Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4135

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
C/08/192466 / KG ZA 16-334
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:4019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil ontruiming woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer : C/08/192466 / KG ZA 16-334

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. M.G.J. Smit te Rotterdam,

tegen

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARPI B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Raalte,

gedaagde partij, hierna te noemen Marpi,

procederend in persoon, bijgestaan door mr. J.A. van Emden, werkzaam bij Janssen & Janssen gerechtsdeurwaarders te Eindhoven.

1 De procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis (tevens eindvonnis ten aanzien van de reeds daarin genomen beslissingen) gewezen, dat op 14 oktober 2016 is uitgesproken. Daarbij is overwogen dat bij eindvonnis de gronden waarop de beslissing in het tussenvonnis rust, zullen worden gegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt van Marpi met ingang van 1 maart 2015 de woning aan het [adres] Raalte, hierna te noemen: de woning.

2.2.

De tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning is bij vonnis van de kantonrechter d.d.14 juni 2016 ontbonden, waarbij [eiser] tevens is veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis van 14 juni 2016 te ontruimen.

2.3.

Het vonnis van 14 juni 2016 is op 24 juni 2016 aan [eiser] betekend, waarbij haar is aangezegd dat als niet aan het vonnis wordt voldaan de woning op 11 juli 2016 zal worden ontruimd. Bij (tussen)vonnis van 8 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door [eiser] gevorderde verbod tot ontruiming afgewezen.

2.4.

In een door partijen op 11 juli 2016 ondertekende vaststellingsovereenkomst hebben zij de in het kader van een minnelijke regeling gemaakte afspraken vastgelegd. De in de vaststellingsovereenkomst opgenomen regeling luidt als volgt:

“Artikel 1 regeling

1. Verhuurder en huurder komen overeen dat huurder uiterlijk 12 juli 2016 om 12.00 uur een bedrag van € 3.000,00 betaalt aan de gemachtigde van verhuurder [...].

2. Huurder zal de huidige vordering voor de huurtoeslag op de Belastingdienst uiterlijk 15 juli 2016 aan verhuurder cederen. Deze vordering is thans begroot op circa € 3.500,00.

3. Huurder zal met ingang van 1 augustus 2016 steeds per de 1e van iedere maand een bedrag ad - minimaal - € 700,00 ter zake de lopende huur/schadevergoeding inclusief aflossing op de hiervoor genoemde vordering aan verhuurder voldoen. Na 12 maanden zal worden bezien of een hogere aflossing tot de mogelijkheden behoort.

4. Huurder zal de hoger beroepsprocedure intrekken en bewijs hiervan aan verhuurder doen toekomen.

5. Verhuurder zal de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter d.d. 14 juni 2016 opschorten gedurende de looptijd van deze regeling. Indien huurder in gebreke blijft met de correcte nakoming van haar betalingsverplichting wordt het restant direct en ineens opeisbaar en zal verhuurder alsnog overgaan tot tenuitvoerlegging van dit vonnis. Dat betekent (ondermeer) dat in dat geval gerechtelijke ontruiming zal plaatsvinden.

6. Partijen verklaren, na uitvoering van deze overeenkomst, geen enkele aanspraak uit hoofde van de in de aanhef omschreven zaken jegens elkaar meer te hebben.

7. Partijen verbinden zich, in geval van tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst, deze geheel noch gedeeltelijk te zullen ontbinden; nakoming, al dan niet met schadevergoeding, zal steeds gevorderd kunnen worden. Huurder is zich ervan bewust dat bij niet-nakoming van de hierboven omschreven afspraken verdere executiemaatregelen zullen volgen; huurder is in dat geval aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende kosten.”

2.5.

Bij brief van 10 oktober 2016 is [eiser] medegedeeld dat de woning zal worden ontruimd op 14 oktober 2016. Deze (gedwongen) ontruiming op 14 oktober 2016 is aangezegd bij deurwaardersexploot van 12 oktober 2016.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - en op de minuut:

  1. Marpi zal verbieden over te gaan tot ontruiming van de woning, totdat er in de bodemprocedure is beslist;

  2. de tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 juni 2016 zal verbieden totdat er in de bodemprocedure is beslist;

  3. Marpi zal gebieden om de huurovereenkomst met [eiser] voort te zetten totdat er in de bodemprocedure is beslist;

  4. Marpi zal gebieden de vaststellingsovereenkomst na te leven;

  5. Marpi zal verbieden over te gaan tot ontruiming van de woning, voor het einde van de maand oktober 2016, dan wel voor een andere datum die de voorzieningenrechter redelijk voorkomt, indien en voor zover ontruiming van de woning door de voorzieningenrechter wel rechtmatig wordt bevonden,

  6. Marpi zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Marpi voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil met betrekking tot een ontruimingsvonnis kan de rechter slechts de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de ontruiming zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

Dat het vonnis van de kantonrechter van 14 juni 2016 op een juridische of feitelijke misslag berust is gesteld noch gebleken.

De voorzieningenrechter constateert dat [eiser] niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 1 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst. De overeengekomen cessie van de vordering die [eiser] zou hebben op de belastingdienst was immers op 15 juli 2016 niet gerealiseerd. Anders dan [eiser] kennelijk ingang wil doen vinden valt niet in te zien waarom niet [eiser] maar Marpi zou hebben moeten zorgdragen voor de akte van cessie. De verplichting tot cessie is in de uitgewerkte vaststellingsovereenkomst ondubbelzinnig aan [eiser] (als huurder) toebedeeld. Gesteld noch gebleken is dat de schriftelijke vastlegging op dit punt niet in overeenstemming is geweest met de bedoeling van partijen.

4.3.

De constatering dat [eiser] het bepaalde in artikel 1 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen leidt tot het oordeel dat Marpi op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 5 en artikel 1 lid 7 van de vaststellingsovereenkomst bevoegd was alsnog over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 juni 2016.

De omstandigheid dat [eiser] wel heeft voldaan aan de betalingsverplichting van € 3.000,00 ineens en € 700,00 per maand brengt niet met zich dat Marpi geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Terecht stelt Marpi dat haar vordering aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat met de hiervoor genoemde betaling is afgelost. Voorts betoogt Marpi terecht dat [eiser] , ondanks herhaald verzoek en waarschuwingen dat tot tenuitvoerlegging over zou worden gegaan, heeft nagelaten inzicht te geven in de vordering op de belastingdienst, terwijl deze vordering een essentieel onderdeel uitmaakte van de vaststellingsovereenkomst. Het enkel overleggen van een kopie van een bezwaarschrift van 9 juni 2016 is onvoldoende om de door [eiser] gestelde vordering op de belastingdienst te onderbouwen. Niet aannemelijk is dan ook dat [eiser] daadwerkelijk een vordering (van € 3.500,00) heeft op de belastingdienst die zij op enig moment zal kunnen cederen.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat het vonnis van de kantonrechter van 14 juni 2016 op een juridische of feitelijke misslag berust of dat na dit vonnis feiten zijn voorgevallen of aan het licht gekomen die aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zullen doen ontstaan. Hetgeen [eiser] heeft betoogd omtrent haar persoonlijke omstandigheden betreft niet meer dan een herhaling van hetgeen zij reeds in de eerdere procedures naar voren heeft gebracht.

4.5.

Het voorgaande in aanmerking genomen gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat Marpi een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de ontruiming.

4.6.

Dit geldt niet voor de keuze van Marpi de gedwongen ontruiming op 12 oktober 2016 aan te zeggen tegen 14 oktober 2016. In artikel 555 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een gedwongen ontruiming van onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen drie dagen aan de executoriale titel te voldoen. De ratio van de in dit artikel bepaalde termijn is gelegen in de mogelijkheid die een betrokkene moet hebben een onroerende zaak ‘vrijwillig’ te verlaten en een ontruiming door de deurwaarder met de daarmee gemoeide kosten te voorkomen.
Weliswaar heeft Marpi een dergelijk ontruimingsexploot reeds bij exploot van 24 juni 2016 laten uitbrengen, maar nadien hebben partijen de hiervoor genoemde vaststellingsovereen-komst gesloten, waarbij Marpi heeft afgesproken de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter d.d. 14 juni 2016 te zullen opschorten.

Nu Marpi, wegens tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door [eiser] , alsnog een gedwongen ontruiming wil laten plaatsvinden, ligt het - gelet op de ratio van artikel 555 Rv - in de rede dat een dergelijke gedwongen ontruiming opnieuw wordt voorafgegaan door een ontruimingsexploot op een termijn van (tenminste) drie dagen voordat daadwerkelijk tot ontruiming wordt overgegaan. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de te respecteren belangen van [eiser] om alsnog de woning ‘vrijwillig’ te verlaten en een ontruiming door de deurwaarder te voorkomen. Daartegenover heeft Marpi geen rechtens te respecteren belang bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging binnen de in artikel 555 Rv genoemde termijn.

4.7.

Dat Marpi vanaf augustus jl. heeft gewaarschuwd zich niet aan de vaststellingsovereenkomst te houden indien [eiser] geen nadere stukken zou overleggen met betrekking tot haar vordering op de belastingdienst doet aan het voorgaande niet af. Marpi heeft namelijk ook elke keer een termijn gegeven deze stukken over te leggen, laatstelijk op 5 oktober 2016. [eiser] hoefde in ieder geval tot dat moment dan ook geen rekening te houden met een gedwongen ontruiming binnen enkele dagen. Eerst op vrijdag 7 oktober 2016 heeft Marpi aan de advocaat van [eiser] te kennen gegeven dat executie van het vonnis zou volgen, zonder daarbij een datum te noemen. Een brief aan [eiser] zelf is eerst op 10 oktober 2016 verzonden, maar niet bekend is wanneer [eiser] deze brief heeft ontvangen.

4.8.

In het in artikel 555 Rv van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 503 Rv is bepaald dat een ontruimingsexploot eerst na een jaar moet worden vernieuwd. Maar de voorzieningenrechter gaat er vanuit dat dat geldt buiten bijzondere gevallen als de onderhavige, waarin sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na de datum van het ontruimingsexploot hebben voorgedaan en waaruit de geëxecuteerde heeft mogen begrijpen dat (voorlopig) van executie zou worden afgezien.

4.9.

Op grond van voorgaande overwegingen zijn de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk toegewezen.

4.10.

Aangezien elk van partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.