Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4137

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
08/952186-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen uit Enschede zijn veroordeeld tot een celstraf van 4 jaar voor het gooien van molotovcocktails naar een moskee in Enschede. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de mannen daar een terroristisch oogmerk bij hadden. Zij wilden namelijk met geweld de gemeente Enschede en de moslimgemeenschap angst aanjagen om er voor te zorgen dat er geen asielzoekerscentrum zou komen in die stad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952186-16

Datum vonnis: 27 oktober 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in P.I. Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere afdeling te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 en 30 september 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.G. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1A: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, geprobeerd heeft brand te stichten aan een moskee;

feit 1B: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, brand heeft gesticht op een bij een moskee gelegen grasveld;

feit 2A: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, voorbereidingen heeft getroffen voor een brandstichting aan een moskee;

feit 2B: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, heeft samengespannen tot brandstichting aan een moskee, dan wel (subsidiair)

feit 2C: ter voorbereiding van brandstichting, samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, molotovcocktails heeft gemaakt en in bezit heeft gehad.

feit 3: 99 pillen, bevattende 2C-B heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

A) (medeplegen van een poging tot brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/op/aan een moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), terwijl daarvan gemeen gevaar voor die moskee, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bezoekers/medewerkers van die moskee en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bezoekers/medewerkers van die moskee, althans voor een ander of anderen, te duchten was,

met dat opzet met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

  • -

    één of meer molotovcocktails, althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben gemaakt, en/of

  • -

    (vervolgens) met één of meer molotovcocktails, althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar de moskee is/zijn gegaan, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben aangestoken, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben gegooid naar/in de richting van de moskee,

in elk geval open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof,

begaan met een terroristisch oogmerk,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 45 jo 47 jo 157 lid 1 en 2 jo 176a Wetboek van Strafrecht)

EN/OF

B) (medeplegen van voltooide brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk brand heeft gesticht op een grasveld bij de moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s):

  • -

    molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, gegooid naar/in de richting van de moskee,

ten gevolge waarvan dat grasveld geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat grasveld en/of de daaraan grenzende beplanting/coniferenhaag en/of de buitenmuur van de moskee, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk;

(artikel 47 jo 157 lid 1 jo 176a Wetboek van Strafrecht)

2

A) ( voorbereiding/bevordering in de zin van art 96 lid 2 Sr)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om:

opzettelijk brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn en/of dit feit iemands dood ten gevolge zou hebben, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

> een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

> gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of

> voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en/of

> plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) met voormeld oogmerk:

  1. het ideologisch gedachtengoed van het fascisme en/of nationaalsocialisme, althans van het rechts-extremisme, bestudeerd, gedeeld, uitgedragen en/of verheerlijkt, en/of

  2. de persoon van Adolf Hitler verheerlijkt en/of zijn historische betekenis uitgedragen, en/of

  3. de Afrikaner Weerstandsbeweging en/of Waffen SS en/of Ku Klux Klan verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

  4. e superioriteit van het ‘blanke ras’ uitgedragen, en/of

  5. in een (of meerdere) (groeps)app(s) het navolgende uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen:

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”, en/of

- een afbeelding van een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”, en/of

- een afbeelding van Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”, en/of

- een afbeelding van het concentratiekamp Auschwitz met als bijschrift “plaats vrijmaken voor vluchtelingen? Auschwitz staat momenteel leeg!”, en/of

- een afbeelding van een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, en/of

- een afbeelding van een persoon met een brandende fakkel in zijn hand en als bijschriften: “eigen volk eerst” en/of “A.C.A.B.”, en/of

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….,die habe ich vergessen!”, en/of

- een afbeelding van een adelaar met hakenkruis met als bijschrift “White Power”, en/of

- een afbeelding van een galg met drie stroppen met als bijschrift ‘Moslem swing set", en/of

- een afbeelding van een vlag, welke werd gebruikt door de Afrikaner Weerstandsbeweging, en/of

- een afbeelding van een demonstrerende man die de Hitlergroet maakt,

althans racistische/extremistische/tot gewelddadig handelen jegens moslims en/of Marokkanen en/of personen met een negroïde uiterlijk en/of vluchtelingen oproepende uitingen verheerlijkt/ uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen, en/of

overeengekomen om (een) molotovcocktail(s) tegen een moskee te gooien, en/of

(een) molotovcocktail(s) gemaakt, althans (een) fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of voorzien van watten en/of textiel, en/of

zich met molotovcocktail(s), althans fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede heeft begeven;

(artikel 47 jo 176b lid 2 en 157 Wetboek van Strafrecht)

EN/OF

B) (samenspanning)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft samengespannen tot het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn of dit feit iemands dood ten gevolge zou hebben, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) met voormeld oogmerk:

  1. het ideologisch gedachtengoed van het fascisme en/of nationaalsocialisme, althans van het rechts-extremisme, bestudeerd, gedeeld, uitgedragen en/of verheerlijkt, en/of

  2. de persoon van Adolf Hitler verheerlijkt en/of zijn historische betekenis uitgedragen, en/of

  3. de Afrikaner Weerstandsbeweging en/of Waffen SS en/of Ku Klux Klan verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

  4. e superioriteit van het ‘blanke ras’ uitgedragen, en/of

  5. in een (of meerdere) (groeps)app(s) het navolgende uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen:

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”, en/of

- een afbeelding van een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”, en/of

- een afbeelding van Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”, en/of

- een afbeelding van het concentratiekamp Auschwitz met als bijschrift “plaats vrijmaken voor vluchtelingen? Auschwitz staat momenteel leeg!”, en/of

- een afbeelding van een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, en/of

- een afbeelding van een persoon met een brandende fakkel in zijn hand en als bijschriften: “eigen volk eerst” en/of “A.C.A.B.”, en/of

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….,die habe ich vergessen!”, en/of

- een afbeelding van een adelaar met hakenkruis met als bijschrift “White Power”, en/of

- een afbeelding van een galg met drie stroppen met als bijschrift ‘Moslem swing set", en/of

- een afbeelding van een vlag, welke werd gebruikt door de Afrikaner Weerstandsbeweging, en/of

- een afbeelding van een demonstrerende man die de Hitlergroet maakt,

althans racistische/extremistische/tot gewelddadig handelen jegens moslims en/of Marokkanen en/of personen met een negroïde uiterlijk en/of vluchtelingen oproepende uitingen verheerlijkt/ uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen, en/of

f. overeengekomen om (een) molotovcocktail(s) tegen een moskee te gooien, en/of

g. (een) molotovcocktail(s) gemaakt, althans (een) fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of voorzien van watten en/of textiel;

(artikel 47 jo 176b lid 1 en 157 Wetboek van Strafrecht)

SUBSIDIAIR, INDIEN HET VORENSTAANDE ONDER 2 NIET TOT VEROORDELING LEIDT, DAT:

C) ( voorbereidingshandelingen als bedoeld in art 46 Sr)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, ter voorbereiding van het met een ander of anderen te plegen misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (art. 157 Sr) en/of brandstichting begaan met een terroristisch oogmerk (art 176a jo 157), opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s):

- een of meer molotovcocktails, althans fles(sen) en/of brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of textiel/watten,

kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven, heeft vervaardigd, en/of voorhanden heeft gehad.

(artikel 46 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 28 februari 2016 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,81 gram (99 pillen), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) een middel al bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder C van de Opiumwet)

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de feiten onder 1A en B, 2A en B primair en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren waarvan 2 (twee) jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de volgende, zakelijk weergegeven, bijzondere voorwaarden.

-toezicht van de reclassering;

-meldplicht bij de reclassering;

-ambulante behandeling;

-verbod op gebruik van drugs en alcohol en

-contactverbod met de medeverdachten.

Verder heeft de officier van justitie teruggave aan verdachte van een digitale recorder, onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte inbeslaggenomen drugs en de verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen Samsung telefoon gevorderd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1A en B, 2A en B primair ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op verdachtes eigen verklaring, verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], technisch onderzoek en de aan de hand van camerabeelden geconstrueerde tijdlijn.

De officier van justitie heeft daarbij telkens gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen en een terroristisch oogmerk, een en ander nader uitgewerkt in het door de officier van justitie op schrift gestelde en aan het proces verbaal van de zitting gehecht requisitoir.

Met betrekking tot het terroristisch oogmerk heeft de officier van justitie opgemerkt dat van de onder artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemde criteria, de twee eerstgenoemde criteria, te weten:

- ( een deel) van de bevolking van een land vrees aanjagen en

- een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk ergens toe dwingen,

aan de orde zijn.

Met betrekking tot feit 3 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit feit, op basis van het proces verbaal van bevindingen met betrekking tot de aangetroffen drugs en het daaraan verrichte onderzoek, eveneens bewezen kan worden verklaard.

5.1.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat algehele vrijspraak van het ten laste gelegde dient te volgen, waartoe de raadsman, zakelijk weergegeven, het volgende aanvoert.

-op het cruciale moment heeft verdachte letterlijk en figuurlijk afstand genomen van de gedragingen van zijn medeverdachten en is aldus sprake van vrijwillige terugtred;

-wettig bewijs voor het terroristisch oogmerk en de aanwezigheid van een rechts-extremistisch gedachtengoed bij verdachte ontbreekt;

-wettig bewijs voor de aanwezigheid van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar of de dood van mensen, ontbreekt;

-wettig bewijs voor medeplegen ontbreekt.

Over feit 3 heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

5.1.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

[verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] nemen vóór 27 februari 2016 elk verschillende malen en in wisselende samenstellingen deel aan demonstraties die worden georganiseerd door een tegen de komst van asielzoekers(centra) gerichte actiegroep. Tijdens deze demonstraties wordt door een aantal deelnemers rechtsextremistische gedachtengoed uitgedragen. In de aanloop naar 27 februari 2016 delen de verdachten in een tweetal groepsapps volop racistisch en rechts-extremistisch materiaal. Zo zijn afbeeldingen aangetroffen van

-Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”;

-een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”;

-Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”;

-een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak en

-Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….die habe ich vergessen”.

Verschillende verdachten reageren enthousiast en met instemming op de geplaatste afbeeldingen. Regelmatig wordt in reactie ook een andere afbeelding van dezelfde aard in de groepsapp gedeeld. Via de groepsapp wordt uiteindelijk een afspraak gemaakt om elkaar op 27 februari 2016 te treffen in de schuur van [medeverdachte 4]. Doel van de bijeenkomst is afspraken te maken voor een bijeenkomst de dag daarop van de verdachten met Dutch Self Defence Army (D.S.D.A.) te Amersfoort. In de schuur brengt [medeverdachte 2] ter sprake dat er dreigbrieven zijn verstuurd naar verschillende moskeeën in het land. Vervolgens stelt iemand uit de groep voor om molotovcocktails te maken en deze tegen de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede te gooien, dit met als doel de gemeente bang te maken en haar ertoe te bewegen af te zien van de oprichting van een asielzoekerscentrum in Enschede. Dit voorstel wordt binnen de groep met instemming ontvangen. Omdat [medeverdachte 4] niet over lege flessen beschikt vertrekt men gezamenlijk naar de woning van [verdachte] aan de [adres] te Enschede. In die woning worden door [verdachte] en [medeverdachte 4] molotovcocktails gefabriceerd. [medeverdachte 3] steekt ze vervolgens in zijn zak. De groep vertrekt daarna in de auto van [verdachte] - een driedeurs - naar de moskee aan de Tweede Emmastraat in Enschede. [verdachte] bestuurt de auto. [medeverdachte 4] zit naast hem op de passagiersstoel. [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zitten achterin. Men rijdt eerst langs de moskee. Bij de moskee staan auto’s en fietsen geparkeerd en binnen brandt licht. In de moskee zijn op dat moment 30 á 40 personen aanwezig. Nadat [verdachte] de auto nabij de moskee tot stilstand heeft gebracht, stapt [medeverdachte 4] uit om [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eruit te laten. Vervolgens rijden [verdachte] en [medeverdachte 4] terug naar de woning van [verdachte]. [verdachte] zorgt ervoor dat de voordeur van zijn woning open staat, omdat het de bedoeling is elkaar te treffen in de woning van [verdachte], nadat de cocktails gegooid zijn. Intussen lopen [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] richting de moskee. Vlak voor de omheining van de moskee steekt [medeverdachte 1] een molotovcocktail aan en gooit die over de haag richting de moskee, waarop deze molotovcocktail tot ontbranding komt. Vervolgens lukt het uiteindelijk ook [medeverdachte 3] om de molotovcocktail aan te steken en deze in de richting van de moskee te gooien. Hierop rennen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] weg. In de muur van het gebedshuis, die zich bevindt in de richting waarin de molotovcocktails zijn gegooid, bevinden zich twee raamopeningen. Iets brandends vliegt door de lucht en komt tegen de gevel van de moskee aan. Een van de getuigen ziet nadien vlekken op de gevel. Op het gras, ongeveer 120 centimeter voor de muur van de moskee, ontstaat brandschade. Op ongeveer 80 centimeter van de plek waar brandschade ontstaat, staat een hoge coniferenhaag als erfafscheiding tussen straat en moskeeterrein. Op ongeveer vijf meter van de brandplek bevindt zich een aanbouw van de moskee die is voorzien van een plat bitumen dak. Door een bezoeker van de moskee zijn de vlammen op het grasveld uitgetrapt. Nadat de molotovcocktails in de richting van de moskee zijn gegooid vervoegen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 4] in de woning van [verdachte]. Daar wordt enkele minuten later op initiatief van [medeverdachte 4] een foto van het stel gemaakt, waarop men proostend en feestend staat afgebeeld.

Verder heeft verdachte op 28 februari 2016 in Enschede 99 pillen, bevattende 2C-B, in zijn bezit gehad.

Terroristisch oogmerk.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder 1A en B en 2A en B primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd met een terroristisch oogmerk, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.

Op grond van artikel 83 jo artikel 83a Sr kan een misdrijf worden aangemerkt als een terroristisch misdrijf indien verdachte dit misdrijf heeft gepleegd met het oogmerk om de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Terroristisch oogmerk heeft derhalve drie verschijningsvormen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank de eerste twee hier aan de orde zijn.

In de memorie van toelichting heeft de wetgever vorenstaande in die zin toegelicht dat niet vereist is dat het aanjagen van vrees tot het daadwerkelijk geïntimideerd zijn van de bevolking behoeft te hebben geleid en dat centraal staat de intentie van de dader om vrees aan te jagen. Bovendien kan volgens de wetgever vrees aanjagen ook zien op een deel van de bevolking. Oogmerk wordt doorgaans afgeleid uit het gedrag van een verdachte en is een juridisch bestanddeel dat met bewijsmiddelen moet worden onderbouwd. Zichtbare gedragingen kleuren de intentie in. Waar het die intentie betreft biedt het onderhavige strafdossier daarvoor de nodige aanknopingspunten. Met name het bij verdachte en diens medeverdachten op gegevensdragers aangetroffen rechts-extremistische materiaal, geven een inkleuring van het oogmerk. Uit het onderhavige procesdossier, de daarin weergegeven foto’s en de daarover door [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hiervoor afgelegde verklaringen, blijkt dat verdachte en één of meer van diens medeverdachten in aanloop naar de brandstichting hebben deelgenomen aan demonstraties georganiseerd door een actiegroep die zich sterk richt tegen de komst van asielzoekers. Door deelnemers aan deze demonstraties worden rechtsextremistische uitingen niet geschuwd. Daarnaast wordt door verdachte en diens medeverdachten, in de periode voorafgaand aan het gooien van de molotovcocktails, via een tweetal groepsapps in woord en beeld volop blijk gegeven van onmiskenbaar racistisch en rechts-extremistisch gedachtengoed. In het schuurtje van [medeverdachte 4], voorafgaand aan de fabricage van de brandbommen, is gesproken over de onder moskeeën verspreide dreigbrieven. Een moskee is in rechtsextremistische kringen een symbool bij uitstek van hetgeen men in deze kringen in de Nederlandse samenleving verwerpt. In dat licht bezien kan de keuze van het doel van de brandstichting, zoals deze blijkbaar gemaakt is in het schuurtje van [medeverdachte 4], slechts worden gezien als gericht op het aanjagen van vrees bij - in elk geval - het islamitisch deel der bevolking.

Voor zover is betoogd dat de foto’s die zijn genomen in de woning van [verdachte] kort na de 112 melding, niet kunnen meewerken aan het bewijs voor vorenvermeld oogmerk bij verdachte omdat deze zijn genomen nadat het feit al had plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat gedragingen die hebben plaatsgevonden na het plegen van een strafbaar feit zeer wel een inkleuring kunnen geven aan het opzet zoals dat kennelijk vooraf heeft moeten bestaan. De rechtbank kan niets anders op de betreffende foto’s zien dan een aantal mannen die proosten op een succesvolle actie. Dat het tevens de bedoeling was dat de foto’s als alibi zouden dienen, doet daar niet aan af.

Al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien met de verklaring van [verdachte], dat er molotovcocktails zouden worden gegooid naar de moskee om de gemeente bang te maken en dat de gemeente dat met de vluchtelingen dan niet zou doen, maakt dat bij verdachte sprake is geweest van een terroristisch oogmerk. Het gooien van de molotovcocktail had tot doel het oogmerk om de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Ten aanzien van dat eerste onderdeel merkt de rechtbank nog op dat het als een feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat niet alleen de bezoekers van de moskee die aanwezig waren ten tijde van het delict, maar ook de moslimgemeenschap in haar algemeenheid grote angst is aangejaagd door toedoen van verdachte en diens mededaders. Zulks klemt temeer nu verschillende moskeeën in Nederland in de periode voorafgaand aan de onderhavige strafbare feiten, dreigbrieven hadden ontvangen. Daarvan waren de verdachten ook op de hoogte. Zo verklaarde [verdachte] immers dat bij de bespreking in de schuur van verdachte voorafgaand aan het delict, [medeverdachte 2] had gevraagd of men had gehoord van de brieven aan de moskeeën. Met betrekking tot het betoog van de raadsman omtrent de knullige omstandigheden, waaronder de onderhavige feiten, indien bewezen, zijn uitgevoerd, overweegt de rechtbank dat de (geringe) intelligentie en de mate van professionaliteit en zorgvuldigheid waarmee de feiten zijn uitgevoerd, hooguit een rol spelen bij de straftoemeting maar bij het beoordelingscriterium over de vraag of sprake is van een terroristisch oogmerk er niet toe doen.

Medeplegen

De rechtbank dient te beoordelen of op grond van vorenstaande bewijsmiddelen sprake is geweest van medeplegen in de zin van artikel 47 Sr. De rechtbank stelt voorop dat daarvan sprake is indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan de feiten. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die strafbare feiten pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die de feiten medepleegt. Beoordeeld moet worden of de door verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 27 februari 2016 hebben [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zich verzameld in of bij de schuur van [medeverdachte 4]. Daar is het gezamenlijke plan gesmeed om een molotovcocktail tegen de moskee te gooien. Omdat [medeverdachte 4] geen flessen in huis had zijn ze met z’n vijven, op voorstel van [verdachte], naar de woning van [verdachte] gegaan, waar door [medeverdachte 4] en [verdachte] de twee molotovcocktails zijn gefabriceerd. Nadat [medeverdachte 3] de molotovcocktails bij zich had gestoken zijn ze met z’n vijven, in de auto van [verdachte], die door [verdachte] werd bestuurd, naar de moskee gereden. In de directe nabijheid van de moskee zijn [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door [verdachte] en [medeverdachte 4] uit de auto gelaten. [medeverdachte 4] moest uit de auto stappen om [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gelegenheid te geven uit te stappen. [medeverdachte 4] heeft vervolgens weer in de auto plaatsgenomen en is samen met [verdachte], die nog steeds de auto bestuurde, naar de woning van [verdachte] gereden. In afwachting van [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], heeft [verdachte] de voordeur van zijn woning opengelaten en hebben [medeverdachte 4] en [verdachte] samen buiten de andere drie opgewacht. Nadat alle verdachten kort hierop weer met z’n vijven herenigd zijn in de woning van [verdachte] en is meegedeeld dat er twee molotovcocktails in de richting van de moskee zijn gegooid, zijn foto’s gemaakt waarop de verdachten te zien zijn, naar het zich laat aanzien proostend op de goede afloop.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezamenlijk gedragen voornemen om brand te stichten op of aan de moskee. Verdachte heeft bewust en nauw samengewerkt met de anderen en aldus een wezenlijke bijdrage geleverd aan het plan tot brandstichting dat door allen is omarmd en uitgevoerd. Hij is aanwezig bij het beramen van het plan in de schuur van [medeverdachte 4], is vervolgens met de medeverdachten afgereisd naar zijn woning, om daar met de anderen de molotovcocktails te fabriceren en heeft vervolgens [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] nabij de moskee afgezet en bij zijn huis weer opgewacht. Dat verdachte niet de persoon is die zelf de molotovcocktail heeft gegooid doet aan zijn aandeel niet af. Aldus wordt het verweer dat verdachte geen (mede)pleger zou zijn, verworpen.

Vrijwillige terugtred.

Met betrekking tot het door de raadsman van verdachte gedane beroep op vrijwillige terugtred overweegt de rechtbank dat zij, met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot medeplegen, ook dit verweer verwerpt.

Gemeen gevaar voor levensgevaar voor anderen

Het betoog van de raadsman dat geen sprake is van levensgevaar voor anderen wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en dan met name door de verklaring van aangever [aangever], verschillende getuigen en het proces-verbaal sporenonderzoek/ brandoorzaakonderzoek. Uit die bewijsmiddelen komt immers het volgende naar voren. Op het moment van gooien van de molotovcocktails is de moskee bezocht. De getuige spreekt over aanwezigheid in de moskee van 30 á 40 mensen. Ook op het terrein van de moskee aan de buitenzijde bevinden zich rondom het tijdstip van het gooien van de molotovcocktails mensen. Volgens getuige [aangever] zijn kort voordat de molotovcocktails worden gegooid, op de plek waar deze uiteindelijk zijn neergekomen, nog kinderen aan het spelen. Voor verdachten is het zichtbaar dat de moskee geopend was en dat er mensen aanwezig zijn: er brandt licht in de moskee en er staan auto’s op de parkeerplaats. De molotovcocktails zijn over een haag naar de moskee gegooid, terwijl voor verdachte en zijn medeverdachten niet zichtbaar is of zich aan de andere kant van de haag mensen bevinden. Deze kans was zeker niet ondenkbeeldig, zo blijkt uit de verklaring van getuige [aangever]. Getuige [getuige 2] ziet dat er iets brandends door de lucht vliegt en tegen de gevel van de moskee komt. Getuige [getuige 5] ziet, na het blussen van de brand, vlekken tegen de gevel van de moskee. In het brandoorzaakonderzoek is vastgesteld dat het gras in de nabijheid van de moskee verbrand is. Door op deze manier te handelen, hebben verdachte en zijn medeverdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan de moskee brand zou ontstaan en dat mensen die zich op dat moment op het buitenterrein bevonden, getroffen zouden worden. Dit levert levensgevaar voor anderen op.

Met betrekking tot het aanwezige levensgevaar voor de aanwezigen in de moskee constateert de rechtbank dat het technisch onderzoek niet volledig is ten aanzien van de beantwoording van de vraag hoe groot de kans is dat bitumen vlam vat en hoe groot de kans is dat de molotovcocktails door het raam vliegen, dit mede met het oog op de aanwezige tralies voor de ramen.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 A en B en 2 A en B primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

A) (medeplegen van een poging tot brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand te stichten in/op/aan een moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bezoekers/medewerkers van die moskee en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bezoekers/medewerkers van die moskee, te duchten was,

met dat opzet met zijn mededaders,

  • -

    molotovcocktails heeft gemaakt en

  • -

    vervolgens met molotovcocktails naar de moskee is gegaan, en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails heeft aangestoken en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails heeft gegooid naar/in de richting van de moskee,

begaan met een terroristisch oogmerk, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN

B) (medeplegen van voltooide brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht op een grasveld bij de moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), immers hebben verdachte en zijn mededaders:

  • -

    molotovcocktails aangestoken en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails gegooid naar/in de richting van de moskee,

ten gevolge waarvan dat grasveld gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat grasveld, de aan dat grasveld grenzende beplanting/coniferenhaag en de buitenmuur van de moskee, te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk;

2

A) ( voorbereiding/bevordering in de zin van art 96 lid 2 Sr)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om:

opzettelijk brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden,

-voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, in gereedheid heeft gebracht,

immers zijn verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, telkens met voormeld oogmerk:

f. overeengekomen om molotovcocktails tegen een moskee te gooien en hebben zij

g. molotovcocktails gemaakt en hebben zij

h zich met molotovcocktails naar de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede begeven;

EN

B) (samenspanning)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, heeft samengespannen tot het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers zijn verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, telkens met voormeld oogmerk:

f. overeengekomen om molotovcocktails tegen een moskee te gooien en hebben zij

g. molotovcocktails gemaakt.

3.

hij op 28 februari 2016 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18,81 gram (99 pillen), bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) een middel al bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 A en B en 2 A en B primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daarbij ten aanzien van 2A (sub a tot en met e) en 2B (sub a tot en met e) dat hetgeen bij die letters staat vermeld geen feiten betreffen die zien op het oogmerk (tot samenspannen) tot brandstichting of ontploffing.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 47, 157, 176a, 176b Sr en artikel 10 Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1A

het misdrijf: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 1B

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2A

het misdrijf: medeplegen van, met het oogmerk om voor te breiden dat opzettelijk brand wordt gesticht en/of een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij zijn bestemd tot het plegen van het misdrijf en plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid brengen, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2B

het misdrijf: medeplegen van samenspanning tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben gezamenlijk besloten om de moslimgemeenschap en de gemeente Enschede angst aan te jagen met als doel de gemeente te laten afzien van de komst van een asielzoekerscentrum in Enschede. Daartoe hebben zij geprobeerd om met molotovcocktails een moskee in brand te steken. Door op deze wijze hun rechts-extremistische en racistische gedachtengoed uit te dragen hebben zij een grote angst teweeg gebracht zowel bij de moskeegangers te Enschede in het bijzonder als bij de Nederlandse moslimgemeenschap in het algemeen. Dat het bij een poging brandstichting is gebleven is niet de verdienste van verdachte en zijn medeverdachten geweest, maar van een alerte voorbijganger die de brand heeft weten uit te trappen. Brandstichting betreft, gelet op het gevaar zettende en onvoorspelbare karakter ervan, een zeer ernstig misdrijf dat levens en eigendommen bedreigt en bovendien grote maatschappelijk onrust doet ontstaan. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten op geen enkele wijze rekening gehouden met de risico’s waaraan anderen daardoor zijn blootgesteld. Feiten als deze houden een ernstige beschadiging en ontregeling van de rechtsorde in, met name als die worden gepleegd met een terroristisch oogmerk.

De rechtbank houdt bij de beoordeling van de zaak en het bepalen van de straf rekening met een door de GZ-psycholoog, NRGD rapporteur F. Jonker op 20 september 2016, opgemaakt rapport, waarin onder meer het volgende wordt geconcludeerd.

Betrokken is lijdende aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressie. Daarnaast is er sprake van een onderliggende kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Hiervan was ten tijde van het tenlastegelegde ook sprake. De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes, c.q gedragingen in de aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde. Betrokkene lijkt de onmacht en boosheid die hij voelde over het misbruik van zijn dochter en het feit dat hij steeds meer grip op haar en zijn eigen leefsituatie verloor, te hebben geprojecteerd op asielzoekers en moslims. Door het demonstreren en het gebruik van geweld kon hij op deze zaak wél invloed uitoefenen en dat gaf hem mogelijk een gevoel van controle terug. Op deze manier is er sprake van een verband tussen zijn depressie, PTTS en het ten laste gelegde.

Geadviseerd wordt om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde. Met name de depressie en PTTS vormen een risicofactor op toekomstige agressie, indien de stoornissen onbehandeld blijven. Vanuit de depressie en PTTS was sprake van gevoelens van wanhoop en agressie.

Verder wordt geadviseerd om aan betrokkene een verplicht reclasseringscontact op te leggen en hem onder ambulante behandeling te stellen.

De rechtbank acht de conclusie en het advies van de deskundige goed onderbouwd en neemt deze over.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 26 september 2016, waarin onder meer het volgende wordt opgemerkt.

Betrokkene zegt inmiddels afstand te hebben genomen van het gedachtengoed en lijkt genuanceerder naar de vluchtelingenproblematiek te kunnen kijken. Het recidiverisico wordt als hoog gemiddeld ingeschat, vanwege de snelheid waarmee betrokkene is geradicaliseerd, de gemaakte keuze daarbij geweld te gebruiken, zijn aandeel in het delict, de mate van zijn beïnvloedbaarheid, zijn verleden van middelengebruik en de gediagnosticeerde PTTS.

Betrokkene laat zelfinzicht zien en het delict en de consequenties daarvan hebben een grote impact op betrokkene.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat hij, blijkens het uittreksel uit het documentatieregister, niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank overweegt dat voor zover er overlap is bij de ten laste gelegde feiten, met name van A naar B, er sprake is van eendaadse samenloop. Deze samenloop heeft geen invloed op de op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om een reclasseringstoezicht en na te melden bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, alsmede om hem ervan te weerhouden in de toekomst andermaal feiten als deze te plegen.

Gelet op het feit dat verdachte, anders zijn medeverdachten, openheid van zaken heeft gegeven over de hem verweten gedragingen en spijt heeft betuigd, zal de rechtbank het voorwaardelijk deel van de hem op te leggen straf langer doen zijn dan dat van zijn medeverdachten.

Met betrekking tot het namens verdachte ingediende verzoek om opheffing, c.q. schorsing van verdachtes voorlopige hechtenis, overweegt de rechtbank dat dit dient te worden afgewezen, nu de ernstige bewaren en gronden voor de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn, en, wat betreft het verzoek tot een schorsing van verdachtes voorlopige hechtenis, de ernst van de feiten zich niet lenen voor een schorsing van de voorlopige hechtenis en de belangen van strafvordering zwaarder dienen te wegen dan de persoonlijke belangen van verdachte.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank overweegt dat de onder verdachte inbeslaggenomen digitale recorder aan verdachte dient te worden teruggegeven.

De rechtbank overweegt dat de onder verdachte inbeslaggenomen synthetische drugs vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot deze drugs het onder 3 ten laste gelegde feit is begaan en van zodanige aard zijn het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen Samsung telefoon overweegt de rechtbank dat deze vatbaar is voor verbeurdverklaring nu deze telefoon aan verdachte toebehoort en met behulp van deze telefoon strafbare feiten als bewezen verklaard zijn voorbereid.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 55, 57 en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1A en B en 2A en B primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1A en B en 2A en B primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1A

het misdrijf: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 1B

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2A

het misdrijf: medeplegen van, met het oogmerk om voor te breiden dat opzettelijk brand wordt gestichten/of een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij zijn bestemd tot het plegen van het misdrijf en plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid brengen, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2B

het misdrijf: medeplegen van samenspanning tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1A en B, 2A en B primair en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren, waarvan 2 (twee) jaren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich na aanvang van de proeftijd meldt bij reclassering Nederland. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek, zulks zolang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onderwerpen aan een ambulante behandeling gericht op PTSS en middelengebruik bij Justact of soortgelijke ambulante instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met

[medeverdachte 2], geboren op [geboortedag] 1991, [medeverdachte 1], geboren op [geboortedag] 1979, [medeverdachte 3], geboren op [geboortedag] 1981 en [medeverdachte 4], geboren op [geboortedag] 1981;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen digitale recorder;

- verklaart onttrokken aan het verkeer, de onder verdachte inbeslaggenomen synthetische

drugs;

- verklaart verbeurd, de onder verdachte inbeslaggenomen Samsung telefoon.

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot schorsing c.q. opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2016099828 van 1 juli 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van de feiten 1A en B en 2A en B primair:

1.

De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

[medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heb ik leren kennen bij demonstraties waarin ik meeliep en die waren georganiseerd door de Demonstranten tegen Gemeenten (DTG), bij welke groepering ik mij ook als lid had aangemeld. Ik kende ze dus nog maar kort. [medeverdachte 1] daarentegen kende ik nog van vroeger. De DTG betreft een groepering die zich verzet tegen de komst van een asielzoekerscentrum in Enschede. Met een groep van zo’n 10 personen, waaronder [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en ik, hadden wij een tweetal groepsapps aangemaakt waarin we verschillende foto’s met teksten en afbeeldingen met elkaar deelden.

De groepsapps bevatten onder andere de afbeeldingen met bijschriften die in de mij onder 2 A en B tenlastegelegde feiten worden genoemd. Deze afbeeldingen en teksten werden telkens automatisch op mijn telefoon opgeslagen. Het is niet goed te praten en het ging van kwaad tot erger. Het klopt dat ik uitlatingen heb gedaan als: “de fik erin” en “eerst een kratje leegdrinken” en “24 flesjes vullen met benzine en gooien die handel”. Iedereen in de groepsapps zat elkaar maar een beetje op te fokken. Op 27 februari 2016 kreeg ik een telefoontje van [medeverdachte 4]. Hij stelde voor om bij elkaar te komen om afspraken te maken over de dag erna. We zouden dan namelijk naar Amersfoort gaan om een bijeenkomst van de D.S.D.A. (Dutch Self Defence Army) bij te wonen. We spraken tegen ongeveer 19.00 uur af in de schuur van [medeverdachte 4]. Daar waren, naast [medeverdachte 4], ook [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Op een gegeven moment stelde iemand uit onze groep voor om molotovcocktails te maken en deze tegen de moskee in Enschede te gooiden. We zouden dat doen met de bedoeling de gemeente bang te maken en haar ertoe te bewegen af te zien van de bouw van een asielzoekerscentrum. Iedereen stemde daar mee in. Omdat [medeverdachte 4] geen flesjes had, zijn we op mijn voorstel naar mijn woning aan de [adres] te Enschede gereden. We waren met twee auto’s. Thuis gekomen heb ik twee bierflesjes van het merk Holger gepakt, waarop [medeverdachte 4] er een brandbare vloeistof of gas in spoot. Ik heb hierop de flesjes dichtgemaakt met watten die ik uit het kussen van een tuinstoel, had gesneden. Nadat [medeverdachte 3] de molotovcocktails vervolgens bij zich had gestoken, zijn wij met z’n vijven in mijn auto richting de moskee gereden. Ik zat achter het stuur. [medeverdachte 4] zat naast mij en [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zaten achterin. Van een voorafgemaakte rolverdeling was geen sprake. Via een omweg zijn we naar de moskee gereden. De eerste keer dat ik langs de moskee reed ben ik doorgereden omdat ik geen parkeerplaats kon vinden. De tweede keer zag ik een busje staan en realiseerde ik mij dat er zich mogelijk mensen in de moskee zouden bevinden. Nadat ik mijn auto tot stilstand had gebracht hebben [medeverdachte 4] en ik, [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit laten stappen. We spraken af dat zij, nadat zij de molotovcocktails hadden gegooid, weer naar mijn woning zouden komen. Ik ben hierop, samen met [medeverdachte 4], naar mijn woning gereden. Korte tijd hierop kwamen ook [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in mijn woning. Ze vertelden dat ze de molotovcocktails richting de moskee hadden gegooid en dat de fles van [medeverdachte 1] uit elkaar was gespat. [medeverdachte 3] kreeg de molotovcocktail eerst niet aan. Toen wij bij mij thuis zaten kwam [medeverdachte 4] op het idee om een foto te maken zodat het zou lijken als of wij op een verjaardagsfeestje zaten. Hierop heb ik met mijn telefoon en foto gemaakt waarop de vier anderen met een blik bier in hun hand te zien zijn. Mijn vriendin [getuige 6] was op dat moment ook in mijn woning aanwezig. Toen zij hoorde wat er gebeurd was schrok zij daar erg van. Toen de anderen weg waren ben ik samen met haar naar de moskee gereden om te zien of er schade was ontstaan.

2.

De zich op pagina’s 1105 t/m 1198 bevindende verklaring van aangever [aangever] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Ik doe namens de moskee aan de Tweede Emmastraat 50 te Enschede aangifte van poging tot brandstichting aan de moskee op 27 februari 2016, omstreeks 21.41 uur.

Op het moment van de poging brandstichting waren er ongeveer 30 personen, onder wie een aantal kinderen, in het gebouw. Op de plek waar de restanten van de brandbommen in het gras zijn gekomen waren die avond tot enkele minuten voordat de brandbommen werden gegooid, nog kinderen aan het spelen. Aan de zijde waar gegooid is zijn ramen aanwezig. Achter de ruiten zit de gebedsruimte. Het was duidelijk te zien dat er mensen in de moskee aanwezig waren. Het licht brandde volop en op de parkeerplaats stonden auto’s en fietsen. Onder de bezoekers is momenteel grote angst en onrust. Door de brandbommen is er schade ontstaan aan de graszoden.

3.

Een zich op pagina’s 1259 en 1260 bevindend proces-verbaal sporenonderzoek/brandoorzaakonderzoek dat, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 29 februari 2016 werd door mij, verbalisant, een forensisch onderzoek ingesteld nadat op 27 februari 2016 een molotovcocktail tegen de buitenmuur van een gebedshuis aan de Tweede Emmastraat 50 te Enschede zou zijn geworpen.

Ik zag op het gras in een diameter van ongeveer 60 centimeter brandschade. Ik zag dat de brandschade zich op een afstand van ongeveer 80 centimeter van de heg en 120 centimeter van de muur bevond. In de muur van het gebedshuis bevonden zich 2 raamopeningen. De hoekmuur van het gebedshuis behoorde bij een bijgebouw waarvan het platte dak, voorzien van bitumen, zich op ongeveer 5 meter bevond. Gezien de locatie waar de brand had gewoed en brandschade was vastgesteld, was gemeen gevaar voor goederen aanwezig. Het aanwezige vuur op het gras had uit kunnen breiden naar de coniferenhaag die zich langs de gehele noordoostelijke erfgrens bevond. De molotovcocktail had op het platte dak van het gebedshuis kunnen belanden waarmee, subjectief gezien, gemeen gevaar voor personen had kunnen ontstaan.

4.

De zich op pagina’s 1225 en 1226 bevindende verklaring van [getuige 2] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016 omstreeks 21.45 uur liep ik in de richting van de Tweede Emmastraat. Ik zag dat er iets brandends door de lucht vloog en tegen de gevel van de moskee kwam. Er was vervolgens een rode gloed nabij die plek.

5.

De zich op pagina’s 1227 en 1228 bevindende verklaring van [getuige 5] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op zaterdag 27 februari 2016 in de avond, liep mik nabij de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede. Ter hoogte van de moskee zag iets vlammen. Ik zag dat zich vuur van de ene plek naar de andere verplaatste. Aan de graskant zag ik twee brandhaarden op ongeveer een halve meter van de muur van de moskee. Nadat we de brand hadden geblust zag ik dat er vlekken tegen de gevel zaten.

6.

Het zich op pagina’s 1095 t/m 1097 bevindend zaaksdossier deel 1, met daarin een selectie van afbeeldingen die onder meer het navolgende inhouden/weergeven:

Afbeelding van Adolf Hitler met een duim omhoog, verzonden op 14-2-2016 te 15.15 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 2].

[afbeelding 1]

Afbeelding verzonden met het telefoonnummer van [verdachte], op 14-02-2016 te 15.34 uur.

[afbeelding 2]

Afbeelding van Anne Frank met daarbij tekst, verzonden op 16-02-2016 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 2].

Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [verdachte].

[afbeelding 3]

Afbeelding met de tekst “Plaats vrijmaken voor vluchtelingen. Auschwitz staat momenteel leeg!”, verzonden met het telefoonnummer van [verdachte] op 16-02-2016 te 12.53.28 uur. Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [verdachte].

[afbeelding 4]

Afbeelding (persoon aangereden door een auto) verzonden met het telefoonnummer van [verdachte] op 16-02-2016, met de reacties “die is wel schattig hahaha” en “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, verzonden met het telefoonnummer van [medeverdachte 2]. Tussen deze reacties nog een reactie van [verdachte], “zonde van de auto”. Deze afbeelding is aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [verdachte].

[afbeelding 5]

Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg. bestand op de telefoon van [verdachte].

[afbeelding 6]

[afbeelding 7]

Deze afbeelding is aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [verdachte].

ten aanzien van feit 3:

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering;

2.

een door het Nederlands Forensisch Instituut opgemaakt rapport van 11 juli 2016 (pagina 2297 en 2298).