Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3970

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
AK_ZWO_16_1639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (gebruik van bestaand pand voor reguliere detailhandel anders dan als tuincentrum). Bezwaar door GS. GS geen belanghebbende. Bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2005-12-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0229
JOM 2016/1167

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1639

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[naam], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. I.L. Haverkate, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder

gemachtigde: mr. H.C.S. van Dop.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

ter zitting vertegenwoordigd door E. Eggink.

Procesverloop

Op 8 februari 2016 is van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft het gebruik van het pand aan de [adres]

te [woonplaats].

Bij brief van 17 maart 2016 hebben gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van GS gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft desgevraagd GS in de gelegenheid gesteld om als derde-partij deel te nemen aan dit geding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Gulik, bijgestaan door

mr. I.L. Haverkate. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C.S. van Dop. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Eggink.

Overwegingen

1.1

Bij brief van 10 november 2015 heeft eiseres verweerder verzocht om reguliere detailhandel, anders dan als tuincentrum, toe te staan in het bestaande pand op het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. Bij e-mailbericht van 14 januari 2016 heeft eiseres verweerder laten weten dat haars inziens een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Bij brief van 8 februari 2016 heeft verweerder eiseres bericht dat inderdaad een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. De van rechtswege verlening van deze omgevingsvergunning is op 10 februari 2016 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

1.2

Bij brief van 17 maart 2016 hebben GS bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft dit bezwaar bij het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen.

2. Voorafgaand aan de beoordeling of verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, heeft kunnen besluiten om de op 8 februari 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning te herroepen, dient de rechtbank eerst te beoordelen of verweerder het door GS ingediende bezwaarschrift terecht ontvankelijk heeft geacht.

3.1

Uit het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb, volgt dat een belanghebbende, alvorens beroep in te stellen, eerst bezwaar dient te maken, tenzij een van de in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb genoemde uitzonderingen zich voordoet. De genoemde uitzonderingen zijn in dit geval niet van toepassing.

3.2

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Artikel 1:2, tweede lid, van de Awb bepaalt dat ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen worden beschouwd.

3.3

De vraag of sprake is van een aan een bestuursorgaan toevertrouwd belang, als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke taken die een bestuursorgaan zijn opgedragen.

3.4

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat verweerder zelfstandig bevoegd is om te besluiten omtrent de aanvraag om een omgevingsvergunning. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noch in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is als zodanig aan GS de algemene taak toegekend om toe te zien op de verlening van omgevingsvergunningen door burgemeester en wethouders. Dit laat onverlet dat GS – als belanghebbende – kunnen ageren tegen verleende omgevingsvergunningen, maar daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank dan wel sprake te zijn van een (ruimtelijk) provinciaal belang, dat uit een oogpunt van rechtszekerheid ook als zodanig kenbaar moet zijn gemaakt, in bijvoorbeeld een provinciale omgevingsvisie of een provinciale omgevingsverordening op grond van artikel 4.1 van de Wro. Dat geldt temeer omdat bij een dergelijke omgevingsverordening specifieke bevoegdheden aan GS kunnen worden toegekend met betrekking tot de in artikel 4.1 van de Wro genoemde (ruimtelijke) provinciale belangen. Die bevoegdheden kunnen nadrukkelijk ook betrekking hebben op een omgevingsvergunning, waar in het onderhavige geval sprake van is.

3.5

GS hebben aangevoerd een concreet belang te ontlenen aan titel 2.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna de Omgevingsverordening), zoals vastgesteld door Provinciale staten van Overijssel op 1 juli 2009. De Omgevingsverordening

is op 1 september 2009 in werking getreden. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

3.6

In artikel 1.1.3 van de Omgevingsverordening is bepaald dat, waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen, deze instructies gericht zijn aan de gemeenteraad en dat deze niet rechtstreeks doorwerken bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen.

3.7

Titel 2.4 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op detailhandel. In artikel 2.4.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening is voor wat betreft volumineuze detailhandel bepaald dat bestemmingsplannen niet voorzien in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen. In artikel 2.4.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening is voor wat betreft grootschalige detailhandel bepaald dat bestemmingsplannen uitsluitend voorzien in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen wanneer de locatie gelegen is of aansluit op bestaande binnensteden en wijkwinkelcentra.

3.8

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in de artikelen 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening weliswaar instructies zijn gegeven aan gemeenteraden, die bij de vaststelling van bestemmingsplannen in acht behoren te worden genomen, maar dat deze geen concrete verplichtingen bevat voor de beoordeling van individuele aanvragen om verlening van een omgevingsvergunning. In artikel 1.1.3 van de Omgevingsverordening is het provinciaal belang nadrukkelijk beperkt door te bepalen dat deze instructies niet rechtstreeks doorwerken bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen. De onderhavige omgevingsvergunning is daarmee gelijk te stellen, zodat GS de verlening daarvan, ook de verlening van rechtswege, nadrukkelijk geheel aan verweerder heeft overgelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat GS niet op grond van de Omgevingsverordening als belanghebbende kon worden aangemerkt bij de verlening van een omgevingsvergunning van rechtswege aan eiseres.

3.9

Niet concreet onderbouwd is dat uit de provinciale Omgevingsvisie een dergelijk concreet belang kan worden afgeleid. Zulks is de rechtbank ook niet gebleken, reeds omdat daarin evenmin concrete verplichtingen voor de beoordeling van individuele aanvragen om verlening van een omgevingsvergunning zijn neergelegd.

3.10

Nu niet gebleken is dat voor GS een (wettelijke) taak is weggelegd voor wat betreft de verlening van een omgevingsvergunning als hier bedoeld, had verweerder GS dan ook niet ontvankelijk moeten achten in het door hen gemaakte bezwaar. Het algemene belang van een goede ruimtelijke ordening in Overijssel is hiertoe onvoldoende.

4. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met artikel 7:1 van de Awb, te worden vernietigd.

5. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, te bepalen dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

6.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,--.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 992,--, te betalen aan eiseres;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.