Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4003

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
08/950344-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man uit Assen is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden en een geldboete van 1000 euro. De man deed gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuist belastingaangifte. Hierdoor liep de Staat 50.000 euro aan belastinginkomsten mis.

Verder is hij schuldig aan het vervalsen van een viertal facturen en heeft hij een Nederlandse academische titel gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn.

De man is in het verleden meerdere malen veroordeeld voor onder meer valsheid in geschrift. De rechtbank rekent hem zwaar aan dat hij met de strafbare handelingen is begonnen terwijl hij nog gedetineerd was in verband met een eerdere veroordeling. Zijn vrouw, medeverdachte in deze zaak, is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Zie ECLI:NL:RBOVE:2016:4005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/950344-14

Datum vonnis: 17 oktober 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1955 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 oktober 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. van Ieperen en van hetgeen door de raadsman van verdachte

mr. H.W. Knotttenbelt, advocaat te Assen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op zijn naam staande aangiften omzetbelasting (hierna: OB) over het tweede kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2013 opzettelijk onjuist heeft gedaan, dan wel valsheid in geschrift heeft gepleegd door die aangiften valselijk op te maken;

feit 2: op zijn naam staande aangiften inkomstenbelasting (hierna: IB) over de jaren 2008 tot en met 2012 opzettelijk onjuist heeft gedaan;

feit 3: valsheid in geschrift heeft gepleegd door een viertal facturen valselijk op te maken;

feit 4: zonder daartoe gerechtigd te zijn een meestertitel heeft gevoerd.

Voluit luidt de – ter terechtzitting gewijzigde – tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2008 tot en met 29 maart 2013 te

Kapelle en/of te Hooghalen (gemeente Midden-Drenthe) en/of te Assen en/of te

Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

omzetbelasting te naam gesteld van [verdachte] betreffende (onder meer)

(bijlagen D-006 en D-006-1):

- het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of het vierde kwartaal van

het jaar 2008;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2009;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2010;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2011;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2012;

en/of

- het eerste kwartaal van het jaar 2013,

onjuist of onvolledig heeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting

zou worden geheven, immers heeft hij, verdachte opzettelijk in die aangifte(n)

(onder meer)

* een onjuist bedrag aan voorbelasting,

en/of

* een onjuist bedrag aan te betalen/terug te ontvangen omzetbelasting,

vermeld en/of doen vermelden en (vervolgens) die aangifte(n) (elektronisch)

bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan en/of doen doen;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2008 tot en met 29 maart 2013 te

Kapelle en/of te Hooghalen en/of te Assen en/of te Apeldoorn, in elk geval in

Nederland,

meermalen, althans eenmaal

een of meer aangifte(n) omzetbelasting -(elk) zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt en/of

valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door een of meer anderen te doen gebruiken,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd

met de waarheid, in die aangifte(n) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of

een te hoog bedrag aan terug te ontvangen omzetbelasting vermeld,

het betrof onder meer de navolgende aangifte(n) (bijlage D-006 en

D-006-1):

- het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of het vierde kwartaal van

het jaar 2008;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2009;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2010;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2011;

en/of

- het eerste kwartaal en/of het tweede kwartaal en/of het derde kwartaal en/of

het vierde kwartaal van het jaar 2012;

en/of

- het eerste kwartaal van het jaar 2013;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2008 tot en met 5 maart 2013 te

Kapelle en/of te Hooghalen (gemeente Midden-Drenthe) en/of te Assen en/of te

Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

aangifte(n) inkomstenbelasting te naam gesteld van [verdachte] betreffende

(bijlage D-005):

- het jaar 2008;

en/of

- het jaar 2009;

en/of

- het jaar 2010;

en/of

- het jaar 2011;

en/of

- het jaar 2012,

onjuist of onvolledig heeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting

zou worden geheven,

immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in die aangifte(n) een te hoog

bedrag aan terug te krijgen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen

vermeld en/of doen vermelden en (vervolgens) die aangifte(n) (elektronisch)

bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan en/of doen doen;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 9 oktober 2013 te

Assen, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

een of meer factu(u)r(en) -(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot

bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk

heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks

(telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door een of meer anderen te doen gebruiken,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd

met de waarheid, op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat deze

door de afzender waren uitgemaakt aan hem, verdachte,

het betrof onder meer de navolgende factu(u)r(en) (bijlage DOC-012):

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 1 juli 2010,

geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 332,50;

en/of

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 september 2010,

geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 855,--;

en/of

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 12 december 2010,

geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 406,98;

en/of

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 december 2010,

geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 855,--;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2013 tot en met 1 mei 2014 te

Assen, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

zonder daartoe gerechtigd te zijn een in artikel 7.20 van de Wet op het hoger

onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde titels heeft gevoerd,

immers heeft hij, verdachte, (telkens):

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 15 oktober 2013, en/of

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 2 maart 2014, en/of

- een brief aan [naam 2] , d.d. 27 maart 2014, en/of

- een brief aan FBTO Ziektekosten, d.d. 22 april 2014, en/of

- een e-mailbericht aan [naam 3] , d.d. 6 maart 2014, en/of

- een e-mailbericht aan [naam 4] , d.d. 13 maart 2014, en/of

- een e-mailbericht aan [naam 5] , d.d. 12 maart 2014, en/of

- een e-mailbericht aan uitkeringen.zorg@fbto.nl, d.d. 1 mei 2014,

ondertekend met "Mr. [verdachte] ", terwijl hij, verdachte, geen

masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht

had gevolgd en/of met goed gevolg het daaraan verbonden afsluitend examen had

afgelegd;

art 435 ahf/ond 3° Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte voor wat betreft het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en voor wat betreft het onder 4 tenlastegelegde tot een geldboete van € 1.000,--.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onjuist doen van aangiften OB en aangiften IB en dat verdachte daarnaast facturen heeft vervalst en, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een meestertitel heeft gevoerd.

De verdediging heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de zakelijke kosten die verdachte in de aangiften OB en IB heeft opgevoerd betrekking hebben op het juridisch adviesbureau ‘ [bedrijf 1] ’ van verdachte.

Voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte deze facturen niet vervalst heeft.

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Met betrekking tot het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde

Algemeen

Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is verdachte op 1 maart 2008 gestart met een eenmanszaak onder de naam ‘Juridisch adviesbureau [bedrijf 1] ’ (hierna: [bedrijf 1] ).

Op 15 april 2013 is [bedrijf 1] opgegaan in de eenmanszaak ‘Juristenpraktijk [bedrijf 2] ’. Deze eenmanszaak had evenals [bedrijf 1] het geven van juridische adviezen als bedrijfsomschrijving.

Verdachte heeft op zijn naam staande aangiften OB gedaan over het tweede kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2013. Alle ingediende aangiften OB waren negatief. Volgens de aangiften is er in de genoemde kwartalen niet of nauwelijks omzet gerealiseerd, maar er is wel telkens voorbelasting opgevoerd.

Voorts heeft verdachte over de jaren 2008 tot en met 2012 op zijn naam staande aangiften IB gedaan. In deze aangiften zijn telkens bij de ‘winst uit onderneming’ bedrijfskosten in aftrek gebracht en is de zelfstandigenaftrek opgevoerd.

Onderzoek Belastingdienst/FIOD

De Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de door verdachte ingediende aangiften OB en IB en naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek verricht. Om inzicht te verkrijgen in de onderbouwing van de aangiften OB en IB heeft de FIOD de in beslag genomen administratie van verdachte en de gegevens uit de controle van de Belastingdienst onderzocht. Uit dat onderzoek is het volgende gebleken.

Verdachte heeft alle genoemde aangiften OB en IB zelf ingevuld en ingediend, aan de hand van door hemzelf gemaakte jaaroverzichten van kosten en opbrengsten van [bedrijf 1] . De FIOD heeft over de jaren 2008 tot en met 2011 dergelijke jaaroverzichten aangetroffen. Een boekhouding met resultaten van [bedrijf 1] is echter niet gevonden.

Uit de in beslag genomen ordners en mappen met administratie blijkt dat verdachte’s privé-administratie en de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] door elkaar lopen.

Verder is er geen aansluiting tussen de gegevens in de jaaroverzichten van verdachte en de in de aangiften OB en IB opgenomen kosten. De totale kosten die uit de aangiften OB kunnen worden herleid (ad € 347.816,--) en in de aangiften IB zijn opgevoerd (ad € 108.095,--) zijn (veel) hoger dan de kosten die uit de jaaroverzichten blijken (ad € 94.850,--).

Gebleken is dat verdachte in de aangiften OB voorbelasting heeft opgevoerd ter zake van door hem in privé gemaakte kosten en van kosten waarvan geen onderliggende facturen aanwezig waren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met opzet onjuiste aangiften OB over het tweede kwartaal 2008 tot en met het eerste kwartaal 2013 heeft gedaan.

Met betrekking tot de aangiften IB over 2008 tot en met 2012 (feit 2) acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan.

Verdachte heeft niet alleen verschillende privé kosten als zakelijke kosten in aftrek gebracht, maar ook valselijk opgemaakte facturen ten grondslag gelegd aan zijn aangifte IB over 2010 (zie feit 3). Daarnaast heeft hij telkens de zelfstandigenaftrek en over 2010 ook de meewerkaftrek opgevoerd, terwijl niet voldaan is aan het criterium van 1225 (door hemzelf) respectievelijk 525 (door zijn echtgenote) gewerkte uren.

5.2.2

Met betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

In de administratie van verdachte zijn vier facturen aangetroffen, gedateerd in 2010, afkomstig van [naam 1] en gericht aan verdachte. [naam 1] is geconfronteerd met deze facturen en heeft verklaard dat de facturen hem niet bekend voorkomen en ook niet door hem verstuurd zijn. De facturen verschillen volgens [naam 1] qua lay-out van de facturen die hij verstuurt. Verder heeft [naam 1] heeft verder verklaard dat hij eerst in 2011 is gestart met zijn kantoor.

In de administratie van verdachte zijn kopieën aangetroffen met daarop alleen het briefhoofd van het advocatenkantoor van [naam 1] .

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 3 genoemde facturen valselijk heeft opgemaakt.

5.2.3

Met betrekking tot het onder feit 4 tenlastegelegde

De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 4 ten laste gelegde van oordeel dat, gelet op het aanvullend proces-verbaal van 3 augustus 2016 (OPV-1a) en de verklaring van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 20 mei 2014, verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van ‘mr.’ heeft gevoerd.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 30 juni 2008 tot en met 29 maart 2013 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte omzetbelasting te naam gesteld van [verdachte] betreffende:

- het tweede kwartaal en het derde kwartaal en het vierde kwartaal van het jaar 2008

en

- het eerste kwartaal en het tweede kwartaal en het derde kwartaal en het vierde kwartaal van het jaar 2009

en

- het eerste kwartaal en het tweede kwartaal en het derde kwartaal en het vierde kwartaal van het jaar 2010

en

- het eerste kwartaal en het tweede kwartaal en het derde kwartaal en het vierde kwartaal van het jaar 2011

en

- het eerste kwartaal en het tweede kwartaal en het derde kwartaal en het vierde kwartaal van het jaar 2012

en

- het eerste kwartaal van het jaar 2013,

onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er telkens toe strekte, dat te weinig belasting zou worden geheven, immers heeft hij, verdachte opzettelijk in die aangiften

* een onjuist bedrag aan voorbelasting,

en/of

* een onjuist bedrag aan terug te ontvangen omzetbelasting, vermeld en vervolgens die aangifte elektronisch bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan;

2.

hij in de periode van 11 juni 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [verdachte] betreffende:

- het jaar 2008

en

- het jaar 2009

en

- het jaar 2010

en

- het jaar 2011

en

- het jaar 2012,

onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er telkens toe strekte, dat te weinig belasting zou worden geheven,

immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in die aangiften een te hoog bedrag aan terug te krijgen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vermeld en die aangiften elektronisch bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan;

3.

hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 9 oktober 2013 in Nederland,

een of meer facturen valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

immers heeft hij, verdachte, telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, op die facturen vermeld dat deze door de afzender waren uitgemaakt aan hem, verdachte,

het betrof onder meer de navolgende facturen:

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 1 juli 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een bedrag aan BTW, groot EURO 332,50

en

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 september 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een bedrag aan BTW, groot EURO 855,--

en

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 12 december 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een bedrag aan BTW, groot EURO 406,98

en

- een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 december 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een bedrag aan BTW, groot EURO 855,--;

4.

hij in de periode van 15 oktober 2013 tot en met 1 mei 2014 in Nederland,

zonder daartoe gerechtigd te zijn een in artikel 7.20 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde titels heeft gevoerd,

immers heeft hij, verdachte, telkens:

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 15 oktober 2013, en

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 2 maart 2014, en

- een brief aan [naam 2] , d.d. 27 maart 2014, en

- een brief aan FBTO Ziektekosten, d.d. 22 april 2014, en

- een e-mailbericht aan [naam 3] , d.d. 6 maart 2014, en

- een e-mailbericht aan [naam 4] , d.d. 13 maart 2014, en

- een e-mailbericht aan [naam 5] , d.d. 12 maart 2014, en

- een e-mailbericht aan uitkeringen.zorg@fbto.nl, d.d. 1 mei 2014,

ondertekend met ‘ [verdachte] ’, terwijl hij, verdachte, geen masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht had gevolgd en met goed gevolg het daaraan verbonden afsluitend examen had afgelegd.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 225 en 435 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2:

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4:

de overtreding: zonder daartoe gerechtigd te zijn een in artikel 7.20 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde titel voeren.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften voor de OB en de IB gedaan, hetgeen er toe heeft geleid dat er voor een bedrag van ruim € 50.000,-- te weinig belasting is geheven. Verdachte heeft daarmee de Nederlandse Staat en de samenleving benadeeld. Tevens heeft verdachte het vertrouwen geschonden dat de overheid in haar burgers moet kunnen stellen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervalsen van een viertal facturen en heeft hij een Nederlandse academische titel gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor onder meer valsheid in geschrift. Meest recent is verdachte in 2006 veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden wegens valsheid in geschrift en verduistering. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij met zijn strafbare handelingen is begonnen terwijl hij nog gedetineerd was in verband met deze veroordeling.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), die bij een benadelingsbedrag van

€ 10.000,-- tot € 70.000,-- een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden aangeven.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur, alsmede een geldboete passend en geboden is.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 23,24, 57 en 62 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit1 primair en feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
feit 3: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4: zonder daartoe gerechtigd te zijn een in artikel 7.20 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde titel voeren;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tot een gevangenisstraf van zeven (7) maanden;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot een geldboete van € 1.000,-- (één duizend euro), bij niet betaling te vervangen door 50 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2016.

Mr. Huisman en mr. Aksu zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 55374. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feiten 1 en 2

1.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 30 september 2014, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V001-01, blz. 131, 134)

V: Welke onderneming(en) heeft u van 2008 tot en met het heden en wat kunt u over deze

onderneming(en) vertellen?

A: "Er is een rechtskundig adviesbureau geweest, [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is vanaf 2007 ingeschreven

geweest bij de KvK te Middelburg. En op 15 april 2013 is [bedrijf 2] ingeschreven bij de KvK te Groningen. [bedrijf 1] is een adviesbureau geweest om particulieren te helpen met het schrijven van diverse bezwaarschriften en dergelijke. Van 2008 tot en met 2011 hebben er niet zoveel activiteiten binnen [bedrijf 1] plaats gevonden gezien mijn ziekte.

V: Wie heeft de aangiften inkomstenbelasting/premieheffing op naam van [verdachte] van 2008 tot en met 2013 ingevuld en bij de Belastingdienst ingediend?

A: "Dat heb ik gedaan. In 2008 volgens mij nog schriftelijk en vanaf 2009 via internet. V: Wie heeft de aangiften omzetbelasting op uw naam in de aangiftetijdvakken in kwartaaltijdvakken 2008 tot en met 2013 ingevuld en bij de Belastingdienst ingediend?

A: "Dat heb ik gedaan."

O: In de in beslag genomen administratie en ook tijdens de doorzoeking in uw woning en in uw computer hebben wij bijna niets kunnen vinden over de omzet van Juridisch adviesbureau [bedrijf 1] en Juristenpraktijk [bedrijf 2] in de jaren 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2013.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: "Het klopt dat er weinig activiteiten hebben plaats gevonden binnen [bedrijf 1] in deze jaren. Feitelijk heb ik maar één klant gehad, [naam 6] , en dat heb ik ook nog niet eens betaald gekregen.

2.

Een geschrift zijnde aan ambtsedige verklaring d.d. 13 mei 2014, van [verbalisant] werkzaam bij de belastingdienst, zakelijk weergegeven inhoudende (D-005, blz. 255):

De ondergetekende, [verbalisant] , als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst

administratie, verklaart dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft

waargenomen ten behoeve van [verdachte] , [woonplaats]

burgerservicenummer [nummer 1] (hierna: de belastingplichtige):

X dat de inkomstenbelastingaangiften over de jaren 2008, 2009, 2010 (2x), 2011, 2012 en 2013 van belastingplichtige in het beveiligde gedeelte van de Belastingdienst internetsite binnen het onderdeel 'overzicht aangiften' zijn geplaatst.

X dat over de jaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 de aangiften inkomstenbelasting betreffende voorgenoemde belastingplichtige elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst internetsite met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde persoonlijke wachtwoord.

3.

Geschriften, zijnde aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2008, 2009, 2010 2011 en 2012, ten name van [verdachte] bijlagen D005-1, D005-2, D005-3, D005-4, D005-5.

4.

Het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 1 april 2015, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisant (AH-009, blz. 122 en 123):

Volgens het "jaaroverzicht kosten 2008", waarmee verdachte [verdachte] aangifte

inkomstenbelasting indiende, werden bij de zakelijke kosten "bankkosten rente schuld etc" als zakelijke kosten voor een bedrag van € 2.513 afgetrokken. In totaal heeft verdachte aangegeven dat hij € 33.527 aan zakelijke kosten heeft gehad. Van deze kosten hebben wij geen aansluiting in de administratie van verdachte [verdachte] kunnen vinden. Voor de beschrijving dat kosten ten onrechte als bedrijfskosten zijn meegenomen, verwijs ik naar het proces-verbaal AH-008 waarin dit is beschreven.

In 2008 heeft verdachte [verdachte] een inkomen van € 1.413 aangegeven. In de aangifte wordt

volgens de belastingdienst een voorheffing van € 7.055 aan dividendbelasting

aangegeven. Wij hebben geen dividend in de administratie van verdachte [verdachte]

aangetroffen. Verdachte had over 2008 een voorlopige teruggave van € 6.856 ontvangen.

In de aangifte inkomstenbelasting 2010 zijn valselijk opgemaakte facturen (D-

012) van advocatenkantoor [naam 1] verwerkt bij "de winst uit onderneming".

Voor een uitvoerige beschrijving, verwijs ik naar paragraaf punt 4.2 van het overzichtsprocesverbaal waar de valsheid in geschrift wordt beschreven.

Naast de kosten bij "winst uit onderneming" heeft verdachte [verdachte] zelfstandigenaftrek ingevuld, terwijl verdachte [verdachte] niet voldeed aan het urencriterium van 1.225 uur. Verder werd in de aangifte inkomstenbelasting 2010 ingevuld dat zijn echtgenote minimaal 525 uur had meegewerkt in zijn onderneming, waardoor hij in aanmerking kwam voor meewerkaftrek.

Hierna volgt een overzicht van gegevens uit de aangiften inkomstenbelasting, aangiften

omzetbelasting en de jaaroverzichten die door verdachte [verdachte] zijn opgemaakt.

Wanneer de totale kosten die in de kolommen van het overzicht staan vermeld met elkaar

worden vergeleken, is er geen aansluiting. Opmerkelijk is het grote verschil tussen de totale

kosten van € 347.816 (berekend op grond van de voorbelasting) en de kosten van € 108.095

en € 94.850 die in respectievelijk de aangiften inkomstenbelasting en in de jaaroverzichten

van verdachten [verdachte] staan vermeld. Gelet op het inkomen van zowel verdachten [verdachte] (uitkering UWV) en [medeverdachte] kunnen zij de kosten van € 347.816 vermoedelijk niet betalen.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2014, zakelijk weergegeven inhoudende (V-002-01, blz. 145):

Ik heb voor mijn man wat typewerk en hand en spandiensten verricht. Dat was voor mij de

grens, daarnaast had ik ook het huishouden.

6.

Een geschrift zijnde aan ambtsedige verklaring d.d. 13 mei 2014 van [verbalisant] werkzaam bij de Belastingdienst, zakelijk weergegeven inhoudende (D-006, blz. 366):

De ondergetekende, [verbalisant] als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratie, verklaart dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen.

Deze verklaring betreft: [verdachte] , [woonplaats] , BSN nummer [nummer 1] (hierna te noemen belastingplichtige).

X Over de tijdvakken 2e kwartaal 2009 t/m 1e kwartaal 2013 zijn de aangiften omzetbelasting betreffende belastingplichtige elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst

7.

Geschriften zijnde uitdraaien uit het computersysteem van de Belastingdienst betrekking hebbende op het verloop van de omzetbelasting over de jaren 2008 t/m 2013 ten name van [verdachte] (D-600-1, blz. 387 t/m 392).

8.

Het proces-verbaal van ambtshandelingen d.d. 1 april 2015, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisant (AH-008 blz. 112, 114, 116, 118, 119, 110)

1 Aangiften omzetbelasting 2008 op naam van verdachte [verdachte]

Document D -006- 1: gegevens voorbelasting ingediende aangiften omzetbelasting

Tijdvak Voorbelasting

maart 2008 € 1.617

2e kw 2008 € 1.846

3e kw 2008 € 474

4e kw 2008 € 1.121

Totaal 5.058

Volgens de aangiften omzetbelasting van 2008 is er geen omzet geweest. En zijn door

verdachte [verdachte] facturen verwerkt met een totaalbedrag aan voorbelasting (btw) van

FIOD-ECD € 5.058. Opvallen zijn de kosten die verdachte [verdachte] in het derde en vierde kwartaal heeft gemaakt terwijl hij van 17 juli 2008 tot 1 0 juli 2009 in detentie heeft gezeten.

Achter het jaaroverzicht 2008 (D-001 en D-001-1 ), dat verdachte [verdachte] heeft opgemaakt,

zijn een "overzicht aftrek voorbelasting [bedrijf 1] Advies nlg [nummer 2] " en een "aanvBTW' aangetroffen. Wat aan deze twee overzichten opvalt is de hoogte van de voorbelasting ten opzichte van de ingediende aangiften en kosten. Volgens overzicht "aanv BTW' is de totale voorbelasting € 2.974, terwijl er in de vier aangiften omzetbelasting in totaal € 5.058 aan voorbelasting is aangeven.

2 Aangiften omzetbelasting 2009 op naam van verdachte [verdachte]

Document D 006 en D-006 -1: ingediende aangiften omzetbelasting

D-006 Voorbelasting

Tijdvak

1e kw 2009 € 686

2e kw 2009 € 735

3e kw 2009 € 1.480

4e kw 2009 € 1.558

Totaal € 4.459

Volgens de aangiften omzetbelasting van 2009 is er geen omzet geweest. En zijn door

verdachte [verdachte] facturen verwerkt met een totaalbedrag aan voorbelasting (btw) van

€ 4.459. Over de omzet in 2009 kan het volgende worden vermeld. In de administratie van verdachte [verdachte] is een urenwerkstaat "doss 09-221" (D-002-3) en een factuur nr. 09-221-1 van 04-08-2009 (D-002-4) aangetroffen. De factuur 09-221-1 (D-002-4) is gericht aan [bedrijf 3] CV, [adres] met een factuurbedrag van € 3.707 exclusief 704,33 BlW. Op het adres [adres] staat, volgens een geautomatiseerd systeem van de Belastingdienst, [naam 6] ingeschreven. Deze factuur is niet in de aangiften omzetbelasting van het derde kwartaal of vierde kwartaal van 2009 verwerkt, want daar is immers geen omzet aangegeven. In 2009 werd in totaal € 4.459 aan voorbelasting afgetrokken (D-006). In de in beslag genomen administratie hebben wij van deze voorbelasting geen onderbouwing gevonden.

3 Aangiften omzetbelasting 2010 op naam van verdachte [verdachte]

Document D0 -006 : ingediende aangiften omzetbelasting

Tijdvak Voorbelasting

1e kw 2010 € 5.131

2e kw 2010 € 2.968

3e kw 2010 € 3.021

4e kw 2010 € 3.621

Totaal € 14.741

Volgens de aangiften omzetbelasting heeft verdachte [verdachte] facturen verwerkt met een

totaalbedrag aan voorbelasting (btw) van € 14.741. Met behulp van de administratie kunnen wij geen aansluiting maken met het totaalbedrag aan voorbelasting van € 14.7 41 die vermeld staat in de kwartaalaangiften omzetbelasting 2010. In een overzicht "Inkoop 2010" (D-003-2) zien wij een teruggaaf aan BTW 2010 van in totaal € 11.890,42. Dit bedrag sluit niet aan met het totaalbedrag van de kwartaalaangiften omzetbelasting 2010 (D-006).

4 Aangiften omzetbelasting 2011 op naam van verdachte [verdachte]

Document D- 006 : ingediende aangifte omzetbelasting en suppletieaangifte

Tijdvak Voorbelasting

1e kw 2011 € 12.623

2e kw 2011 € 4.313

3e kw 2011 € 4.734

4e kw 2011 € 4.469

subtotaal € 26.139

1e kw Suppl € 6.852

Totaal 19.287

In totaal werd er over 2011 € 26.139 aan voorbelasting in de kwartaalaangiften 2011 ingevuld. Over 2011 hebben we een overzicht "BTW 2011" aangetroffen (D-004-1 ). Aansluiting tussen de ingediende aangiften omzetbelasting en administratie kunnen wij niet maken. De aangegeven bedragen bij de voorbelasting zijn niet uit de administratie of overzichten van verdachte [verdachte] te herleiden.

5 Aangiften omzetbelasting 2012 op naam van verdachte [verdachte]

Document D0-006 : ingediende aangiften omzetbelasting

Tijdvak Voorbelasting

1e kw 2012 € 4.071

2e kw 2012 € 4.640

3e kw 2012 € 4.453

4e kw 2012 € 4.167

Totaal 17.331

Er zijn volgens de aangiften door verdachte [verdachte] facturen verwerkt met een totaalbedrag

van € 17.331 aan voorbelasting (btw). In de administratie hebben we een overzicht aangetroffen over het tweede kwartaal van 2012 met bedragen inclusief btw (D-027-1 ). In het overzicht van verdachte [verdachte] staan zowel bedragen van de voorbelasting als de omzet vermeld. Onderaan het formulier staat vermeld "terug te vragen". In dit overzicht zijn bedragen opgenomen met de volgende omschrijving:

"Marre", dit is een factuur van € 800 excl. € 152 btw, van een opticien voor de aanschaf

van een bril (D-027-4);

"Derma", dit zijn twee facturen van € 695 en € 295 incl. btw, en betreffen twee nota's van

Dermaclinic voor verdachte [medeverdachte] en hebben betrekking op een medische

behandeling (D-027-5) en een ringbaartja (D-027-6);

Terwolde aanschaf auto Grand Scénic 111, € 20.981, inruil Renault Clio als marge auto

ingeruild terwijl deze auto door verdachte [verdachte] als zakelijke auto is geboekt

(D-027-7). Er werd vermoedelijk € 3.654,95 aan btw bij de voorbelasting in de aangiften

omzetbelasting verwerkt.

6 Aangifte omzetbelasting1 8 kwartaal 2013 op naam van verdachte [verdachte]

Document D-006. Ingediende aangifte omzetbelasting

Tijdvak Voorbelasting

1e kw 2013 € 6.196

Volgens de aangifte omzetbelasting eerste kwartaal heeft verdachte [verdachte] facturen

verwerkt met een totaalbedrag van € 6.196 aan voorbelasting (btw). Het bedrag kunnen wij

niet herleiden met de in beslaggenomen administratie.

9.

Een geschrift zijnde een door de belastingdienst opgemaakt nadeelberekening ten name van [verdachte] d.d. 3 april 2015, inhoudende (D032, blz. 513):

Op basis van de constateringen en berekeningen zoals opgenomen in het proces-verbaal is het strafrechtelijke nadeel inkomstenbelasting en omzetbelasting op naam van [verdachte] , [woonplaats] , als volgt;

Omzetbelasting

2008 € 1.274

2009 € 948

2010 € 7.296

2011 € 15.157

2012 € 701

2013 ( 1e kwartaal) € 5.155

Totaal € 30.531

Inkomstenbelasting

2009 € 3.967

2010 € 8.712

2011 € 7.296

2012 € 7.234

Totaal € 27.209

Feit 3:

10.

Een geschrift zijnde een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 1 juli 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 332,50 (D012-blz. 448);

11.

Een geschrift zijnde een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 september 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 855,-- (D012-blz. 449);

12.

Een geschrift zijnde een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 12 december 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 406,98 (D012- blz. 450);

13.

Een geschrift zijnde een factuur met als afzender [naam 1] , gedateerd 23 december 2010, geadresseerd aan [verdachte] , met daarop onder meer berekend een

bedrag aan BTW, groot EURO 855,-- (D012- blz. 451);

14.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige Th. [naam 1] d.d. 21 mei 2014, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een aantal kopieën van facturen van uw kantoor ten name van [verdachte] .

Deze facturen zijn in het onderzoekdossier opgenomen en dragen als kenmerk D-012. D-012

bestaat uit 4 kopieën van facturen.

V: Wat kunt u vertellen over de getoonde facturen?

A: "Ik heb deze facturen eerder gezien via de controleur van de Belastingdienst, deze zijn niet van mij. Dit is wel een kopie van mijn briefpapier. Echter niet mijn factuur papier."

V: Hoe kan het dat er facturen van voor de oprichtingsdatum zijn uitgeschreven?

A: "Dat kan theoretisch niet, ik was toen niet als zelfstandige aan het werk maar was op dat

moment in loondienst "

V: Op welke punten verschillen deze factuur met die van u?

A: "Mijn logo is kleiner en zit echt in de linkerhoek, in het briefhoofd is niet vermeld mijn

webadres, a-mailadres en derdenrekeningnummer. Ik verstuur nooit een factuur per mail

maar alleen per post. Ik noem mijn factuur een factuur en geen declaratie. Mijn

factuurnummers beginnen altijd met een jaartal. Bij betaling vraag ik altijd met de toevoeging "svp en vermelding van factuurnummer''. Ik vermeld vetgedrukt mijn bankrekeningnummer. Ik vermeld de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, ik vermeld mijn Btw-identificatienummer, ik vermeld mijn kamer van koophandel nummer, en ik toon het logo van de geschillencommissie advocatuur. Alle vermelde punten staan niet op de door u getoonde factuur. Daarnaast vermeld ik niet op de factuur waar de zaak betrekking op heeft. Dat doe ik in een begeleidend schrijven. De getoonde factuur ziet er erg rommelig uit en zoals hij mij getoond wordt komt hij mij niet bekend voor. Ik heb [verdachte] nooit een factuur gestuurd."

15.

Geschriften zijnde kopieën met daarop als briefhoofd [naam 1] advocatenkantoor (D-013-1)

Feit 4:

16.

Geschriften zijnde:

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 15 oktober 2013 (D007-blz. 399);

- een brief aan de belastingdienst Groningen, d.d. 2 maart 2014 (D007-3, blz. 403);

- een brief aan [naam 2] , d.d. 27 maart 2014 (D007-3, blz. 404);

- een brief aan FBTO Ziektekosten, d.d. 22 april 2014 (D007-3, blz. 405);

- een e-mailbericht aan [naam 3] , d.d. 6 maart 2014, (D007-3, blz. 406);

- een e-mailbericht aan [naam 4] , d.d. 13 maart 2014, (D007-3, blz. 407);

- een e-mailbericht aan [naam 5] , d.d. 12 maart 2014, (D007-3, blz. 408);

- een e-mailbericht aan uitkeringen.zorg@fbto.nl, d.d. 1 mei 2014, (D007-4, blz. 410).

17.

Een geschrift zijnde een brief gedateerd 20 mei 2014 afkomstig van DUO Groningen gericht aan de FIOD zakelijk weergegeven inhoudende (D-019):

Naar aanleiding van uw vordering tot verstrekking van historische gegevens inzake de heer [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1955 (BSN [nummer 1] ), bericht ik u als volgt. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft in haar examenregisters geen gegevens omtrent betrokkene aangetroffen. Ook is mij niet gebleken dat aan betrokkene door DUO op grond van een eventueel in het buitenland behaald diploma toestemming is verleend tot het mogen voeren van een Nederlandse academische titel.

18.

Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 3 augustus 2016, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisante (OPV-1a):

Op 1 augustus 2016 kreeg ik een e-mailbericht van Universiteit Utrecht waarin is vermeld dat van [verdachte] geen inschrijving is gevonden.