkomst sinds 2010 onderdeel gaan uitmaken van de rechtsverhouding van partijen, waarvan werkgever niet eenzijdig heeft mogen afwijken. Subsidiair baseert werknemer het verzoek tot doorbetaling van de piketvergoeding op goed werkgeverschap (art. 7:611 BW).

3.6.

Werknemer maakt aanspraak op uitbetaling van vakantiedagen tot een bedrag van het loon over een tijdvlak overeenkomend met de aanspraak op vakantiedagen. Gedurende zijn ziekte heeft werknemer geen vakantiedagen kunnen opnemen. Hij was 100% arbeidsongeschikt gedurende 104 weken. Volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie kan dan van verval van vakantiedagen geen sprake zijn.

3.7.

De vakantiebijslag dient ook over de vaste piketvergoeding te worden berekend, omdat deze vergoeding onderdeel uitmaakt van het loon volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM).

3.8.

Werknemer stelt werkgever aansprakelijk voor geleden en nog te lijden schade, primair op grond van art. 7:658 BW (werkgeversaansprakelijkheid) en subsidiair op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap). Werkgever is jegens werknemer tekort geschoten in zijn zorgplicht.

4 Het verweer

4.1.

Werkgever verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzoeken alle dienen te worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Werkgever stelt zich allereerst op het standpunt dat voor een verzoek op grond van art. 7:671c BW sprake moet zijn van omstandigheden zijn die een dringende reden opleveren of van een wijziging van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na een korte tijd behoort te eindigen. Volgens werkgever is er echter na de beëindiging van de loondoorbetalingsverplichting op 5 augustus 2016 geen sprake geweest van een verandering van omstandigheden die die conclusie zou kunnen rechtvaardigen.

4.3.

Werkgever stelt zich voorts op het standpunt, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, dat in een ontbindingsprocedure als de onderhavige niet ook een verzoek kan worden gedaan om een verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is op grond van art. 7:658 of 7:611 BW. Werkgever concludeert dat de vordering in zoverre niet ontvankelijk zijn.

4.4.

Werkgever betwist dat het huidige ziektebeeld van werknemer te wijten is aan het feit dat hij zijn verplichtingen als werkgever zou hebben verzaakt. Werkgever stelt dat werknemer al voor aanvang van het dienstverband te kampen had met psychische klachten en een beperkte belastbaarheid kende. Het takenpakket van werknemer was niet als “aanzienlijk” te kwalificeren en dat werknemer het als aanzienlijk heeft ervaren heeft hij nooit eenduidig met werkgever gecommuniceerd. Zolang er een financiële tegemoetkoming tegenover stond waren de bereikbaarheidsdiensten voor werknemer acceptabel.

Werkgever betwist dan ook dat er grond bestaat om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, alsmede dat er grond zou bestaan om werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 en/of art. 7:611 BW aan te nemen. Aanwijzingen voor een causaal verband tussen het ziektebeeld van werknemer en het handelen en/of nalaten van werkgever, ontbreken.

4.5.

Werkgever betwist dat de piketvergoeding een vast onderdeel van het loon is geworden. Blijkens de aanvullende overeenkomst in oktober 2010 was de piketvergoeding jaarlijks afhankelijk gemaakt van toestemming van de algemene ledenvergadering (ALV), werd deze op de loonstrook steeds apart gespecificeerd en hield deze vergoeding steeds mede een onkostenvergoeding in voor het gebruik van de eigen telefoon. De ALV heeft tot 31 december 2014 toestemming gegeven voor een piketvergoeding en deze vanaf 1 januari 2015 niet meer gehandhaafd. Werknemer kan vanaf dat moment voor de bereikbaarheidsdiensten een beroep doen op artikel 14 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden Serviceflat Beeckestein Deventer, inhoudende een vergoeding van tijd voor tijd. Werkgever stelt zich voorts op het standpunt dat art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) geen grondslag biedt voor een financiële piketvergoeding. Hieruit volgt ook dat werknemer over de piketvergoeding geen recht heeft op de wettelijke verhoging of de wettelijke rente en dat de WMM hierop niet van toepassing is.

4.6.

De berekening van werknemer van de niet genoten vakantiedagen is onjuist. In 2014 zijn 31,55 vakantie-uren uitbetaald. Voorts blijkt uit geen enkele bewijsstuk dat werknemer om medische redenen niet in staat is geweest om vakantiedagen op te nemen voordat deze op grond van art. 7:640a BW binnen een termijn van 6 maanden zouden vervallen. Uit de overgelegde maandstaten met betrekking tot de maanden juli en augustus 2014 blijkt dat werknemer vlak voor zijn arbeidsongeschiktheid nog wel in staat was vakantiedagen op te nemen. Uit het re-integratiedossier blijkt dat werknemer door zijn arbeidsongeschiktheid niet bedlegerig was of anderszins aan huis gebonden. Hij kan geacht worden in staat te zijn geweest om gedurende zijn arbeidsongeschiktheid vakantiedagen op te nemen voordat zij zouden vervallen.
Werkgever erkent wel dat hij bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen over het verschuldigde bedrag ook 8% vakantietoeslag verschuldigd is.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan werknemer een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de door werknemer ervaren werkdruk, die heeft geresulteerd in een inmiddels al meer dan twee jaren durende psychische stoornis, en een re-integratietraject waarin werknemer niet belastbaar bleek voor enig werk of re-integratie, (nu nog) omstandigheden opleveren die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

De kantonrechter komt tot het oordeel dat van dergelijke omstandigheden thans onvoldoende is gebleken.

5.3.

Redengevend daarvoor is in de eerste plaats dat onvoldoende is komen vast te staan dat de door werknemer ervaren werkdruk door werkgever ook zo is opgelegd, hoezeer de kantonrechter wel van oordeel is dat werkgever heeft overvraagd door met werknemer een 24/7 bereikbaarheid af te spreken. Wat werknemer over de werkdruk heeft aangevoerd, maar door werkgever is ontkend, wordt niet op enigerlei wijze bevestigd. En werknemer heeft ook geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan. Daartegenover heeft werkgever wel een verklaring van de nieuwe huismeester [X] overgelegd, waarin deze verklaart dat hij zijn takenpakket goed aankan. Voorts heeft werkgever maandstaten van januari t/m juli 2014 overgelegd met betrekking tot werknemer, waaruit allerminst blijkt dat de belasting voor werknemer buiten de reguliere werktijden bovenmatig is geweest. Verder valt het de kantonrechter op dat uit het verslag van het functioneringsgesprek in 2009 blijkt, dat het omgaan met de werkdruk wel een aandachtspunt en gespreksonderwerp is tussen werknemer en de toenmalige directeur. Ook uit de aanvulling op de arbeidsovereenkomst d.d. 8 oktober 2010 blijkt dat de directeur en het bestuur welwillend staan tegenover de behoeftes van werknemer op het punt van de werkdruk. Het bevreemdt de kantonrechter dan, dat uit niets blijkt dat werknemer de door hem als te zwaar ervaren werkdruk vruchteloos bij het bestuur of de directie zou hebben aangekaart. Hoewel het aan de andere kant wel weer te denken geeft dat de huidige directrice [Y] , blijkens het gespreksverslag van de ontmoeting op 13 november 2014 (productie 19 bij verzoekschrift), toen werknemer eenmaal ziek was uitgevallen, niet bereid bleek over het stopzetten van die 24/7 bereikbaarheid te willen praten, maar dit – geheel ten onrechte – als een “wezenlijk onderdeel” van de functie op te vatten.
Afwegende is de kantonrechter al met al van oordeel dat werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat werkgever hem een onverantwoord hoge werkdruk heeft opgelegd, hoe werknemer deze dan ook mag hebben ervaren en hoezeer een 24/7 bereikbaarheid indruist tegen de in de eigen Regeling Arbeidsvoorwaarden opgenomen regeling en de wettelijke regeling in de Arbeidstijdenwet. Dat de tussen partijen afgesproken 24/7 bereikbaarheid met deze regelingen op gespannen voet staat, rechtvaardigt nog niet meteen de conclusie dat werkgever een onverantwoorde werkdruk heeft opgelegd.
De omkeringsregel met betrekking tot het bewijs van het causale verband tussen de opgelegde werkdruk en de huidige arbeidsongeschiktheid van werknemer komt daarmee niet aan de orde.

5.4.

Het voorgaande wordt niet anders doordat werknemer naast de werkdruk ook nog heeft aangevoerd dat werkgever tijdens de re-integratieperiode een onevenredige druk op werknemer heeft uitgeoefend met onredelijke controlevoorschriften en de verplichting om éénmaal per week op het werk koffie te komen drinken. Ook hiervoor geldt dat door niets wordt bevestigd dat werkgever in zijn verplichtingen tijdens het re-integratieproces is tekortgeschoten en dat werkgever door vast te houden aan de koffiemomenten op het werk een disproportionele druk op werknemer heeft gelegd. In de beslissing d.d. 25 mei 2016 heeft het UWV geconcludeerd dat werkgever voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van werknemer. Daar is misschien niet alles mee gezegd, maar werknemer moet dan wel met meer komen.
Ook het geschil omtrent de betalingsverplichtingen levert geen omstandigheid op die ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan rechtvaardigen, ook niet in combinatie met de eerder genoemde omstandigheden.

5.5.

Voorgaande overwegingen leiden ertoe dat het verzoek sub I wordt afgewezen.

De piketvergoeding

5.6.

De vraag is of de vaste piketvergoeding van € 169,92 bruto per maand als een vast bestanddeel van het loon moet worden aangemerkt, dat bij ziekte ingevolge art. 7:629 BW moet worden doorbetaald.

5.7.

Het recht op deze piketvergoeding is vastgelegd in een brief d.d. 8 oktober 2010 van de toenmalige directeur namens het verenigingsbestuur, in de kop waarvan staat vermeld: “Aanvulling arbeidsovereenkomst [verzoeker] ” en “Voorlopige beschikbaarheidstoeslag”. In de laatste alinea staat onder meer het volgende vermeld:
“In de bestuursvergadering van 7 oktober 2010 is door het bestuur besloten om voor [verzoeker] toch een (voorlopige) beschikbaarheidstoeslag toe te kennen voor de periode van okt. t/m dec. 2010 van ongeveer € 100 netto per maand. (…) Deze beschikbaarheidstoeslag is inclusief vergoeding voor het eventueel gebruik van een privé telefoon en de verplichting om buiten werktijd bereikbaar en beschikbaar te zijn voor storingen en calamiteiten.
In de ALV zal dan met de ingediende begroting voor 2011 door de ALV goedkeuring moeten worden gegeven voor een toeslag in 2011.” Deze brief is door beide partijen getekend.

De kantonrechter is van oordeel dat werknemer op grond hiervan niet een onvoorwaardelijk recht op een piketvergoeding voor onbepaalde tijd heeft gekregen. Uit de tekst blijkt duidelijk dat dit voor het jaar 2011 afhankelijk is gemaakt van toestemming van de ALV. Dat die toestemming er wel is gekomen, blijkt uit het feit dat werknemer na 1 januari 2011 steeds die piketvergoeding is blijven ontvangen.
Uit artikel 3:37 BW volgt dat rechtshandelingen door verklaringen worden geopenbaard, maar dat die verklaringen ook in gedragingen – zoals in dit geval het maandelijks blijven uitbetalen van de piketvergoeding – besloten kunnen liggen. De vraag waar het in deze kwestie nu om gaat is, of werknemer uit het feit dat werkgever hem niet alleen in 2011, maar ook 2012, 2013 en 2014 onafgebroken een vaste maandelijkse piketvergoeding van € 169,92 bruto heeft betaald, heeft mogen begrijpen dat hij een onvoorwaardelijk recht op die vaste piketvergoeding had gekregen, en wel voor onbepaalde tijd. Indien die vraag positief kan worden beantwoord, kan werkgever op grond van art. 3:35 BW er geen beroep op doen dat dat nooit de bedoeling is geweest.

De kantonrechter is echter van oordeel dat werknemer onder de gegeven omstandigheden aan het feit dat hij al die jaren een vaste maandelijkse piketvergoeding ontving niet de betekenis heeft mogen toekennen dat hij daarop een onvoorwaardelijk recht had gekregen voor onbepaalde tijd. Redengevend daarvoor is voor de kantonrechter dat in voornoemde brief d.d. 8 oktober 2010 slechts gesproken wordt over het jaar 2011, en dat de piketvergoeding in dat jaar nadrukkelijk afhankelijk is gemaakt van toestemming van de ALV. Het ligt dan in de rede om te veronderstellen dat in de daarop volgende jaren de vaste piketvergoeding steeds evenzeer van toestemming van de ALV afhankelijk is geweest. Bovendien is in artikel 14 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden bepaald dat de compensatie voor bereikbaarheidsdiensten “in vrije tijd of in geld” zou plaatsvinden; naar keuze van de directeur weliswaar, en dus niet van de ALV, maar hoe dan ook duidt dit niet op een onvoorwaardelijk recht op een uitkering in geld. Dat die keuze dan in 2015 anders is komen te liggen, valt in het kader van artikel 14 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden te billijken. Uiteraard is daarmee de verplichting voor werknemer om 24/7 bereikbaar te zijn voor storingen en calamiteiten eveneens komen te vervallen en zal werkgever de huismeester ook overeenkomstig artikel 14 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden voor bereikbaarheidsdiensten moeten inzetten: maximaal 7 etmalen per 28 dagen.

5.8.

Goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) brengt met zich mee dat werkgever over het recht op de piketvergoeding destijds veel duidelijker had moeten communiceren. Maar het schept uit zichzelf geen verplichting om de maandelijkse uitkering van de vaste piketvergoeding te continueren.

5.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek tot uitbetaling van de niet uitgekeerde piketvergoeding dient te worden afgewezen. Hetzelfde geldt dan voor de over dat bedrag uit te keren vakantietoeslag, wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Aanspraak op vakantie-uren

5.10

Nu hiervoor is geoordeeld dat er geen sprake is van omstandigheden die de kantonrechter reden geven om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, en er dus nog geen einde komt aan de arbeidsrelatie, kan werknemer thans ook nog geen recht doen gelden op een uitkering in geld voor niet genoten vakantie-uren op grond van art. 7:641 BW. Ook dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Eindejaarsuitkering over 2016

5.11.

Onbestreden is dat werkgever gedurende de gehele duur van de arbeidsovereenkomst jaarlijks aan alle medewerkers een eindejaarsuitkering van 5% uitkeert en dat op de salarisspecificaties over 2016 ook een reservering daarvoor staat vermeld. Hoezeer werkgever daarbij ieder jaar weer vermeld dat het geen vast bestanddeel van het salaris vormt, is de kantonrechter van oordeel dat het – zeker tegen de achtergrond van jaarlijkse gewoonte – tegen iedere redelijkheid indruist om, als je op de salarisspecificatie wel vermeld dat er voor de eindejaarsuitkering wordt gereserveerd, die eindejaarsuitkering uiteindelijk toch niet uitkeert. De kantonrechter zal dit verzoek daarom toewijzen.

Aansprakelijkheid werkgever

5.12

Uit hetgeen hiervoor onder 5.1. t/m 5.4. is overwogen volgt dat het verzoek om een verklaring voor recht dat werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor door werknemer geleden en nog te lijden schade, zal worden afgewezen. Of zo’n verzoek überhaupt in het kader van art. 7:686a lid 3 BW kan worden behandeld, behoeft dan geen verdere bespreking.

Proceskosten

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van werknemer, omdat hij voor het grootste gedeelte in het ongelijk wordt gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt werkgever tot betaling van de resterende eindejaarsuitkering opgebouwd over 2016;

6.2.

wijst de overige verzoeken af;

6.3.

veroordeelt werknemer tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van werkgever tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2016.