Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:4002

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
C/08/186144 / HA ZA 16-199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel het gewezen echtelieden betreft volgt een proceskostenveroordeling van de man wegens ‘nodeloos gevoerde procedure’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/115

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/186144 / HA ZA 16-199

Vonnis van 19 oktober 2016

in de zaak van

[Man] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.P. van Dijk te Dedemsvaart,

tegen

[Vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. K.M. Kuipers - ten Voorde te Oldenzaal.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek/wijziging van eis

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating van de man

  • -

    de akte uitlating van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten en het geschil

2.1.

Bij beschikking van 16 april 2015 bekrachtigde het hof Arnhem-Leeuwarden de (eind)beschikking van de rechtbank Overijssel van 21 mei 2014, inhoudende de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding en de door de rechtbank vastgestelde door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. De man heeft na een door hem ingewonnen (negatief) cassatie-advies geen cassatie ingesteld tegen het door het hof bekrachtigde oordeel dat partijen - anders dan de man betoogde - rechtsgeldig zijn gehuwd geweest.

2.2.

Bij beschikking van 16 februari 2016 wees genoemd hof af het verzoek van de man tot herroeping van ’s hofs beschikking. Het hof overwoog in rechtsoverweging 3.7, kort samengevat, en in het midden gelaten of niet sprake was van een juridisch tardief gevoerd debat en aldus van een niet toelaatbare herhaling van zetten na de eerder gevoerde echtscheidingsprocedure, dat het hof

‘(…) in ieder geval van oordeel was dat uit het feit dat de vrouw stukken (rechtbank: betrekking hebbend op het (rechtsgeldig) sluiten van het huwelijk tussen partijen) in het geding heeft gebracht die naar de man stelt vals zijn - wat daar ook van zij - niet volgt dat de vrouw bedrog zou hebben gepleegd.’

Voor zover al vals,

‘staat daarmee immers nog niet vast dat de vrouw weet had van de valsheid van de stukken en deze desondanks welbewust in het geding heeft gebracht’.

2.3.

Kort samengevat vervolgt het hof: Pakistan is een probleemland voor wat betreft de enorme hoeveelheid (ver)vals(t)e/inhoudelijk onjuiste documenten. Het in het geding brengen van een vals document door de vrouw betekent niet zonder meer het plegen van bedrog door de vrouw, met name niet omdat partijen er veertig jaar van uit gingen dat zij met elkaar rechtsgeldig gehuwd waren. Mede gelet hierop hoefde de vrouw niet te vermoeden dat het document van de Union Counsil vals zou zijn. Aan een bewijsaanbod van de man inzake

‘de onjuistheid van feiten in de echtscheidingsprocedure en niet op door de vrouw ten aanzien van die (eventueel onjuiste) feiten gepleegd bedrog gaat het hof voorbij’.

2.4.

Bij beschikking van 17 juni 2016 besliste de rechtbank inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling na de echtscheiding van partijen.

2.5.

In de onderhavige procedure vordert de man een verklaring voor recht dat de door hem genoemde, overgelegde akte(s) vals is/zijn, onder benoeming van een deskundige - voor zover al noodzakelijk - teneinde de valsheid hiervan vast te doen stellen en voorts voorwaardelijk te verklaren voor recht dat de vrouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld met beslissing dat de schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, kosten rechtens.

2.6.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en vordert eveneens een proceskostenveroordeling. Zij stelt dat sprake is van een door de man gevoerde, zoveelste en daarmee thans, nodeloos gevoerde procedure tegen de rechtsgeldigheid van het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nodeloze herhaling van zetten. Hetgeen de man aanvoert is niet ter zake doende. Immers, niet doorslaggevend is of de vrouw (eventueel) valse stukken heeft overgelegd aangaande haar huwelijk met de man, maar - conform het oordeel van het hof - of de vrouw wist van de valsheid van die stukken en of haar opzet was gericht op het overleggen van bescheiden waarvan de vrouw wist dat die stukken vals waren. Laatstgenoemde vraag beantwoordde het hof ontkennend, mede in het licht van het gegeven dat partijen zelf veertig jaar lang meenden rechtsgeldig gehuwd te zijn geweest.

3.2.

Doorslaggevend is dat de man vóór de echtscheiding van partijen, lees: gedurende een periode van veertig jaar, nimmer de echtheid van bescheiden en de rechtsgeldigheid van het huwelijk heeft betwist. Integendeel, ook de man meende veertig jaar rechtsgeldig gehuwd te zijn geweest, hetgeen naar het hof oordeelde een terechte, want rechtens juiste opvatting was. Een eventuele nadere onderbouwing door de man dat in het geding gebrachte stukken (inderdaad) vals zijn respectievelijk dat de valsheid hiervan alsnog kan worden bewezen, vormt geen onderbouwing voor de stelling van de man dat de vrouw met opzet bedrog heeft gepleegd. (Ook) het ontbreken dan wel niet meer voorhanden zijn van door de Pakistaanse ambassade mogelijk niet correct gearchiveerde en niet gedigitaliseerde originele stukken, is daarmee niet van betekenis. Een en ander leidt ertoe dat de vordering van de man voor dadelijke afwijzing gereed ligt.

3.3.

Aangezien naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een nodeloos gevoerde procedure door de man en de onderhavige procedure niet leidt tot een ander oordeel dan het oordeel dat het hof reeds tot tweemaal toe formuleerde en waartegen de man om hem moverende redenen (ook) geen cassatie instelde, zal de man worden veroordeeld in de proceskosten en zal de rechtbank uitdrukkelijk afzien van een gebruikelijke compensatie van proceskosten, waartoe rechters in familiezaken plegen over te gaan ongeacht de uitkomst van de procedure.

3.4.

Louter ten overvloede overweegt de rechtbank naar aanleiding van de opmerkingen van de vrouw inzake de beslissing van de rechtbank d.d. 17 juni 2016 nog dat voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat de man ten onrechte de vastgestelde partneralimentatie niet voldoet - van welke betaling de rechtbank (wel) uitging in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling na de echtscheiding van partijen -, het op de weg van de vrouw ligt nakoming te verzoeken in een afzonderlijke verzoekschriftprocedure, nu dit een zogenoemd Boek 1 BW-geschil betreft.

3.5.

Gelet op rechtsoverweging 3.3 zal de man als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van de vrouw aldus begroot:

- griffierecht EUR 79,- + 2,5 punt x EUR 452,- = totaal EUR 1.209,=.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen van de man af,

4.2.

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op

EUR 1.209,=,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.1

1 type: coll: