Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4093

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
C/08/182369 / HA ZA 16-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderwerp: onrechtmatige daad wegens het ontvangen van betalingen door werknemers van klanten van de werkgever / verwijzing schadestaatprocedure / geen bestuurdersaansprakelijkheid

Het bedingen van privébetalingen alsook het ontvangen van die betalingen bij c.q. van de klanten van de werkgever in het kader van de uitoefening van de functie, zonder dat de werkgever daarvan op de hoogte is gesteld, laat staan daarmee heeft ingestemd, is niet alleen in strijd met de rechtsplicht die de werknemer jegens de werkgever heeft, maar bovendien in strijd met de zorgvuldigheid die hij in acht had behoren te nemen. Het handelen van gedaagden is aan hen toe te rekenen en de schade, waarvan aannemelijk is dat die is ontstaan, is een rechtstreeks gevolg van dat handelen.

Er is geen sprake van schending van bestuurdersaansprakelijkheid. Niet ter discussie is dat gedaagden op geen enkel moment zijn benoemd tot statutair bestuurder van eiser of dat aan hen op andere wijze formeel bestuurstaken zijn overgedragen. Dat gedaagden bij de uitoefening van hun functie een grote mate van zelfstandigheid hebben gehad, bestempelt hen uit dien hoofde niet tot bestuurder in de zin van artikel 2:9 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1204
AR 2016/3100

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/182369 / HA ZA 16-61

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen [eiseres] ,

advocaat: mr. J.G.M. Stassen te Enschede,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

hierna te noemen [gedaagde 1] ,

advocaat: mr. T. Geerdink te Borne,

2 [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. A. Gerards te Oldenzaal.

1 De procedure

De procesgang blijkt uit de navolgende processtukken:

• de inleidende dagvaarding met producties van 15 januari 2016;

• een herstelexploot van 2 februari 2016;

• een overzicht van de door eiseres gelegde beslagen met bijbehorende stukken,

ter griffie ingekomen op 8 februari 2016;

• de conclusie van antwoord met producties van de zijde van [gedaagde 1] van

30 maart 2016;

• de conclusie van antwoord met producties van de zijde van [gedaagde 2] van

30 maart 2016;

• de conclusie van repliek met producties inzake [gedaagde 1] van 25 mei 2016;

• de conclusie van repliek met producties inzake [gedaagde 2] van 25 mei 2016;

• de conclusie van dupliek met producties van de zijde van [gedaagde 1] van 20 juli 2016;

• de conclusie van dupliek met producties van de zijde van [gedaagde 2] van 20 juli 2016;

• een akte uitlating producties inzake [gedaagde 1] van 17 augustus 2016;

• een akte uitlating producties inzake [gedaagde 2] van 17 augustus 2016.

Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 De feiten

2.1

[A] B.V. is als expeditiebedrijf gespecialiseerd in het (doen) transporteren naar vooral Oost Europa, zowel als vrachtverkeer als door middel van containers over spoor en zee. De beide gedaagden zijn per 1 februari 1997 bij [eiseres] in loondienst getreden. [gedaagde 1] in de functie van bedrijfsleider. [gedaagde 2] in de functie van expediteur. Zij onderhielden de dagelijkse contacten met de klanten en verstrekten namens [eiseres] opdrachten aan vervoerders. Aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] B.V. Aandeelhouder en bestuurder daarvan is

mevrouw [C] .

2.2

De bedrijfsresultaten van [eiseres] werden de laatste jaren aanwijsbaar slechter. Voor de directie is dat aanleiding geweest tot nader onderzoek. Onder meer werd de zakelijke e-mail van beide gedaagden op enig moment meegelezen. Op basis daarvan ontstond bij de directie de gedachte dat er door toedoen van gedaagden sprake was van onregelmatigheden. [eiseres] heeft vervolgens een onderzoek laten uitvoeren door het bedrijfsrecherchebureau
[D] . Dat heeft er (mede) toe geleid dat beide gedaagden

per 27 november 2015 op non-actief zijn gesteld, waarbij de zakelijke telefoons zijn ingenomen en uitgelezen. [eiseres] concludeerde dat gedaagden bij transacties van [eiseres] met derden, van die derden mede betalingen ten behoeve van zichzelf bedongen, waarna zij gedaagden op 2 december 2015 op staande voet heeft ontslagen. Bovendien heeft zij conservatoire beslagen, waaronder conservatoir bewijsbeslag, ten laste van gedaagden doen leggen. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben zich in rechte op nietigverklaring van het ontslag op staande voet beroepen. Ter zitting van de kantonrechter te Enschede van
25 februari 2016 is het ontslag op staande voet vervolgens ingetrokken, terwijl bij beschikkingen van dezelfde datum de arbeidsovereenkomsten tussen [eiseres] en de gedaagden zijn ontbonden per 1 april 2016.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

3.1

[eiseres] is van oordeel dat zij zeer forse schade heeft geleden doordat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tijdens hun dienstbetrekking en onder werktijd voor zichzelf betalingen hebben bedongen bij klanten van [eiseres] . De betalingen die zij hebben ontvangen, hadden als korting kunnen dienen op de door het transportbedrijf aan [eiseres] in rekening gebrachte sommen. Inmiddels is aan [eiseres] gebleken dat zij in de markt als te duur werd aangemerkt. En vervoerders die de opdracht van [eiseres] goedkoper hadden kunnen uitvoeren zijn, naar zij stelt, nooit benaderd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deden slechts zaken met die bedrijven die bereid waren aan hen een commissie te betalen.

3.2

Waar het gaat om [gedaagde 1] , was het aan [eiseres] bekend dat hij al begin 2004, naast zijn dienstverband bij [eiseres] , een eenmanszaak exploiteerde onder de naam [I] . Bij brief van 13 januari 2004 (productie 3 conclusie van antwoord) heeft [gedaagde 1] vastgelegd dat er geen sprake zou zijn van een belangenverstrengeling. Zijn eenmanszaak richt zich uitsluitend, aldus [gedaagde 1] , op de inkoop en verkoop van gebruikte containers. Naar het oordeel van [eiseres] is thans bekend geworden dat er wel degelijk belangenverstrengeling is ontstaan. [gedaagde 1] heeft de klanten van [eiseres] , waarmee zaken werden gedaan, commissie laten betalen aan [I] .

3.3

[eiseres] heeft relevante uitgelezen berichten uit de zakelijke telefoons van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het geding gebracht. Ondersteund met facturen, bankafschriften en delen uit haar digitale administratie tracht [eiseres] te onderbouwen dat [gedaagde 1] in ieder geval commissie heeft ontvangen van haar klanten Caru, Shiva, Russotra en MTL. [gedaagde 2] zou commissie hebben ontvangen van de klanten Transkomsta, Universe en [H] . Het gaat daarbij, naar [eiseres] stelt, om het topje van de ijsberg. [eiseres] is nog steeds doende om haar volledige schade in beeld te brengen. Zij vordert daarom om de schade vast te kunnen doen stellen in een schadestaatprocedure.

3.4

[eiseres] baseert haar vordering op gedaagden primair op bestuurdersaansprakelijkheid. Zij stelt daartoe dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] feitelijk de leiding over het bedrijf hadden. Zij hebben altijd zelfstandig gewerkt, maakten zelfstandig namens [eiseres] afspraken met derden en gedroegen zich naar buiten toe als bestuurder. Als het zo uitkwam noemden zij zich executive director, manager, of tekeningsbevoegd. Als feitelijk bestuurders is dan ook het bepaalde in onder meer artikel 2:9 BW op hen van toepassing. Nu aan hen ernstig verwijtbare onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten, zijn zij dan ook hoofdelijk voor de schade van [eiseres] aansprakelijk. Subsidiair acht [eiseres] het handelen van gedaagden jegens haar onrechtmatig. Ook dit zou moeten leiden tot een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de schade. Meer subsidiair zou sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Ook dat zou moeten leiden tot een hoofdelijke aansprakelijkheid. [eiseres] vordert dan ook primair een verklaring voor recht dat er aansprakelijkheid van gedaagden bestaat uit hoofde van onbehoorlijk bestuur, subsidiair uit hoofde van onrechtmatig handelen en meer subsidiair uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. In alle varianten wordt gevorderd dat de schade nader bij staat moet worden opgemaakt en dit alles met betaling van rente en van de proceskosten.

3.5

Gedaagden betwisten dat de omzet bij [eiseres] achteruit is gegaan door hun invloed. In de gehele transportsector gaat het de laatste jaren slecht, waarbij in het geval van [eiseres] extra gewicht toekomt aan de Russische boycot en de problemen in Oekraïne.

[gedaagde 1] betwist dat hij in privé geld in ontvangst heeft genomen dat bestemd was voor [eiseres] of aan [eiseres] had kunnen toekomen. Wel erkent hij dat hij in voorkomende gevallen kickback fee heeft ontvangen van een paar relaties van [eiseres] . Hij benadrukt dat dit niet ongebruikelijk is in de expeditiebranche. Waar hij kick back fee heeft ontvangen, is dat zeker niet ten laste van het resultaat van [eiseres] gegaan. De betalers van de fee hebben die niet doorbelast aan [eiseres] . [eiseres] heeft normale marktconforme bedragen aan de vervoerders moeten betalen. Waar het gaat om Caru heeft hij, naar hij stelt, overigens de ontvangen fee grotendeels terugbetaald, omdat Caru nog een grote onbetaald gebleven vordering op [eiseres] had. Met name met betrekking tot Russotra erkent [gedaagde 1] dat hij kick back fee heeft ontvangen met betrekking tot een transport van 21 containers. Met betrekking tot de factuur van 27 oktober 2015 van [I] aan Russotra (productie 25 bij dagvaarding)
ad USD 13.650,- erkent [gedaagde 1] dat dit kick back fee betreft, waarvan hij overigens een gedeelte van 45% weer heeft vergoed aan de operationeel manager van het bedrijf Russotra, (zie onder punt 23 Conclusie van Antwoord). [gedaagde 1] betwist dat hij feitelijk gelijk is te stellen aan de bestuurder van [eiseres] . Zo heeft hij nooit facturen geaccordeerd of te maken gehad met facturatie of boekhouding. Hij is bij het vervullen van zijn functie altijd gebleven binnen de bevoegdheden die bij die functie hoorden. Nu [eiseres] geenszins is benadeeld, is er ook geen sprake van onrechtmatig handelen. Om dezelfde reden is er geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. [gedaagde 1] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

[gedaagde 2] betwist evenzeer dat hij in privé geld in ontvangst heeft genomen dat bestemd was voor [eiseres] of aan [eiseres] had kunnen toekomen. [gedaagde 2] erkent wel dat hij naast de zakelijke contacten met de klanten van [eiseres] , ook met enkele contactpersonen bij die klanten in privé contacten onderhield. Voor die contactpersonen verrichtte hij soms hand - en spandiensten. Ook schafte hij voor betrokkenen wel eens meubels aan die hij naar hen liet vervoeren, waartoe hij de chauffeur dan contant betaalde. Dit heeft met enige regelmaat geleid tot rechtstreekse betalingen op zijn creditcard. Die geldstroom liep volledig naast de zakelijke geldstroom tussen [eiseres] en de klant. Het ging niet om geld dat [eiseres] toekwam. [gedaagde 2] betwist dat hij enige commissie van de door [eiseres] genoemde ondernemingen heeft ontvangen. Hij heeft zich dan ook niet ten laste van [eiseres] verrijkt. Evenzeer betwist [gedaagde 2] dat hij feitelijk als bestuurder heeft gefunctioneerd. Hij was in dienst als expediteur en heeft slechts de bij die functie behorende taken uitgeoefend. Van bestuurdersaansprakelijkheid of onrechtmatig gedrag is geen sprake. Ook [gedaagde 2] oordeelt dan ook dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1

Om een reden die niet aan de rechtbank duidelijk is geworden, hebben partijen in hun processtukken over en weer gedebatteerd over de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al dan niet nog gebonden zijn aan een beding van non-concurrentie. De vordering van [eiseres] is in deze procedure in het geheel niet op beantwoording van die vraag gericht, zoals ook gedaagden aan dit debat geen enkel procestechnisch gevolg verbinden. De rechtbank zal beantwoording van de onderhavige vraag dan ook passeren.

4.2

Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, staat wel vast dat de beide gedaagden tijdens hun dienstverband met [eiseres] een eigen geldcircuit met één of meer klanten van [eiseres] hebben onderhouden. [gedaagde 1] erkent met zoveel woorden dat hij van diverse klanten een kick back fee ontving. [gedaagde 2] stelt dat de betaling door klanten niets te maken had met de zakelijke relatie van [eiseres] met die klanten.

Waar het gaat om [gedaagde 1] , is hiervoor al de factuur van [I] aan Russotra van
27 oktober 2015 genoemd. Inzake MTL is door [eiseres] als productie 28 bij dagvaarding in het geding gebracht een kopie van een op de telefoon van [gedaagde 1] aangetroffen bericht met de navolgende inhoud:

“ [E] , die BCDU nach Aktau Port habe ich ein deal fuer dich. Deine Preis ist USD 3760p/c. Du schickst mir eine Rechnung fuer 8x USD 4930 p/c und du bekommst von [I] an MTL eine rechnung von 8x 650 USD. Rest ist fuer dich. OK? Habe etwas arrangiert mit Absender.”

Uit de als productie 29 bij dagvaarding in het geding gebrachte factuur van MTL aan [eiseres] , blijkt dat MDL daadwerkelijk USD 4.930,- per container in rekening heeft gebracht. De rechtbank kan uit deze gang van zaken niet anders afleiden dan dat [gedaagde 1] in dit geval een extra betaling voor zichzelf heeft geregeld, waardoor [eiseres] teveel heeft betaald. Waar het gaat om de klant Caru, heeft [gedaagde 1] onderschreven dat door [I] aan die klant

kick back fee is gefactureerd, terwijl met betrekking tot de klant Shiva eveneens, naar [gedaagde 1] erkent, kickback-fee is gefactureerd waarvan ten minste een bedrag ad € 544,50 is uitbetaald.

Waar het gaat om [gedaagde 2] , zijn door [eiseres] in ieder geval met betrekking tot de klanten Transkomsta ( [G] ) en [H] uitgelezen berichten uit zijn telefoon overgelegd, waaruit door de rechtbank slechts kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] zich privé heeft laten betalen voor zakelijke transacties op naam van [eiseres] . In ieder geval blijkt uit die berichten geenszins dat het ging om betalingen voor hand- en spandiensten zoals [gedaagde 2] stelt. Uit het berichtenverkeer met Transkomsta citeert de rechtbank als volgt:

(Productie 48 conclusie van repliek, zaterdag 4 mei 2013)

“Good evening dear! Have transfered to u 1000 eur: order 47- 1100 eur and 94-200 eur. We have here 1300 eur, but this is minus 15% for the previous transfer and 15% for this one. If any questions, please let me know!” Uit het eveneens overgelegde overzicht van de creditcard van [gedaagde 2] blijkt dat een bedrag van € 1.000,- op 10 mei 2013 is bijgeboekt. In een bericht van 10 april 2013 (productie 47 conclusie van repliek) bevestigt [G] aan [gedaagde 2] : “Deal. 1000 eur”. Op18 april 2013 wordt dit bedrag bijgeschreven op de creditcard van [gedaagde 2] . Als productie 49 wordt overgelegd een sms bericht van [G] van 7 juni 2013 waarin wordt aangegeven dat € 1.100,- wordt overgeboekt naar [gedaagde 2] . Uit het overzicht van zijn creditcard blijkt dat dit bedrag op 13 juni 2013 wordt bijgeschreven. In productie 50 bij repliek worden twee betalingen van € 1.000,- aangekondigd, die op 20 juni en 21 juni 2013 op de creditcard van [gedaagde 2] worden bijgeschreven. Ten slotte noemt de rechtbank nog de mail van [G] die als productie 51 is overgelegd, waarin zij met zoveel woorden zegt: “We agreed 18850 per truck.350 per truck is for u”

Met betrekking tot [H] is als productie 59 overgelegd het navolgende SMS verkeer:

“ [H] , wenn ich dir wass extra zahle fur mich, geht dass? “

“…Ja, natürlich!…”

“Und wo bekomme ich die zuruck af privat konto”

“Müssen wir uns dann überlegen. Entweder wir treffen uns, auf dein Konto ist gefährlich, wenn das regelmässig sein wird, ich kann dir Konto mit bankkarte zur Verfügung stellen.”

4.3

Van belang is dat noch [gedaagde 1] , noch [gedaagde 2] de relevante producties van [eiseres] inhoudelijk en begrijpelijk hebben weersproken. [gedaagde 1] ontkent de inhoud ook niet, maar is van oordeel dat hij [eiseres] met het systeem van kick back fee in het geheel niet heeft benadeeld. [gedaagde 2] herhaalt in zijn processtukken telkens dat hij door klanten is betaald in verband met hand- en spandiensten, maar hij laat na om daar ook maar enig voorbeeld van te geven. Gelet op de inhoud van het telefoonverkeer en de overige door [eiseres] in het geding gebrachte producties waaruit bijvoorbeeld de in het telefoonverkeer aangekondigde betalingen op de creditcard van [gedaagde 2] blijken, had het op zijn weg gelegen om meer inzicht te verschaffen.

4.4

De rechtbank oordeelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dat vaststaat dat gedaagden ieder voor zich binnen de uitoefening van hun functie betalingen door klanten van [eiseres] in privé hebben ontvangen, ofwel op eigen initiatief ofwel op initiatief van de klant. Eveneens staat vast dat gedaagden [eiseres] , als hun werkgeefster, volledig onkundig van dit betalingstraject hebben gehouden. De rechtbank acht juist het standpunt van [eiseres] dat zij daardoor is benadeeld, dan wel benadeeld kan zijn. Niet onbegrijpelijk is immers het standpunt van [eiseres] dat zij door deze gang van zaken mogelijkerwijze te duur heeft ingekocht, dat zij daardoor in vergelijking met andere expediteurs, te duur was en in ieder geval een hogere marge had kunnen bereiken dan zij heeft bereikt. Niet onlogisch lijkt het standpunt dat de betalingen die aan de gedaagden zijn gedaan, evenzeer hadden kunnen leiden tot verlaging van de door [eiseres] aan de transporteur te betalen bedragen. In zoverre is derhalve aannemelijk dat gedaagden door hun handelen schade aan [eiseres] hebben toegebracht. Indien en voor zover die schade daadwerkelijk is te becijferen, zijn gedaagden gehouden die dan ook te vergoeden.

5. De rechtsgrond

5.1

Naar het oordeel van [eiseres] is de aansprakelijkheid van gedaagden primair te gronden op schending van hun bestuurdersaansprakelijkheid. Meer in concreto zouden gedaagden het bepaalde in artikel 2: 9 BW hebben geschonden, alwaar meer in concreto is bepaald dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak en dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Iedere bestuurder is, aldus lid 2 van genoemd artikel, voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur.

5.2

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van [eiseres] niet. Niet ter discussie is dat gedaagden op geen enkel moment zijn benoemd tot statutair bestuurder van [eiseres] of dat aan hen op andere wijze formeel bestuurstaken zijn overgedragen. Dat gedaagden bij de uitoefening van hun functie een grote mate van zelfstandigheid hebben gehad, bestempelt hen uit dien hoofde niet tot bestuurder in de zin van artikel 2:9 BW. Niet is gebleken dat gedaagden daadwerkelijk het beleid binnen de onderneming hebben bepaald. Zie in dat kader het arrest van het Hof Amsterdam van 27 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2015 waarin is overwogen dat de enkele omstandigheid dat een persoon het beleid van de onderneming mede heeft bepaald, nog niet met zich meebrengt dat diegene aansprakelijk is als bestuurder. Waar in dit geval zelfs van beleidsbepaling niet is gebleken, gaat deze regel jegens gedaagden des te meer op. De rechtbank oordeelt derhalve dat gedaagden niet hoofdelijk bestuurdersaansprakelijk zijn.

5.3

Wel gaat de rechtbank mee in het standpunt van [eiseres] dat het handelen van gedaagden op de wijze zoals dat is geschetst, als onrechtmatig jegens [eiseres] moet worden aangemerkt. Het bedingen van privébetalingen alsook het ontvangen van die betalingen bij c.q. van de klanten van de werkgever in het kader van de uitoefening van de functie, zonder dat de werkgever daarvan op de hoogte is gesteld, laat staan daarmee heeft ingestemd, is niet alleen in strijd met de rechtsplicht die de werknemer jegens de werkgever heeft, maar bovendien in strijd met de zorgvuldigheid die hij in acht had behoren te nemen. Het handelen van gedaagden is aan hen toe te rekenen en de schade, waarvan aannemelijk is dat die is ontstaan, is een rechtstreeks gevolg van dat handelen. Door [eiseres] is evenwel onvoldoende onderbouwd waarom ten deze van een hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagden sprake zou zijn. Niet is gebleken dat gedaagden gezamenlijk hebben gehandeld, ontvangen commissie samen hebben gedeeld of anderszins dusdanig gezamenlijk zijn opgetrokken, dat het handelen van de één tevens aan de ander kan worden toegerekend. Ieder der gedaagden is derhalve slechts aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het eigen onrechtmatig handelen.

5.4

Door [eiseres] is gevorderd om de vaststelling van de schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Hoewel gedaagden op basis van dit vonnis gehouden zijn om door [eiseres] geleden schade, die rechtstreeks is terug te voeren op hun onrechtmatig handelen, te vergoeden, staat nog geenszins vast hoe laag of hoog die schade de facto is. Gedaagden hebben beiden betoogd dat [eiseres] door hun handelen in het geheel geen schade heeft geleden. Zij kunnen desgewenst trachten om dat standpunt in de schadestaatprocedure verder te onderbouwen, zoals [eiseres] de ruimte heeft om nadere en concrete invulling aan haar schadevordering te geven. Nu artikel 612 Rv. in een zaak als deze, waarin naar de rechtbank heeft geoordeeld aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden, de rechter de bevoegdheid geeft om een veroordeling uit te spreken tot schadevergoeding op te maken bij staat en ook de rechtbank oordeelt dat in dit stadium onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor definitieve schadevaststelling, zal de rechtbank [eiseres] in haar vordering volgen.

5.5

[eiseres] heeft haar vordering meer subsidiair gebaseerd op haar stelling dat tevens sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Nu de rechtbank de subsidiaire vordering van [eiseres] volgt, komt zij aan de meer subsidiaire vordering niet meer toe.

5.6

Gedaagden worden in deze procedure in het ongelijk gesteld. Zij moeten dan ook de kosten van deze procedure dragen tot na te melden omvang.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart voor recht dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld en daarmee ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan daarvan.

II. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure tot na te melden omvang. De kosten aan de zijde van [eiseres] , die derhalve aan haar moeten worden betaald, worden begroot op € 80,95 aan verschotten en € 1.808,- (4 punten x € 452,-) aan salaris van de advocaat.

III. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,- zonder betekening en € 199,- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagden niet binnen een termijn van 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis hebben voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagden daarover de wettelijke rente zijn verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

IV. Bepaalt dat de vaststelling van de kosten van de gelegde beslagen en de toedeling daarvan zal plaatsvinden in de schadestaatprocedure.

V. Verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen II en III uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Almelo op 12 oktober 2016 door mr. G.G. Vermeulen en aldaar op die datum uitgesproken in het bijzijn van de griffier.