Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4134

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
08/952265-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen uit Enschede zijn veroordeeld tot een celstraf van 4 jaar voor het gooien van molotovcocktails naar een moskee in Enschede. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de mannen daar een terroristisch oogmerk bij hadden. Zij wilden namelijk met geweld de gemeente Enschede en de moslimgemeenschap angst aanjagen om er voor te zorgen dat er geen asielzoekerscentrum zou komen in die stad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952265-16

Datum vonnis: 27 oktober 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 en 30 september 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.G. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden mr. L.J. Speijdel (op 29 september 2016) en R.F. Speijdel (op

30 september 2016), advocaten te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1A: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, geprobeerd heeft brand te stichten aan een moskee;

feit 1B: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, brand heeft gesticht op een bij een moskee gelegen grasveld;

feit 2A: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, voorbereidingen heeft getroffen voor een brandstichting aan een moskee;

feit 2B: samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, heeft samengespannen tot brandstichting van een moskee, dan wel (subsidiair)

feit 2C: ter voorbereiding van brandstichting, samen met anderen, met een terroristisch oogmerk, molotovcocktails heeft gemaakt en in bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

A) (medeplegen van een poging tot brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/op/aan een moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), terwijl daarvan gemeen gevaar voor die moskee, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bezoekers/medewerkers van die moskee en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bezoekers/medewerkers van die moskee, althans voor een ander of anderen, te duchten was,

met dat opzet met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

  • -

    één of meer molotovcocktails, althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben gemaakt, en/of

  • -

    (vervolgens) met één of meer molotovcocktails, althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar de moskee is/zijn gegaan, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben aangestoken, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft/hebben gegooid naar/in de richting van de moskee,

in elk geval open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof,

begaan met een terroristisch oogmerk,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 45 jo 47 jo 157 lid 1 en 2 jo 176a Wetboek van Strafrecht)

EN/OF

B) (medeplegen van voltooide brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk brand heeft gesticht op een grasveld bij de moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s):

  • -

    molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur, en/of

  • -

    (vervolgens) de molotovcocktail(s), althans één of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, gegooid naar/in de richting van de moskee,

ten gevolge waarvan dat grasveld geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat grasveld en/of de daaraan grenzende beplanting/coniferenhaag en/of de buitenmuur van de moskee, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk;

(artikel 47 jo 157 lid 1 jo 176a Wetboek van Strafrecht)

2

A) ( voorbereiding/bevordering in de zin van art 96 lid 2 Sr)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om:

opzettelijk brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn en/of dit feit iemands dood ten gevolge zou hebben, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

> een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

> gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of

> voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en/of

> plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) met voormeld oogmerk:

  1. het ideologisch gedachtengoed van het fascisme en/of nationaalsocialisme, althans van het rechts-extremisme, bestudeerd, gedeeld, uitgedragen en/of verheerlijkt, en/of

  2. de persoon van Adolf Hitler verheerlijkt en/of zijn historische betekenis uitgedragen, en/of

  3. de Afrikaner Weerstandsbeweging en/of Waffen SS en/of Ku Klux Klan verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

  4. e superioriteit van het ‘blanke ras’ uitgedragen, en/of

  5. in een (of meerdere) (groeps)app(s) het navolgende uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen:

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”, en/of

- een afbeelding van een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”, en/of

- een afbeelding van Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”, en/of

- een afbeelding van het concentratiekamp Auschwitz met als bijschrift “plaats vrijmaken voor vluchtelingen? Auschwitz staat momenteel leeg!”, en/of

- een afbeelding van een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, en/of

- een afbeelding van een persoon met een brandende fakkel in zijn hand en als bijschriften: “eigen volk eerst” en/of “A.C.A.B.”, en/of

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….,die habe ich vergessen!”, en/of

- een afbeelding van een adelaar met hakenkruis met als bijschrift “White Power”, en/of

- een afbeelding van een galg met drie stroppen met als bijschrift ‘Moslem swing set", en/of

- een afbeelding van een vlag, welke werd gebruikt door de Afrikaner Weerstandsbeweging, en/of

- een afbeelding van een demonstrerende man die de Hitlergroet maakt,

althans racistische/extremistische/tot gewelddadig handelen jegens moslims en/of Marokkanen en/of personen met een negroïde uiterlijk en/of vluchtelingen oproepende uitingen verheerlijkt/ uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen, en/of

overeengekomen om (een) molotovcocktail(s) tegen een moskee te gooien, en/of

(een) molotovcocktail(s) gemaakt, althans (een) fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of voorzien van watten en/of textiel, en/of

zich met molotovcocktail(s), althans fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede heeft begeven;

(artikel 47 jo 176b lid 2 en 157 Wetboek van Strafrecht)

EN/OF

B) (samenspanning)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft samengespannen tot het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn of dit feit iemands dood ten gevolge zou hebben, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) met voormeld oogmerk:

  1. het ideologisch gedachtengoed van het fascisme en/of nationaalsocialisme, althans van het rechts-extremisme, bestudeerd, gedeeld, uitgedragen en/of verheerlijkt, en/of

  2. de persoon van Adolf Hitler verheerlijkt en/of zijn historische betekenis uitgedragen, en/of

  3. de Afrikaner Weerstandsbeweging en/of Waffen SS en/of Ku Klux Klan verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

  4. e superioriteit van het ‘blanke ras’ uitgedragen, en/of

  5. in een (of meerdere) (groeps)app(s) het navolgende uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen:

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”, en/of

- een afbeelding van een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”, en/of

- een afbeelding van Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”, en/of

- een afbeelding van het concentratiekamp Auschwitz met als bijschrift “plaats vrijmaken voor vluchtelingen? Auschwitz staat momenteel leeg!”, en/of

- een afbeelding van een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, en/of

- een afbeelding van een persoon met een brandende fakkel in zijn hand en als bijschriften: “eigen volk eerst” en/of “A.C.A.B.”, en/of

- een afbeelding van Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….,die habe ich vergessen!”, en/of

- een afbeelding van een adelaar met hakenkruis met als bijschrift “White Power”, en/of

- een afbeelding van een galg met drie stroppen met als bijschrift ‘Moslem swing set", en/of

- een afbeelding van een vlag, welke werd gebruikt door de Afrikaner Weerstandsbeweging, en/of

- een afbeelding van een demonstrerende man die de Hitlergroet maakt,

althans racistische/extremistische/tot gewelddadig handelen jegens moslims en/of Marokkanen en/of personen met een negroïde uiterlijk en/of vluchtelingen oproepende uitingen verheerlijkt/ uitgedragen/ondersteund/tot zich genomen, en/of

f. overeengekomen om (een) molotovcocktail(s) tegen een moskee te gooien, en/of

g. (een) molotovcocktail(s) gemaakt, althans (een) fles(sen) gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of voorzien van watten en/of textiel;

(artikel 47 jo 176b lid 1 en 157 Wetboek van Strafrecht)

SUBSIDIAIR, INDIEN HET VORENSTAANDE ONDER 2 NIET TOT VEROORDELING LEIDT, DAT:

C) ( voorbereidingshandelingen als bedoeld in art 46 Sr)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, ter voorbereiding van het met een ander of anderen te plegen misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (art. 157 Sr) en/of brandstichting begaan met een terroristisch oogmerk (art 176a jo 157), opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s):

- een of meer molotovcocktails, althans fles(sen) en/of brandbare vloeistof/brandbaar gas en/of textiel/watten,

kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven, heeft vervaardigd, en/of voorhanden heeft gehad.

(artikel 46 Wetboek van Strafrecht)

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de feiten onder 1A en B, 2A en B primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de volgende, zakelijk weergegeven, bijzondere voorwaarden.

-toezicht van de reclassering;

-meldplicht bij de reclassering;

-ambulante behandeling;

-verbod op gebruik van drugs en alcohol en

-contactverbod met de medeverdachten.

4 De voorvragen

De raadsman mr. R.F. Speijdel heeft geconcludeerd tot de partiële nietigheid van de dagvaarding nu het in de tenlastelegging genoemde terroristisch oogmerk niet voldoende feitelijk zou zijn omschreven in die tenlastelegging.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Met betrekking tot de wettelijke vereisten waaraan de dagvaarding dient te voldoen overweegt de rechtbank dat deze een tenlastelegging dient te bevatten die als geheel moet worden gelezen in samenhang met het dossier. De verdachte, het openbaar ministerie en de rechter dienen op de hoogte te zijn van de gronden waarop de vervolging van de verdachte rust. In dit verband dient de verdachte te worden geïnformeerd en duidelijk gemaakt te worden waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij - bezien in het licht van het dossier - voldoende in staat is zich hiertegen te verdedigen en zich op die verdediging concreet voor te bereiden. De tenlastelegging stuurt daarnaast de onderzoekstaak en beperkt de beslissing van de rechter tot hetgeen is ten laste gelegd.

Voor zover het verweer van onvoldoende feitelijke omschrijving specifiek is gevoerd ten aanzien van de misdrijven waarop het oogmerk van terrorisme zou zijn gericht, treft het geen doel. Niet gebleken is dat het de verdachte op dit punt onvoldoende duidelijk is geweest waarvan hij wordt verdacht, noch dat hij (daardoor) zich onvoldoende zou hebben kunnen verdedigen tegen de aanklacht. De stelling van de raadsman dat het oogmerk van terrorisme nader dient te worden uitgewerkt vindt geen steun in het recht, nu de deelnemingsvormen en de verwijzing naar de al dan niet terroristische misdrijven waarop verdachte het oogmerk zou hebben gehad, op zichzelf voldoende feitelijke betekenis hebben.

Ook het begrip “oogmerk” heeft voldoende feitelijke betekenis, zodat verdere uitwerking in de tenlastelegging daarvan evenmin noodzakelijk is.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen voldoet. Aldus faalt het beroep op (partiële) nietigheid van de dagvaarding.

Verder heeft de raadsman mr. R.F. Speijdel geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie waartoe de raadsman aanvoert dat het ten laste leggen aan verdachten van voorbereidingshandelingen ter zake van een bepaald delict niet samen kan gaan met een poging tot het plegen van datzelfde delict en vervolgens ook nog met voltooiing van dat delict.

De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een zodanige beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

De stelling van de raadsman dat de wijze waarop in de onderhavige zaak de door de raadsman genoemde feiten cumulatief zijn ten laste gelegd niet geoorloofd is, vindt geen steun in het recht. De in de wet genoemde aspecten die betrekking hebben op samenloop en de toepasselijkheid daarvan in de onderhavige zaak, maken dat de in casu door het openbaar ministerie gevoerde wijze van ten laste leggen de ontvankelijkheid niet raakt, zodat het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1A en B, 2A en B primair ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] , technisch onderzoek en de aan de hand van camerabeelden gereconstrueerde tijdlijn.

De officier van justitie heeft daarbij telkens gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen en van de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk, een en ander nader uitgewerkt in het door de officier van justitie op schrift gestelde en aan het proces verbaal van de zitting gehecht requisitoir.

Met betrekking tot het terroristisch oogmerk heeft de officier van justitie opgemerkt dat van de onder artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemde criteria, de twee eerstgenoemde criteria, te weten:

- ( een deel) van de bevolking van een land vrees aanjagen en

- een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk ergens toe dwingen,

in deze zaak aan de orde zijn.

5.1.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat algehele vrijspraak van het ten laste gelegde dient te volgen, waartoe de raadsman, zakelijk weergegeven, het volgende heeft aangevoerd:

-wettig bewijs voor het terroristisch oogmerk en de aanwezigheid van een rechts-extremistisch gedachtengoed bij verdachte ontbreekt. Een eventueel uitgevoerd delict is enkel het resultaat van stupiditeit, dronkenschap en middelgebruik en heeft met een politieke stellingname niets te maken;

-wettig bewijs voor de in de feiten 2A en 2B onder a t/m e omschreven handelingen ontbreekt;

-voor zover er al sprake zou zijn van aangejaagde ernstige vrees bij een gedeelte van de bevolking, is die vrees enkel door toedoen van het openbaar ministerie ontstaan;

-de (belastende) verklaringen van [medeverdachte 1] , [getuige 1] en [getuige 3] , zijn onbetrouwbaar en dienen derhalve bij de beoordeling van het bewijs buiten beschouwing te worden gelaten;

-wettig bewijs voor de aanwezigheid van gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar of de dood van mensen, ontbreekt.

-wettig bewijs voor medeplegen ontbreekt.

5.1.3.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] nemen vóór 27 februari 2016 elk verschillende malen en in wisselende samenstellingen deel aan demonstraties die worden georganiseerd door een tegen de komst van asielzoekers(centra) gerichte actiegroep. Tijdens deze demonstraties wordt door een aantal deelnemers rechtsextremistische gedachtengoed uitgedragen. In de aanloop naar 27 februari 2016 delen de verdachten in een tweetal groepsapps volop racistisch en rechts-extremistisch materiaal. Zo zijn afbeeldingen aangetroffen van

-Adolf Hitler met als bijschrift “Hitler approves”;

-een schoonmaakmiddel met als bijschrift “Marokkanen verwijderaar”;

-Anne Frank met als bijschrift “morgen naar school toe? Nee joh ik ga op kamp”;

-een negroïde persoon die is aangereden door een auto met als bijschrift “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak en

-Adolf Hitler met als bijschrift “Islamisten….die habe ich vergessen”.

Verschillende verdachten reageren enthousiast en met instemming op de geplaatste afbeeldingen. Regelmatig wordt in reactie ook een andere afbeelding van dezelfde aard in de groepsapp gedeeld. Via de groepsapp wordt uiteindelijk een afspraak gemaakt om elkaar op 27 februari 2016 te treffen in de schuur van [verdachte] . Doel van de bijeenkomst is afspraken te maken voor een bijeenkomst de dag daarop van de verdachten met Dutch Self Defence Army (D.S.D.A.) te Amersfoort. In de schuur brengt [medeverdachte 3] ter sprake dat er dreigbrieven zijn verstuurd naar verschillende moskeeën in het land. Vervolgens stelt iemand uit de groep voor om molotovcocktails te maken en deze tegen de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede te gooien, dit met als doel de gemeente bang te maken en haar ertoe te bewegen af te zien van de oprichting van een asielzoekerscentrum in Enschede. Dit voorstel wordt binnen de groep met instemming ontvangen. Omdat [verdachte] niet over lege flessen beschikt vertrekt men gezamenlijk naar de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 1] te Enschede. In die woning worden door [medeverdachte 1] en [verdachte] molotovcocktails gefabriceerd. [medeverdachte 4] steekt ze vervolgens in zijn zak. De groep vertrekt daarna in de auto van [medeverdachte 1] - een driedeurs - naar de moskee aan de Tweede Emmastraat in Enschede. [medeverdachte 1] bestuurt de auto. [verdachte] zit naast hem op de passagiersstoel. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zitten achterin. Men rijdt eerst langs de moskee. Bij de moskee staan auto’s en fietsen geparkeerd en binnen brandt licht. In de moskee zijn op dat moment 30 á 40 personen aanwezig. Nadat [medeverdachte 1] de auto nabij de moskee tot stilstand heeft gebracht, stapt [verdachte] uit om [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] eruit te laten. Vervolgens rijden [medeverdachte 1] en [verdachte] terug naar de woning van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zorgt ervoor dat de voordeur van zijn woning open staat, omdat het de bedoeling is elkaar te treffen in de woning van [medeverdachte 1] , nadat de cocktails gegooid zijn. Intussen lopen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] richting de moskee. Vlak voor de omheining van de moskee steekt [medeverdachte 2] een molotovcocktail aan en gooit die over de haag richting de moskee, waarop deze molotovcocktail tot ontbranding komt. Vervolgens lukt het uiteindelijk ook [medeverdachte 4] om de molotovcocktail aan te steken en deze in de richting van de moskee te gooien. Hierop rennen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] weg. In de muur van het gebedshuis, die zich bevindt in de richting waarin de molotovcocktails zijn gegooid, bevinden zich twee raamopeningen. Iets brandends vliegt door de lucht en komt tegen de gevel van de moskee aan. Een van de getuigen ziet nadien vlekken op de gevel. Op het gras, ongeveer 120 centimeter voor de muur van de moskee, ontstaat brandschade. Op ongeveer 80 centimeter van de plek waar brandschade ontstaat, staat een hoge coniferenhaag als erfafscheiding tussen straat en moskeeterrein. Op ongeveer vijf meter van de brandplek bevindt zich een aanbouw van de moskee die is voorzien van een plat bitumen dak. Door een bezoeker van de moskee zijn de vlammen op het grasveld uitgetrapt. Nadat de molotovcocktails in de richting van de moskee zijn gegooid vervoegen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zich bij [medeverdachte 1] en [verdachte] in de woning van [medeverdachte 1] . Daar wordt enkele minuten later op initiatief van [verdachte] een foto van het stel gemaakt, waarop men proostend en feestend staat afgebeeld.

Terroristisch oogmerk.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder 1A en B en 2A en B primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd met een terroristisch oogmerk, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.

Op grond van artikel 83 jo artikel 83a Sr kan een misdrijf worden aangemerkt als een terroristisch misdrijf indien verdachte dit misdrijf heeft gepleegd met het oogmerk om de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Terroristisch oogmerk heeft derhalve drie verschijningsvormen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank de eerste twee hier aan de orde zijn.

In de memorie van toelichting heeft de wetgever vorenstaande in die zin toegelicht dat niet vereist is dat het aanjagen van vrees tot het daadwerkelijk geïntimideerd zijn van de bevolking behoeft te hebben geleid en dat centraal staat de intentie van de dader om vrees aan te jagen. Bovendien kan volgens de wetgever vrees aanjagen ook zien op een deel van de bevolking. Oogmerk wordt doorgaans afgeleid uit het gedrag van een verdachte en is een juridisch bestanddeel dat met bewijsmiddelen moet worden onderbouwd. Zichtbare gedragingen kleuren de intentie in. Waar het die intentie betreft biedt het onderhavige strafdossier daarvoor de nodige aanknopingspunten. Met name het bij verdachte en diens medeverdachten op gegevensdragers aangetroffen rechts-extremistische materiaal, geven een inkleuring van het oogmerk. Uit het onderhavige procesdossier, de daarin weergegeven foto’s en de daarover door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hiervoor afgelegde verklaringen, blijkt dat verdachte en één of meer van diens medeverdachten in aanloop naar de brandstichting hebben deelgenomen aan demonstraties georganiseerd door een actiegroep die zich sterk richt tegen de komst van asielzoekers. Door deelnemers aan deze demonstraties worden rechtsextremistische uitingen niet geschuwd. Daarnaast wordt door verdachte en diens medeverdachten, in de periode voorafgaand aan het gooien van de molotovcocktails, via een tweetal groepsapps in woord en beeld volop blijk gegeven van onmiskenbaar racistisch en rechts-extremistisch gedachtengoed. In het schuurtje van [verdachte] , voorafgaand aan de fabricage van de brandbommen, is gesproken over de onder moskeeën verspreide dreigbrieven. Een moskee is in rechtsextremistische kringen een symbool bij uitstek van hetgeen men in deze kringen in de Nederlandse samenleving verwerpt. In dat licht bezien kan de keuze van het doel van de brandstichting, zoals deze blijkbaar gemaakt is in het schuurtje van [verdachte] , slechts worden gezien als gericht op het aanjagen van vrees bij - in elk geval - het islamitisch deel der bevolking.

Voor zover is betoogd dat de foto’s die zijn genomen in de woning van [medeverdachte 1] kort na de 112 melding, niet kunnen meewerken aan het bewijs voor vorenvermeld oogmerk bij verdachte omdat deze zijn genomen nadat het feit al had plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat gedragingen die hebben plaatsgevonden na het plegen van een strafbaar feit zeer wel een inkleuring kunnen geven aan het opzet zoals dat kennelijk vooraf heeft moeten bestaan. De rechtbank kan niets anders op de betreffende foto’s zien dan een aantal mannen die proosten op een succesvolle actie. Dat het tevens de bedoeling was dat de foto’s als alibi zouden dienen, doet daar niet aan af.

Al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien met de verklaring van [medeverdachte 1] , dat er molotovcocktails zouden worden gegooid naar de moskee om de gemeente bang te maken en dat de gemeente dat met de vluchtelingen dan niet zou doen, maakt dat bij verdachte sprake is geweest van een terroristisch oogmerk. Het gooien van de molotovcocktail had tot doel het oogmerk om de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Ten aanzien van dat eerste onderdeel merkt de rechtbank nog op dat het als een feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat niet alleen de bezoekers van de moskee die aanwezig waren ten tijde van het delict, maar ook de moslimgemeenschap in haar algemeenheid grote angst is aangejaagd door toedoen van verdachte en diens mededaders. Zulks klemt temeer nu verschillende moskeeën in Nederland in de periode voorafgaand aan de onderhavige strafbare feiten, dreigbrieven hadden ontvangen. Daarvan waren de verdachten ook op de hoogte. Zo verklaarde [medeverdachte 1] immers dat bij de bespreking in de schuur van verdachte voorafgaand aan het delict, [medeverdachte 3] had gevraagd of men had gehoord van de brieven aan de moskeeën. Met betrekking tot het betoog van de raadsman omtrent de knullige omstandigheden, waaronder de onderhavige feiten, indien bewezen, zijn uitgevoerd, overweegt de rechtbank dat de (geringe) intelligentie en de mate van professionaliteit en zorgvuldigheid waarmee de feiten zijn uitgevoerd, hooguit een rol spelen bij de straftoemeting maar bij het beoordelingscriterium over de vraag of sprake is van een terroristisch oogmerk er niet toe doen.

Medeplegen

De rechtbank dient te beoordelen of op grond van vorenstaande bewijsmiddelen sprake is geweest van medeplegen in de zin van artikel 47 Sr. De rechtbank stelt voorop dat daarvan sprake is indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan de feiten. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die strafbare feiten pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die de feiten medepleegt. Beoordeeld moet worden of de door verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 27 februari 2016 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] zich verzameld in of bij de schuur van [verdachte] . Daar is het gezamenlijke plan gesmeed om een molotovcocktail tegen de moskee te gooien. Omdat [verdachte] geen flessen in huis had zijn ze met z’n vijven, op voorstel van [medeverdachte 1] , naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, waar door [verdachte] en [medeverdachte 1] de twee molotovcocktails zijn gefabriceerd. Nadat [medeverdachte 4] de molotovcocktails bij zich had gestoken zijn ze met z’n vijven, in de auto van [medeverdachte 1] , die door [medeverdachte 1] werd bestuurd, naar de moskee gereden. In de directe nabijheid van de moskee zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] en [verdachte] uit de auto gelaten. [verdachte] moest uit de auto stappen om [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gelegenheid te geven uit te stappen. [verdachte] heeft vervolgens weer in de auto plaatsgenomen en is samen met [medeverdachte 1] , die nog steeds de auto bestuurde, naar de woning van [medeverdachte 1] gereden. In afwachting van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 1] de voordeur van zijn woning opengelaten en hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] samen buiten de andere drie opgewacht. Nadat alle verdachten kort hierop weer met z’n vijven herenigd zijn in de woning van [medeverdachte 1] en is meegedeeld dat er twee molotovcocktails in de richting van de moskee zijn gegooid, zijn foto’s gemaakt waarop de verdachten te zien zijn, naar het zich laat aanzien proostend op de goede afloop.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezamenlijk gedragen voornemen om brand te stichten op of aan de moskee. Verdachte heeft bewust en nauw samengewerkt met de anderen en aldus een wezenlijke bijdrage geleverd aan het plan tot brandstichting dat door allen is omarmd en uitgevoerd. Hij is aanwezig bij het beramen van het plan in zijn schuur, is vervolgens met de medeverdachten afgereisd naar de woning van [medeverdachte 1] , om daar met [medeverdachte 1] de molotovcocktails te fabriceren en heeft vervolgens [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] nabij de moskee afgezet, bij het huis van [medeverdachte 1] weer opgewacht en is samen met de anderen gefotografeerd om een alibi te construeren. Dat verdachte niet de persoon is die zelf de molotovcocktail heeft gegooid doet aan zijn aandeel niet af. Aldus wordt het verweer dat verdachte geen (mede)pleger zou zijn, verworpen.

Gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen

Het betoog van de raadsman dat geen sprake is van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en dan met name door de verklaring van aangever [aangever] , verschillende getuigen en het proces-verbaal sporenonderzoek/ brandoorzaakonderzoek. Uit die bewijsmiddelen komt immers het volgende naar voren. Op het moment van gooien van de molotovcocktails is de moskee bezocht. De getuige spreekt over aanwezigheid in de moskee van 30 á 40 mensen. Ook op het terrein van de moskee aan de buitenzijde bevinden zich rondom het tijdstip van het gooien van de molotovcocktails mensen. Volgens getuige [aangever] zijn kort voordat de molotovcocktails worden gegooid, op de plek waar deze uiteindelijk zijn neergekomen, nog kinderen aan het spelen. Voor verdachten is het zichtbaar dat de moskee geopend was en dat er mensen aanwezig zijn: er brandt licht in de moskee en er staan auto’s op de parkeerplaats. De molotovcocktails zijn over een haag naar de moskee gegooid, terwijl voor verdachte en zijn medeverdachten niet zichtbaar is of zich aan de andere kant van de haag mensen bevinden. Deze kans was zeker niet ondenkbeeldig, zo blijkt uit de verklaring van getuige [aangever] . Getuige [getuige 2] ziet dat er iets brandends door de lucht vliegt en tegen de gevel van de moskee komt. Getuige [getuige 6] ziet, na het blussen van de brand, vlekken tegen de gevel van de moskee. In het brandoorzaakonderzoek is vastgesteld dat het gras in de nabijheid van de moskee verbrand is. Door op deze manier te handelen, hebben verdachte en zijn medeverdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan de moskee brand zou ontstaan en dat mensen die zich op dat moment op het buitenterrein bevonden, getroffen zouden worden. Dit levert gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen op.

Met betrekking tot het aanwezige levensgevaar voor de aanwezigen in de moskee constateert de rechtbank dat het technisch onderzoek niet volledig is ten aanzien van de beantwoording van de vraag hoe groot de kans is dat bitumen vlam vat en hoe groot de kans is dat de molotovcocktails door het raam vliegen, dit mede met het oog op de aanwezige tralies voor de ramen.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] , [getuige 1] en [getuige 3] .

Het betoog van de raadsman dat de verklaringen van de verdachte [medeverdachte 1] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] onbetrouwbaar zijn en derhalve dienen te worden uitgesloten van het bewijs, wordt door de rechtbank verworpen, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.

De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn consistent en gedetailleerd en worden op essentiële punten ondersteund door zowel de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] als door zogenaamde technische bewijsmiddelen en de processen-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 1] te Enschede. Bovendien heeft verdachte [medeverdachte 1] belastend verklaard over zijn eigen aandeel in de strafbare feiten en is niet gebleken van enig motief om de medeverdachten onterecht te beschuldigen. Dat [medeverdachte 1] een reden zou hebben om in strijd met de waarheid belastend over de medeverdachten te verklaren is niet aannemelijk geworden.

De verklaring van de getuige [getuige 3] wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] en ook ten aanzien van [getuige 3] geldt dat niet is gebleken van een aannemelijke reden om belastend te verklaren over de medeverdachten van verdachte [medeverdachte 1] .

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 1] is niet gebleken van enige relatie tussen hem en één of meer van de verdachten en bestond er aldus wat hem betreft geen enkel belang of reden op grond waarvan hij bewust onjuist over de toedracht van het gebeuren en daarmee belastend voor de verdachten zou verklaren.

Voor zover het betoog van de raadsman ziet op het ontbreken van het bewijs wat betreft de punten a t/m e in de feiten 2A en 2B overweegt de rechtbank dat zij, gelet op hetgeen de rechtbank met betrekking tot de feiten 2A en 2B bewezen acht, dit betoog buiten beschouwing zal laten.

De raadsman heeft betoogd dat enkel door toedoen van het openbaar ministerie sprake is geweest van aangejaagde vrees bij de bevolking. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van enige onjuiste of ongeoorloofde mededeling in de media op dit punt door het openbaar ministerie. Door het openbaar ministerie is destijds in de media, op basis van op dat moment bestaande feiten en omstandigheden, kenbaar gemaakt waaruit de verdenking tegen de verdachten bestond. Ook bij de voorgeleiding en bij de behandeling in raadkamer is ten tijde van deze berichtgeving de verdenking ter zake van het terroristisch oogmerk aangenomen. Het openbaar ministerie heeft in zijn algemeen ten opzichte de gemeenschap en met name ten opzichte van slachtoffers van strafbare feiten, een bepaalde verantwoordelijkheid waar het de berichtgeving aangaande die strafbare feiten betreft.

Naar het oordeel van de rechtbank is van enig ongeoorloofd handelen van het openbaar ministerie ten aanzien van haar berichtgeving in de onderhavige zaak niet gebleken en is de in de onderhavige zaak ontstane angst, zijnde het beoogde doel van de verdachten, direct een gevolg geweest van het gooien van brandbommen in de richting van de moskee. Ook dit betoog dient derhalve te worden verworpen.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1A en B en 2A en B primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

A) (medeplegen van een poging tot brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand te stichten in/op/aan een moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bezoekers/medewerkers van die moskee en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bezoekers/medewerkers van die moskee, te duchten was,

met dat opzet met zijn mededaders,

  • -

    molotovcocktails heeft gemaakt en

  • -

    vervolgens met molotovcocktails naar de moskee is gegaan, en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails heeft aangestoken en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails heeft gegooid naar/in de richting van de moskee,

begaan met een terroristisch oogmerk, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN

B) (medeplegen van voltooide brandstichting met terroristisch oogmerk)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht op een grasveld bij de moskee (gelegen aan de Tweede Emmastraat te Enschede), immers hebben verdachte en zijn mededaders:

  • -

    molotovcocktails aangestoken en

  • -

    vervolgens de molotovcocktails gegooid naar/in de richting van de moskee,

ten gevolge waarvan dat grasveld gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aan dat grasveld grenzende beplanting/coniferenhaag en de buitenmuur van de moskee, te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk;

2

A) ( voorbereiding/bevordering in de zin van art 96 lid 2 Sr)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om:

opzettelijk brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden,

-voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, in gereedheid heeft gebracht,

immers zijn verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, telkens met voormeld oogmerk:

f. overeengekomen om molotovcocktails tegen een moskee te gooien en hebben zij

g. molotovcocktails gemaakt en hebben zij

h zich met molotovcocktails naar de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede begeven;

EN

B) (samenspanning)

hij op 27 februari 2016 te Enschede, heeft samengespannen tot het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten zou zijn, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers zijn verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, telkens met voormeld oogmerk:

f. overeengekomen om molotovcocktails tegen een moskee te gooien en hebben zij

g. molotovcocktails gemaakt.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1A en B en 2A en B primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daarbij ten aanzien van 2A (sub a tot en met e) en 2B (sub a tot en met e) dat hetgeen bij die letters staat vermeld geen feiten betreffen die zien op het oogmerk (tot samenspannen) tot brandstichting of ontploffing.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 47, 157, 176a, en 176b Sr.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1A

het misdrijf: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 1B

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2A

het misdrijf: medeplegen van, met het oogmerk om voor te breiden dat opzettelijk brand wordt gesticht en/of een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij zijn bestemd tot het plegen van het misdrijf en plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid brengen, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2B

het misdrijf: medeplegen van samenspanning tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben gezamenlijk besloten om de moslimgemeenschap en de gemeente Enschede angst aan te jagen met als doel de gemeente te laten afzien van de komst van een asielzoekerscentrum in Enschede. Daartoe hebben zij geprobeerd om met molotovcocktails een moskee in brand te steken. Door op deze wijze hun rechts-extremistische en racistische gedachtengoed uit te dragen hebben zij een grote angst teweeg gebracht zowel bij de moskeegangers te Enschede in het bijzonder als bij de Nederlandse moslimgemeenschap in het algemeen. Dat het bij een poging brandstichting is gebleven is niet de verdienste van verdachte en zijn medeverdachten geweest, maar van een alerte voorbijganger die de brand heeft weten uit te trappen. Brandstichting betreft, gelet op het gevaar zettende en onvoorspelbare karakter ervan, een zeer ernstig misdrijf dat levens en eigendommen bedreigt en bovendien grote maatschappelijk onrust doet ontstaan. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten op geen enkele wijze rekening gehouden met de risico’s waaraan anderen daardoor zijn blootgesteld. Feiten als deze houden een ernstige beschadiging en ontregeling van de rechtsorde in, met name als die worden gepleegd met een terroristisch oogmerk.

In een door F. Jonker, GZ-psycholoog, NRGD rapporteur opgemaakt rapport van

20 september 2016 wordt gesteld dat door de weigering van betrokkene om mee te werken aan het onderzoek, geen diagnose gesteld kan worden. Daardoor is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de vraag of wel of niet sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Verder wordt in een reclasseringsrapport van 27 september 2016 onder meer te kennen gegeven dat zij, nu betrokkene ontkent en niet wil meewerken aan het gedragsdeskundig onderzoek van het NIFP, niet kunnen inschatten wat de omstandigheden en de verbanden daartussen zijn, in relatie tot de verdenking.

De rechtbank overweegt dat voor zover er overlap is bij de ten laste gelegde feiten, met name van A naar B, er sprake is van eendaadse samenloop. Deze samenloop heeft geen invloed op de op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte, die, gelet op zijn proces-houding, kennelijk geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn strafbare gedragingen, een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om een reclasseringstoezicht en na te melden bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, alsmede om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst andermaal feiten als deze te plegen.

Met betrekking tot het namens verdachte ingediende verzoek om opheffing, c.q. schorsing van verdachtes voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank dat dit dient te worden afgewezen, nu de ernstige bewaren en gronden voor de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 55 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1A en B en 2A en B primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1A en B en 2A en B primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1A

het misdrijf: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 1B

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2A

het misdrijf: medeplegen van, met het oogmerk om voor te breiden dat opzettelijk brand wordt gestichten/of een ontploffing te weeg wordt gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij zijn bestemd tot het plegen van het misdrijf en plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid brengen, te begaan met een terroristisch oogmerk;

feit 2B

het misdrijf: medeplegen van samenspanning tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1A en B, 2A en B primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich na aanvang van de proeftijd meldt bij reclassering Nederland. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met

[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag] 1991, [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag] 1979, [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag] 1981 en [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag] 1982;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2016099828 van 1 juli 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

ten aanzien van de feiten 1A en B en 2A en B primair:

1.

De zich op pagina’s 1210 en 1211 bevindende verklaring van de getuige [getuige 1] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016, omstreeks 21.35 uur reed ik over de Emmastraat. Ter hoogte van de moskee zag ik drie mannen in de richting van de moskee lopen. Ze staken de Tweede Emmastraat over, trokken de capuchon over hun hoofd en liepen naar het hek van de moskee. Ik zag dat twee mannen een fles uit hun jaszak pakten en met een aansteker de fles in brand probeerden te steken. Ik zag dat één van de flessen in brand vloog. Ik zag dat de man de brandende fles in de richting van de moskee gooide. Ik zag vervolgens een oranje gloed van vuur bij de moskee. Ik zag dat de andere man met de fles in de hand bleef proberen om de fles in brand te steken. Ik zag dat de fles uiteindelijk ook in brand vloog. Ik zag dat deze man vervolgens de brandende fles in de richting van de moskee gooide. Vervolgens renden de drie mannen weg. Ik ben vervolgens achter de mannen aangereden. Twee mannen renden in de richting van de [straat 1]. Een van deze mannen zag ik daar een woning in gaan. De voordeur van deze woning stond al open. Dit is de man die een brandende fles in de richting van de moskee heeft gegooid. Op verzoek van de politie ben ik teruggegaan naar de [straat 1] om te zien welk perceelnummer de man die een brandende fles had gegooid, naar binnen was gegaan. Dit is perceelnummer [huisnummer]. De man die de brandende fles heeft gegooid had een donkere driekwart parkajas met capuchon aan. De man die door het [park] rende had ook een driekwart parkajas met capuchon aan.

2.

De zich op pagina’s 1219 en 1220 bevindende verklaring van de getuige [getuige 4] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016, omstreeks 21.50 uur, zag ik vanuit mijn woning dat een persoon de [straat 2] te Enschede overstak en in de richting van de omheining van de moskee ging. Vlak voor de omheining zag ik dat die persoon een voorwerp met een aansteker in brand stak en vervolgens met dat brandende voorwerp een gooibeweging maakte in de richting van de moskee. Vervolgens zag ik een brandende gloed van vuur achter de coniferen omheining van de moskee.

3.

De zich op pagina’s 1204 en 1205 bevindende verklaring van de getuige [getuige 5] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016 was ik bezoeker van de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede.

In de gebedsruimte waren ongeveer 30 personen aanwezig. Rond 21.30 uur kwamen er twee mannen de moskee binnen. Ze zeiden dat er een bierfles met vlam richting de moskee was gegooid. Buiten gekomen zag ik vlammen tegen de moskee aan. Daar is een grasveld. Ik heb de vlammen uitgetrapt.

4.

De zich op pagina’s 1105 t/m 1198 bevindende verklaring van aangever [aangever] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Ik doe namens de moskee aan de Tweede Emmastraat 50 te Enschede aangifte van poging tot brandstichting aan de moskee op 27 februari 2016, omstreeks 21.41 uur.

Op het moment van de poging brandstichting waren er ongeveer 30 personen, onder wie een aantal kinderen, in het gebouw. Op de plek waar de restanten van de brandbommen in het gras zijn gekomen waren die avond tot enkele minuten voordat de brandbommen werden gegooid, nog kinderen aan het spelen. Aan de zijde waar gegooid is zijn ramen aanwezig. Achter de ruiten zit de gebedsruimte. Het was duidelijk te zien dat er mensen in de moskee aanwezig waren. Het licht brandde volop en op de parkeerplaats stonden auto’s en fietsen. Onder de bezoekers is momenteel grote angst en onrust. Door de brandbommen is er schade ontstaan aan de graszoden.

5.

De zich op pagina’s 1225 en 1226 bevindende verklaring van [getuige 2] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016 omstreeks 21.45 uur liep ik in de richting van de Tweede Emmastraat. Ik zag dat er iets brandends door de lucht vloog en tegen de gevel van de moskee kwam. Er was vervolgens een rode gloed nabij die plek.

6.

De zich op pagina’s 1227 en 1228 bevindende verklaring van [getuige 6] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op zaterdag 27 februari 2016 in de avond, liep mik nabij de moskee aan de Tweede Emmastraat te Enschede. Ter hoogte van de moskee zag iets vlammen. Ik zag dat zich vuur van de ene plek naar de andere verplaatste. Aan de graskant zag ik twee brandhaarden op ongeveer een halve meter van de muur van de moskee. Nadat we de brand hadden geblust zag ik dat er vlekken tegen de gevel zaten.

7.

Een zich op pagina’s 1243 en 1245 bevindend proces-verbaal sporenonderzoek dat, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 27 februari 2016 te 22.45 uur, werd door mij, verbalisant, een forensisch onderzoek ingesteld, nadat een molotovcocktail tegen de buitenmuur van een gebedshuis aan de Tweede Emmastraat 50 te Enschede zou zijn geworpen. Ik zag glasscherven nabij de buitenmuur van het gebedshuis. Ik kon naast het glas stukken textiel, synthetische watten en etiketten onderscheiden. Ik zag een beroete flesbodem en een fles met een etiket met de tekst “Holger”. In het gras lag een stuk textiel dat groen en taupe van kleur was. Op een tegel zag ik vochtige synthetische watten. Er was sprake van 2 flessen. Er was brandschade aan het gazon. De lont van de molotovcocktails bestond uit synthetische watten met daaromheen een stuk textiel.

8.

Een zich op pagina’s 1259 en 1260 bevindend proces-verbaal sporenonderzoek/brandoorzaakonderzoek dat, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Op 29 februari 2016 werd door mij, verbalisant, een forensisch onderzoek ingesteld nadat op 27 februari 2016 een molotovcocktail tegen de buitenmuur van een gebedshuis aan de Tweede Emmastraat 50 te Enschede zou zijn geworpen.

Ik zag op het gras in een diameter van ongeveer 60 centimeter brandschade. Ik zag dat de brandschade zich op een afstand van ongeveer 80 centimeter van de heg en 120 centimeter van de muur bevond. In de muur van het gebedshuis bevonden zich 2 raamopeningen. De hoekmuur van het gebedshuis behoorde bij een bijgebouw waarvan het platte dak, voorzien van bitumen, zich op ongeveer 5 meter bevond. Gezien de locatie waar de brand had gewoed en brandschade was vastgesteld, was gemeen gevaar voor goederen aanwezig. Het aanwezige vuur op het gras had uit kunnen breiden naar de coniferenhaag die zich langs de gehele noordoostelijke erfgrens bevond. De molotovcocktail had op het platte dak van het gebedshuis kunnen belanden waarmee, subjectief gezien, gemeen gevaar voor personen had kunnen ontstaan.

9.

Twee zich op pagina’s 1378 t/m 1380 en 1404 en 1405, bevindende processen-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 1] te Enschede, die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhouden (bij het relateren van de inhoud van voormelde processen-verbaal worden de juiste tijden bij de beelden vermeld):

Op 4 en 7 maart 2016 heb ik, verbalisant, de beelden bekeken die afkomstig zijn van de camera’s van [adres 1] te Enschede. Deze camerabeelden zijn veiliggesteld door digitale recherche. Ik heb hierbij channel 1 en channel 4 bekeken tussen de tijdstippen 20.57.15 uur en 22.31.33 uur. Channel 1 en channel 4 zijn de camera’s aan de voorkant van de woning van [adres 1] te Enschede. Channel 1 is gericht op de voordeur van de betreffende woning, [adres 1] . Channel 4 is gericht op de stoep/straat links van de voordeur, gezien vanuit de woning zelf.

Ik zie het volgende:

Op 21.09.13 uur zie ik op channel 4 één auto onder in beeld aan komen rijden. Terwijl deze auto aan de linkerkant van de straat parkeert, gezien vanuit de woning [adres 1] , komt er meteen daarachter nog een auto onder in beeld aanrijden. Deze auto parkeert tevens aan de linkerkant van de straat, voor de eerste auto. Vervolgens zie ik diverse personen uit de beide auto’s stappen. Deze personen lopen allen in de richting van de woning [adres 1] . De eerst twee personen, die uit de eerst geparkeerde auto zijn gestapt, zijn een man met een kaal hoofd en een vrouw met lang blond haar. Deze personen herken ik ambtshave als [medeverdachte 1] en [getuige 3] . Achter [getuige 3] komen achtereenvolgens meerdere manspersonen die uit de als tweede geparkeerde auto komen. De eerste manspersoon welke achter [getuige 3] loopt, loopt richting de woning. Achter deze manspersoon loopt nog een manspersoon richting de woning. Achter deze man komen omstreeks 21.10.08 uur komen twee mannen in beeld, ook zij komen uit de auto die als tweede geparkeerd werd. De persoon links, gezien vanuit de camerapositie, is een kalende man die een parkajas draagt met een bontkraag bij de capuchon (hierna NN1). Ik zie dat beide personen links, gezien vanuit de camerapositie, een paadje in gaan. Op 21.11.08 uur zie ik vervolgens dat deze beide mannen weer links, gezien vanuit de camerapositie, in beeld komen. Hierbij loopt NN1 achter de man aan die iets in zijn linkerhand draagt. Zij verdwijnen vervolgens onder uit beeld. Op 21.09.23 uur zie ik op channel 1 [medeverdachte 1] onder in beeld verschijnen. Ik zie vervolgens dat [medeverdachte 1] de deur opent. Op dat moment verschijnt [getuige 3] onder in beeld. [medeverdachte 1] en [getuige 3] gaan vervolgens beiden de betreffende woning binnen. Op 21.09.41 uur zie ik één persoon onder in beeld verschijnen. Ook deze persoon loopt de betreffende woning binnen. Op 21.09.46 uur zie ik wederom één persoon onder in beeld verschijnen en de betreffende woning in lopen. Op 21.11.01 uur zie ik vervolgens 2 personen onder in beeld verschijnen. Zij lopen ook via de voordeur de betreffende woning in. Op 21.24.00 uur zie ik op channel 1, 5 mannelijke personen via de voordeur van de woning naar buiten komen. Hierbij is de derde manspersoon die naar buiten komt NN1. De vijfde manspersoon die naar buiten komt is [medeverdachte 1] . De mannen verdwijnen vervolgens allen onder uit beeld. Op 21.24.41 uur zie ik dat [getuige 3] via de voordeur van de woning naar buiten komt. Zij loopt in de richting van de mannen onder in beeld, draait zich vervolgens weer om en loopt weer in de richting van de voordeur om de woning in te gaan. Op 21.24.03 uur zie ik op channel 4 een manspersoon onder in beeld komen. Deze man wordt gevolgd door 3 andere mannen en, als laatste, komt [medeverdachte 1] in beeld. Een van deze mannen herken ik als NN1. Ik zie dat meerdere van deze manspersonen iets in hun handen vasthouden. Deze 5 mannen blijven enkele seconden onder in beeld staan en lopen vervolgens richting de auto. Dit betreft de auto die om 21.09.13 uur als eerste werd geparkeerd.

Op 21.24.41 uur zie ik [medeverdachte 1] terug lopen richting de woning. Op dat moment verschijnt ook [getuige 3] onder in beeld. [getuige 3] verdwijnt vervolgens weer onder uit beeld en [medeverdachte 1] draait zich om en loopt terug richting de auto waar de andere mannen nog staan. Zij lopen vervolgens iets verder. Op 21.25.35 uur zie ik de mannen terug lopen en in de betreffende auto stappen. Op 21.26.08 uur zie ik dat van de betreffende auto de lampen aan gaan, waarna deze auto weg rijdt. Op 21.26.28 uur zie ik dat de auto, boven in beeld rechtsaf slaat, gezien vanuit de camerapositie. Op 21.38.29 uur zie ik op channel 4 een auto onder in beeld verschijnen. De auto parkeert aan de linkerzijde van de straat, gezien vanuit de camerapositie. Dit is dezelfde plek als waar de eerste auto op 21.09.13 uur heeft geparkeerd. Ik zie vervolgens dat er 2 manspersonen uit de auto stappen. De manspersoon die uitstapt vanuit de bijrijderspositie loopt voorop. Ik zie dat hij iets in zijn beide handen vasthoudt. Vervolgens zie ik dat deze manspersoon op 21.38.48 uur links, gezien vanuit de camerapositie, uit beeld verdwijnt. De persoon die uit de auto stapte vanuit de bestuurderskant herken ik als [medeverdachte 1] . Hij loopt richting de woning [adres 1] , kijkt in de richting van de woning en verdwijnt vervolgens op 21.38.50 uur uit beeld. Op 21.38.48 uur zie ik op channel 1 [medeverdachte 1] onder in beeld verschijnen. Ik zie dat hij door het raam de woning in kijkt en vervolgens richting de voordeur van de woning loopt. Deze deur opent hij. Hij stapt vervolgens de woning in en enkele seconden later komt hij weer naar buiten. Hij blijft zich daarna in de deuropening van de woning begeven. Daarna loopt hij weer weg en op 21.39.09 uur verdwijnt hij weer onder uit beeld.

Op 21.39.09 uur zie ik op channel 4 van onder [medeverdachte 1] in beeld komen. [medeverdachte 1] trekt zijn capuchon over zijn hoofd en loopt over de stoep in de richting van [adres 2]. De man die eerder het paadje in gegaan was, komt het paadje uit en loopt achter [medeverdachte 1] aan. Beide mannen verdwijnen lopend uit beeld.

Op 21.40.22 uur zie ik op channel 1 een manspersoon rennend boven in beeld komen. Ik zie dat deze persoon vervolgens de woning in rent.

Op 9, 10 en 16 maart 2016 heb ik verbalisant, opgenomen beeldmateriaal bekeken dat afkomstig is van de camera’s die bevestigd zijn aan de voorzijde van de woning van perceel [adres 1] te Enschede. Dit betreft channel 1 en 4.

Ik zag het volgende:

21.38.49 uur channel 1, man met kaal hoofd, komt van onder in beeld en gaat via de voordeur van de woning [adres 1] naar binnen. Dit is dezelfde persoon die collega [verbalisant] herkent als [medeverdachte 1] .

21.39.02 uur channel 1, man met kaal hoofd ( [medeverdachte 1] ), staat even in de deuropening van de woning [adres 1] en loopt vervolgens weg onder in het beeld uit.

21.40.18 uur channel 4, auto komt boven het beeld in, rijdt door en verdwijnt onder uit beeld. 21.40.20 uur channel 1, man met kaal hoofd met parka met capuchon komt boven het beeld inlopen en loopt via de voordeur de woning [adres 2] naar binnen. Het lijkt of de voordeur openstaat omdat de man door loopt en geen handelingen verricht om een deur of een slot te openen.

21.41.21 uur. channel 1, zelfde man als op 21.40.20 uur komt de voordeur van [adres 1] uit en kijkt naar links, hij lijkt te praten en loopt de woning weer in.

21.42.23 uur channel 1, zelfde man als 21.40.20 en 21.41.21 uur komt de voordeur weer uit en kijkt wederom naar links. De man loopt vervolgens het beeld uit

21.42.32 uur channel 4, man met kaal hoofd, ¾ parkajas met bontkraag, komt van rechts onder in beeld, kijkt om zich heen en lijkt een paar seconden te wachten. Vervolgens loopt hij onder het beeld weer uit.

21.43.20 uur channel 4, meerdere manspersonen komen vanuit de richting [adres 2] boven het beeld in lopen. Eerst twee manspersonen, de rechtse man heeft een kaal hoofd (de eerder in proces verbaal genoemde [medeverdachte 1] ) en de linker man is langer. Deze twee mannen verdwijnen onder in beeld. Vervolgens komen er nog drie manspersonen van boven, uit de richting van [adres 2], het beeld in lopen. Alle drie manspersonen hebben een kaal hoofd. De meest rechtse man draagt een ¾ parkajas met bontkraag, dit is dezelfde man als genoemd in het tijdstip 21.42.32 uur. Deze drie mannen verdwijnen onder uit beeld.

21.43.29 uur channel 1, twee manspersonen komen van onderen het beeld in lopen. De man links heeft een kaal hoofd, zwarte jas, en de binnenkant van zijn capuchon is licht van kleur (de eerder in proces verbaal genoemde [medeverdachte 1] ). De andere man is langer en heeft iets op zijn hoofd. Beiden mannen gaan via de voordeur de woning [adres 1] in.

21.43.41 uur channel 1, drie manspersonen komen van onder het beeld in lopen en gaan de

woning [adres 1] naar binnen. De eerste man heeft een kaal hoofd en draagt een 3/4 parkajas, met bontkraag. De tweede man heeft een kaal hoofd en de derde man heeft ook een kaal hoofd en draagt ook een ¾ jas met capuchon.

10.

De zich op pagina’s 120 en 132 bevindende verklaring van verdachte [medeverdachte 1] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt: (V = vraag verbalisanten, A = antwoord verdachte, O = opmerking verbalisant)

A: Die zaterdag kreeg ik [verdachte] aan de telefoon en hij vroeg wat we die avond zouden doen. Ik zei niets bijzonders. Toen vroeg hij of we zin hadden om te komen, om te praten over die dag er na.

Ik de schuur in daar. Daar waren toen ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Ik weet zijn achternaam zo niet.

We hebben een beetje gepraat daar en hebben er een uurtje of twee gezeten. [medeverdachte 3] zei toen: “Hebben jullie dat gehoord van die brieven aan de moskee”. Dat hadden wij gehoord. Toen zei iemand, dat wij wat zouden doen om de gemeente bang te maken voor vluchtelingen die komen.

Wij besloten om een cocktail tegen de muur aan te gooien bij de moskee. [verdachte] zei toen dat hij geen flesjes in huis had. Ik zei dat ik nog wel flesjes thuis had. Toen zijn we naar mijn huis gereden. [getuige 3] met mij in de auto. [verdachte] met [medeverdachte 3]‘s auto en [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zaten daar ook in. Ik heb toen met [verdachte] in de schuur flesjes gepakt. [verdachte] had spuitbussen bij zich. Dat spul heeft hij in de fles gespoten. We hebben er twee gevuld. Maar toen moesten we dat dicht maken. Ik kijk om mij heen, had ik daar watten liggen uit de droger. Wij dat er in gedaan, maar dat hield niet. Toen zag ik een tuinstoelkussen, daar hebben we 2 strookjes uitgesneden. En die watten hebben we erin gedaan. [medeverdachte 4] heeft ze in de tuk gedaan, die twee cocktails. Toen zijn we in de auto gegaan, met mijn auto. De bedoeling was dat ik op een plek zou staan wachten op hen.

Heb je een plattegrond?

V: Ja die hebben we.

O: We geven verdachte een plattegrond van omgeving [straat 1].

V: Verdachte geeft de route aan op de plattegrond die ze gereden hebben.

A: Hier is de Moskee hè. Hier ben ik de Bloemendaalstraat ingegaan.

A: Ik zou eigenlijk hier stoppen.

O: Verdachte wijst Bloemendaalstraat aan.

A: Maar toen gingen we dus rijden, helemaal hier langs en zo langs de moskee. Toen op de kruising met Pathmossingel net voorbij de Tweede Emmastraat stopte ik met de auto. Ik zei dat we het niet moesten doen, omdat er ook auto’s bij de moskee geparkeerd stonden.

[medeverdachte 4] zei toen tegen mij: “Laat mij maar eruit, jij hebt geen ballen. Ik doe het zelf wel.”

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn ook uit de auto gestapt daar. [verdachte] is weer bij mij ingestapt en toen zijn we weer naar mijn huis gegaan.

Toen ik bij mijn huis kwam, hoorde ik de brandweer al.

Ik ben toen weggegaan en heb de deur opengelaten. Ik zei tegen [verdachte] zullen we aan het eind van de straat wachten. Ben ik daar gaan staan met [verdachte].

A: Hier kwam [medeverdachte 4] vandaan.

O: Verdachte wijst Ruwerstraat aan.

A: [medeverdachte 2] kwam van hier.

O: Verdachte wijst de Buitenweg aan.

A: En [medeverdachte 3] kwam van achteren aanlopen.

O: Verdachte wijst vanuit de richting [straat 1] / Pathmossingel.

A: Toen zijn we naar ons huis gegaan. Eenmaal in de woning, zei [medeverdachte 3]: “Maak een foto van ons allemaal, lijkt net of we bij een verjaardag zijn geweest.

O: Bij het doorlezen merkt verdachte op dat [verdachte] dit zei, niet [medeverdachte 3].

A: Want ik had de slingers nog hangen, leek net of we verjaardag hadden.

[medeverdachte 2] vertelde dat de cocktail van hem uiteen spatte, [medeverdachte 4] kreeg hem niet aan. Toen hebben we het nog gehad over DSDA. En een half uurtje later zijn we weggegaan.

Ik was benieuwd wat de schade zou zijn en ben langs de moskee gereden.

V: Hoe laat waren jullie ongeveer bij [verdachte]?

A: In denk iets van 19.00 uur / 19.15 uur

V: Je zei dat iemand zei: “Zullen wij de gemeente bang maken”. Wie zei dat ?

A: Iemand die in de schuur was.

V: Wie waren er op dat moment in de schuur?

A: Wij vijven, [medeverdachte 2], Ik, [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 4]. (...) Iedereen zei: “Dan doen we dat”.

V: Hoe is het plan gekomen ?

A: (…) Toen hebben we daarmee ingestemd en toen gingen we dat doen. (….) Met die cocktails tegen de muur.

V: Hoe wist je dat je zo’n cocktail moest maken?

A: Dat moet je aan die jongens vragen die daar bij waren, maar ik heb deze gemaakt.(…) Ik heb de stof gesneden. Dat was van een kussen van een tuinstoel. (….). [verdachte] heeft het gas erin gedaan. (…) Ik heb het daarna in de roze vuilnisbak in huis gegooid.

V: Wat wisten de anderen van het plan van de cocktails ?

A: We hadden het allemaal bij [verdachte] bedacht in de schuur. We zijn allemaal in de auto gestapt. Toen wisten we allemaal wat we zouden gaan doen.(….) We hadden niet afgesproken, die doet dit of die doet dat. Dat ging gewoon zo.

V: Wie zat er naast jou ?

A: [verdachte]. (…) Achter mij zat [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] in het midden en [medeverdachte 4] daarnaast. [medeverdachte 4] stapte als eerste uit, nadat [verdachte] er even uit was gegaan.

V: Waar zag je die auto’s?

A: Hier voorbij de moskee. Toen ik vanaf de Poolmansweg de Elferinksweg op ging zag ik een busje staan.

V: (…) Wat dacht je toen ?

A: Omdat daar dan mensen waren.

A: (….) [medeverdachte 2] zei dat hij hem kapot had gegooid tegen de muur. [medeverdachte 4] zei dat hij hem eerst niet aan kreeg. [verdachte] vroeg of ik een foto wilde maken. Hij zei dan lijkt het net of we verjaardag hadden. Dan moest ik dat op facebook zetten en dan leek het net of we dat niet gedaan hadden. Die staat ook wel op mijn telefoon.

A: Waarom ben ik naar demonstraties gegaan vroegen jullie.

De eerste keer was in Enschede. De week erna in Ede. We waren met ongeveer 10 man bij de DTG weg en toen werden we in Ede benaderd om ons bij de DSDA aan te sluiten. [medeverdachte 4] heb ik leren kennen bij Ede. [medeverdachte 3] heb ik leren kennen bij de Enschedese demonstratie. [verdachte] ook toen.

11.

De zich op pagina’s 310 en 311 bevindende verklaring van [getuige 3] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt: (V = vraag verbalisanten, A = antwoord verdachte)

V. We hebben je bij het vorige verhoor een aantal zaken voorgehouden. Hoe denk je daar nu over ?

A. Ik wil daar best wat over vertellen.

We zijn op een gegeven moment bij de woning van [medeverdachte 1] aangekomen. Daar hebben wij bij elkaar gezeten en gedronken. Ik zag op een geven moment dat er mensen weg gingen. Ze zeiden toen: “We zijn zo terug”. Op een gegeven moment kwamen ze weer terug en toen zijn we verder gegaan met zitten. En ja…Ik hoorde ze volgens mij iets zeggen over een molotovcocktail. Later kreeg ik wel iets mee dat er iets bij de moskee gebeurd moest zijn. Ik schrik daar best van. Later kreeg ik toch wel iets mee dat er iets van een molotovcocktail naar toe was gegooid. Op een gegeven moment kwam een idee om langs te rijden om te kijken wat er precies was gebeurd. Ik ben toen met [medeverdachte 1] in de auto mee geweest. We zijn er toen langs gereden.

12.

De zich op pagina’s 1240 en 1241 bevindende verklaring van de getuige [getuige 7] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt:

Drie dagen geleden kwam [getuige 3] op bezoek. Dit was donderdag 3 maart. . Ze vertelde dat ze een relatie had met [medeverdachte 1]. Ze vroeg of ik wist dat [medeverdachte 1] was opgepakt. Hij werd er van verdachte een molotovcocktail te hebben gegooid. Naar de moskee. [getuige 3] zei hierop: “Maar er was een smerige Turk die de brand wist te blussen”. [getuige 3] vertelde dat [medeverdachte 1] zo dom was geweest. Ze hadden spullen bij hem in beslag genomen, zoals een krat bier, merk Holger, en met een flesje Holger zou naar de moskee gegooid zijn. En de hond had een kussen kapot gemaakt. De overblijfselen had [medeverdachte 1] in de Otto gegooid en hadden ze gebruikt voor de molotovcocktail.

13.

De zich op pagina’s 443 t/m 446 bevindende verklaring van verdachte [medeverdachte 2] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt: (V = vraag verbalisanten, A = antwoord verdachte, O = opmerking verbalisant)

V. We zien je op een foto staan met een ding van DTG.

A: Ja dat klopt. (…) Ik ben misschien twee keer bij een demonstratie geweest.

O: Verdachte wijst op de foto van [naam].

A: Hij is de grote baas en hij is extreem.(….) Ik kwam er achter dat ze banden hadden met extremistische organisaties en groepen.

V: We gaan je wat foto’s laten zien.

O: Deze worden gevoegd bij het verhoor als bijlage 1, 2, 3 en 4

V: We herkennen je hierop. (….) Ook [medeverdachte 3] en [verdachte] herkennen we. We weten dat de foto is gemaakt aan de [adres 1] .

A: Ik zie dat ik daar op de foto sta. (….) Op foto 3 staan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] .

14.

De op pagina’s 454 t/m 456 bij laatstgenoemd proces-verbaal als bijlagen 1, 2 en 3 gevoegde foto’s, die zijn gemaakt op 27-2-2016, om respectievelijk 21:49:22 uur; 21:49:46 uur en 21:49:42 uur en welke foto’s de hieronder weergegeven afbeeldingen weergeven.

[foto 1]

[foto 2]

[foto 3]

15.

De zich op pagina’s 625 t/m 636 afgelegde verklaring van verdachte [medeverdachte 3] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt: (V = vraag verbalisanten, A = antwoord verdachte, O = opmerking verbalisant)

V: Ik laat je 4 foto’s zien

O: Deze worden gevoegd bij het verhoor als bijlage 1, 2, 3 en 3a.

V: (….) Wie staan er op deze foto’s ?

A: [verdachte] en [medeverdachte 2]. (…) De foto is genomen bij [medeverdachte 1] en [getuige 3] thuis.

O: We hebben meerdere beelden bekeken van die avond. We zien dat 5 mannen de woning [adres 1] verlaten en met de auto vertrekken. Dit is rond 21.24 uur.

(…) Op de beelden is te zien dat jij afzonderlijk van de rest terugkomt bij de woning.

A: Ok… Ik zal er ongetwijfeld geweest zijn.

V: Vertel ons eens over de DTG.

A: We hebben gedemonstreerd tegen het AZC. Ze zagen mij als boegbeeld. (…) De DTG is in korte tijd enorm gegroeid.

V: Hoe vaak hadden jullie een demonstratie ?

A: Dat was in die tijd wel wekelijks, soms wel twee keer per week.

16.

De op pagina’s 627 t/m 629 bij laatstgenoemd proces-verbaal als bijlagen 1, 2, 3 en 3a gevoegde foto’s, ten aanzien waarvan de rechtbank concludeert dat de eerste 3 gelijk zijn aan de achter de verklaring van [medeverdachte 2] gevoegde foto’s en aldus zijn gemaakt op 27-2-2016, om respectievelijk 21:49:22 uur; 21:49:46 uur en 21:49:42uur.

17.

De zich op pagina’s 975 en 978 bevindende verklaring van verdachte [medeverdachte 4] die, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudt: (V = vraag verbalisanten, A = antwoord verdachte, O = opmerking verbalisant)

V: We weten dat er foto’s zijn gemaakt op 27 februari 2016 om 21.49 uur in de woning van [medeverdachte 1] . Wat weet je van die avond?

O: Verdachte maakt een drinkbeweging.

V: Wat hebben jullie verder gedaan die avond?

A: Bier drinken. Een feestje. Samen een biertje drinken.

V: We hebben het vorige week gehad over de DTG. Je hebt al gezegd dat je een paar keer mee bent geweest naar een demonstratie.

A: Ik ben twee keer mee geweest.

18.

Het zich op pagina’s 1095 t/m 1097 bevindend zaaksdossier deel 1, met daarin een selectie van afbeeldingen die onder meer het navolgende inhouden/weergeven:

Afbeelding van Adolf Hitler met een duim omhoog, verzonden op 14-2-2016 te 15.15 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] .

[afbeelding 1]

Afbeelding verzonden met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] , op 14-02-2016 te 15.34 uur.

[afbeelding 2]

Afbeelding van Anne Frank met daarbij tekst, verzonden op 16-02-2016 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] .

Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [medeverdachte 1] .

[afbeelding 3]

Afbeelding met de tekst “Plaats vrijmaken voor vluchtelingen. Auschwitz staat momenteel leeg!”, verzonden met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] op 16-02-2016 te 12.53.28 uur. Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [medeverdachte 1] .

[afbeelding 4]

Afbeelding (persoon aangereden door een auto) verzonden met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] op 16-02-2016, met de reacties “die is wel schattig hahaha” en “nu zit er godverdomme negerbloed aan mn lak”, verzonden met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . Tussen deze reacties nog een reactie van [medeverdachte 1] , “zonde van de auto”. Deze afbeelding is aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [medeverdachte 1] .

[afbeelding 5]

Deze afbeelding is ook aangetroffen als jpg. bestand op de telefoon van [medeverdachte 1] .

[afbeelding 6]

[afbeelding 7]

Deze afbeelding is aangetroffen als jpg.bestand op de telefoon van [medeverdachte 1] .