Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4119

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AK_ZWO_16_878
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel wegens het niet gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is in deze situatie punitief van karakter; verlaging bijstandsuitkering met 50% gedurende een maand niet evenredig aan de ernst van de gedraging en mate van verwijtbaarheid; beroep gegrond;rechtbank voorziet zelf en legt aan eiseres maatregel op van verlaging uitkering gedurende een maand met 25%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder

gemachtigden: M.H.J. Weghorst en V. Moujanni.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) een maatregel opgelegd.

Bij besluit van 22 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2016.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Pw, naar de norm voor een alleenstaande ouder. In het kader van de arbeidsverplichtingen is eiseres opgeroepen voor een voortgangsgesprek bij Stichting Surplus op 24 november 2015 om 13.30 uur. Eiseres is zonder kennisgeving niet op dit gesprek verschenen.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de uitkering van eiseres vanaf 1 december 2015 gedurende een maand met 50% van de bijstandsnorm verlaagd omdat eiseres zonder kennisgeving niet is verschenen op het voortgangsgesprek bij Stichting Surplus op 24 november 2015. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres verwijtbaar de verplichting niet is nagekomen die op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Pw op haar rust. Zij heeft namelijk geen gebruik gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Wat eiseres heeft aangevoerd kan volgens verweerder niet leiden tot het afzien van het opleggen van een maatregel. Volgens verweerder zijn er ook geen dringende redenen om de maatregel af te stemmen op bijzondere omstandigheden en de mogelijkheden van eiseres middelen te verwerven. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de Maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Enschede 2015 (verder te noemen: de Maatregelverordening).

2.3.

Eiseres voert aan dat zij op 24 november 2015 om 14.00 uur ook een afspraak had met de verloskundige voor haar eerste echo. Door de zenuwen en de stress in verband met de echo en het regelen van oppas voor haar dochter is eiseres vergeten de afspraak af te bellen. De afspraak viel tevens in een voor eiseres hectische week in verband met ruzie met haar

ex-partner en haar verhuizing naar een nieuwe woning. Eiseres vindt de maatregel gelet op deze omstandigheden te zwaar. Door de verhuizing zat zij een maand met dubbele huurkosten en met kosten van inrichting. Zij heeft ook een driejarig dochtertje dat moet worden onderhouden. Eiseres heeft een bewindvoerder. Er was inmiddels een buffer voor haar opgebouwd om schulden af te lossen maar door de korting op haar uitkering is er van deze buffer niets over.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.1.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Pw is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, onder meer verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.

3.1.2.

Op grond van artikel 18, tweede lid, van de Pw verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Pw wegens het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet.

3.1.3.

Ingevolge artikel 18, negende lid, van de Pw ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.1.4.

Ingevolge artikel 18, tiende lid van de Pw stemt het college de op te leggen maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

3.1.5.

Op grond van artikel 3, onder a, van de Maatregelverordening ziet het college af van een maatregel als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.1.6.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Maatregelverordening kan het college afzien van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.1.7.

Op grond van artikel 9, aanhef en onder h, van de Maatregelverordening bedraagt de maatregel wegens het in onvoldoende mate nakomen van de verplichting gebruik te maken van de aangeboden voorziening gericht op arbeidsre-integratie, voor zover hier van belang, verlaging van de uitkering met 50% van de toepasselijke grondslag, gedurende een maand.

3.2.

Te beoordelen is of verweerder terecht aan eiseres de hiervoor genoemde maatregel heeft opgelegd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het opleggen van een maatregel een belastend besluit betreft, zodat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel. Omdat het gaat om een sanctie met een bestraffend karakter moet de rechtbank een eigen oordeel geven over de vraag of het bestrafte verzuim is gepleegd en over de vraag of de opgelegde maatregel tot dat verzuim in een redelijke verhouding staat.

3.3.

Niet in geding is dat eiseres zonder kennisgeving niet is verschenen op de afspraak met Stichting Surplus op 24 november 2015 om 13.30 uur; daarmee heeft zij niet voldaan aan de aan de bijstandsuitkering verbonden arbeidsverplichtingen. Gelet op voormelde bepalingen was verweerder in beginsel verplicht eiseres ter zake een maatregel van 50% gedurende één maand op te leggen, nu niet gebleken is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

3.4.

De rechtbank neemt in overweging dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat zij pas op maandag 23 november 2015 via haar bewindvoerder bericht heeft gekregen van de afspraak met Surplus op dinsdag 24 november 2015. Zij had op die dag op hetzelfde tijdstip al een afspraak had met de verloskundige voor haar eerste echo en is door de daarmee samenhangende zenuwen en stress en het regelen van oppas voor haar dochtertje is vergeten de afspraak met Surplus telefonisch af te zeggen. Aan de door haar ervaren stress droeg bij dat de afspraak viel in een voor eiseres hectische week, wegens ruzie met haar ex partner, waaraan op woensdag 25 november 2015 zelfs de politie te pas kwam, en haar verhuizing naar een nieuwe woning op vrijdag 27 november 2015. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging met 50% van de grondslag gedurende een maand, wat in dit geval een sanctie inhoudt van meer dan € 400,-, niet evenredig is aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Een verlaging van de bijstandsuitkering met 25% van de grondslag gedurende een maand acht de rechtbank wel evenredig.

3.5.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij een maatregel is opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en dat aan eiseres de maatregel wordt opgelegd van verlaging van haar uitkering met 25 % van de geldende grondslag gedurende één maand. De rechtbank stelt haar uitspraak in zoverre in de plaats van het vernietigde besluit.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en legt aan eiseres ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Pw de maatregel op van verlaging van haar uitkering vanaf 1 december 2015 gedurende één maand met 25 % van de voor haar toen geldende bijstandsnorm;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van G. Ballast, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.